De schrijver als waaghals
door Carel Peeters
Er zijn in het werk van de Constantijn Huygensprijs-winnaar A.F.Th. van der Heijden geen winnaars, alleen maar verliezers. In het beste geval zijn het glorieuze verliezers die veel hebben bereikt, maar nooit het hoogste. Al zijn romans zijn eigenlijk requiems. Het zijn verhalen over levens die moeten mislukken omdat Van der Heijden ze heeft voorzien van een uitgesproken doodsdrift: het zijn mannen met een heel bruikbare geest, maar ze dagen de dood uit door teveel te drinken, te roken, te snuiven, te stelen, te denken en te hoereren. Ze hebben de dood al in zich. Alsof hij even de pen van Van der Heijden overneemt, zegt Tibbolt tegen zijn hardere alter ego Movo in Movo tapes: ‘Mensen zijn geboren verliezers…het zijn geboren romanpersonages…door hun neiging zich uit de slonzigheid van het leven naar de glanzende perfectie van de dood te slepen. De goeie kant op dus…’
Van der Heijdens echte, niet tot fictie omgesmolten requiems: Asbestemming, het boek over zijn vader, Uitdorsten, de dertig pagina’s die hij over zijn moeder schreef, en Tonio, het boek over de dood van zijn zoon, bevinden zich voor een groot deel in het verlengde van zijn romans. In De tandeloze tijd en Homo duplex duikt de dood voortdurend op in gesprekken, monologen en gedachteflitsen. Albert Egberts en Tibbolt Satink ontwikkelen allebei hele theorieën over de dood (‘de aarde als necropolis’) die niet verschillen van wat Van der Heijden te berde brengt in Asbestemming. Daarin is het alsof Tibbolt en Movo aan het woord zijn wanneer er staat dat ‘het ‘menselijk bedrijf één grote onderwereld is, waarvan de bewoners jou, het enige ikwezen, in hun dode armen proberen te sluiten.’ Zelfs de liefde wordt volgens Tibbolt in Movo tapes beheerst door de dood: ‘Neem de liefde…verliefdheid tussen levenden…is dat niet altijd Orpheus die Eurydice zoekt? De geliefden zijn allebei voorbestemd om dood te gaan.’ Hetzelfde staat in Asbestemming.
Het waaghalzerige schrijverschap van Van der Heijden is een gevecht tegen de dood. Wanneer de dood zich zo in zijn leven en werk heeft genesteld, moet hij dagelijks schrijvend onschadelijk gemaakt worden. De dood en de doden zijn prominent onder ons, zegt Tibbolt namens Van der Heijden tegen Movo, ‘in een heleboel verschillende gedaanten. In de vorm van rouw voor een sterfgeval…van herinneringen aan een lang geleden gestorvene…Altijd en overal zijn ze er. Vermomd als doodsangst…verkleed als ongeneeslijke ziekte…als schim die de nabestaanden van een dierbare overledene in een bootje onder een brug menen te zien, bij dichte mist…’
Om helemaal van deze dood en doden af te zijn, wilde Albert Egberts in De tandeloze tijd het liefst helemaal niet hebben bestaan. In al het werk van Van der Heijden klinkt dit fundamentele ongenoegen door over de oorspronkelijke, niet meer terug te draaien onvolmaaktheid van de mens: de mens is altijd op zoek naar manieren om aan zichzelf te ontkomen. Albert citeert het antwoord dat Silenus geeft aan koning Midas op diens vraag wat het voortreffelijkste is in het leven: dat is ‘niet te zijn…niets te zijn’. Dat voortreffelijkste is voor niemand, en ook voor Albert niet voorhanden, daarom neemt hij een drastisch besluit: dan wil hij ook eeuwig leven. Hij gaat in de wereld ingrijpen, hij gaat een daad stellen, hij gaat in beweging komen en het leven zo breed mogelijk maken zodat die geniepige dood er niet langs kan.
Albert Egberts gaat van zijn leven iets maken nu hij er toch moet zijn. Dat is ook wat Van der Heijden doet wanneer hij geconfronteerd wordt met al die gedaanten die de dood kan aannemen: hij geeft al schrijvend meerwaarde aan het tragische, beschamende, vernederende en het negatieve. Hij smelt het om tot iets moois. Hij maakt goud uit modder. Hij is zelfs bereid, schrijft hij in Asbestemming, om de beschamendste daden van zijn vader ‘heilig’ te verklaren – ‘dan hebben we er nog iets aan.’
Ook al móest Van der Heijdens laatste requiem, Tonio, het boek over zijn op eenentwintigjarige leeftijd in 2010 verongelukte zoon, geschreven worden (‘het was over Tonio schrijven, of niet meer schrijven’), ook hier moest het tragische omgesmolten worden tot iets waar je nog iets aan hebt. Anders dan in zijn romans mythologiseert Van der Heijden in Tonio niet. De dood blijft in Tonio ruw en rauw. Het is een wurgend zelfonderzoek van iemand die ten prooi is aan verdriet, wanen, stemmingen en machteloze woede: hij is in de tang van onontkoombare feiten.
Tonio is geschreven in de geest van Albert Egberts. Die ging er net zo van uit dat hij recht had op een prinselijk bestaan, ook al hield hij heimelijk rekening met zijn nederlaag. De schaamte die Van der Heijden voelt over het verongelukken van zijn zoon, terwijl hij zich nergens voor hoeft te schamen omdat hij nergens aan schuldig is, komt daar vandaan: van de toch heimelijk gekoesterde illusie dat het leven met vrouw en zoon het leven was zoals het moest zijn, prinselijk. Hij schaamt zich deze illusie heimelijk te hebben gekoesterd. Ook al wist hij donders goed dat het leven de kant van de dood op ging, dat de dood in alle variaties al in het leven zelf te vinden is. Hij had het zelf geschreven. De onbewuste illusie was sterker.


