★★☆☆☆

Oscar – Jan Siebelink

door Jeroen Vullings

Uitleggen wat niet uitgelegd hoeft te worden, anachronismen, een verhaal dat niet tot leven komt: de oorlogs- en liefdesnovelle Oscar is niet vintage Siebelink.

Een Nederlandse man en vrouw keren vlak na de Tweede Wereldoorlog terug naar de Noord-Franse plek waar haar man, zijn beste vriend, om het leven is gekomen. Hij weet wat er precies is gebeurd, zij niet. De toedracht, zo krijgen we via een vette vooruitwijzing beloofd, komt aan het slot van het verhaal. Daar wordt door Jan Siebelink naartoe gewerkt, met trage bewegingen. Want het reisje, van Den Haag naar de omgeving van Duinkerken, wordt danig onderbroken door herleefde herinneringen: aan de vriendschap tussen Oscar en Id (de dode); aan hun vooroorlogse tijd als leraar Engels op een Haagse school; aan de komst van de lerares Engels Esmée op die school; aan de verhouding die de getrouwde Oscar met het jonge ding kreeg; aan haar latere keuze voor Id boven Oscar. Herinneren, een labeur.

Al die tijd weten we niet wat er met Id gebeurd is in de historische novelle Oscar. Het moet wel iets dramatisch zijn, want regelmatig wordt gewag gemaakt van een revolver. En Siebelink is niet het type schrijver bij wie zo’n vuurwapen dan niet geheid afgaat. Man, vrouw. Plus liefde. Hij is nog steeds verkikkerd op haar, zoals mag blijken uit de openingsscène. Die is sowieso veelzeggend. Bij zijn condoleancebetuiging aan Esmée krijgt Oscar zowaar drie clichés uit de strot: ‘Het is verschrikkelijk. Er zijn geen woorden voor. Wie had dat kunnen bedenken?’ Eén platitude had volstaan. Drie gemeenplaatsen achter elkaar debiteren wekt de indruk: hij meent er niks van, er zit geen emotie bij. Even later vergrijpt Oscar zich boven de kist waarin de resten van Id liggen aan de weduwe. Op zijn minst is dat sociaal onaangepast gedrag. Door dit gambiet van Siebelink weten we waar we met het personage Oscar aan toe zijn. Bij de trefwoorden waarmee ik bovenstaande alinea begon, hoort er nog een: Tweede Wereldoorlog. Lezers vreten boeken over de Tweede Wereldoorlog – bijna net zo gretig als die over Indië. Hoe beroerd die boeken ook mogen zijn. We zijn heel wat proza rijk over de Tweede Wereldoorlog, dat spectrum bestrijkt zowel auteurs als Simon Vestdijk en W.F. Hermans, als de protestants-christelijke jongensboekenschrijver K. Norel (van Engelandvaarders en Varen en vechten).

De oude Siegmund

Van vooral Hermans heeft Siebelink de notie geleend dat de oorlog als katalysator werkt: zijn Oscar voelt zich opeens een zelfverzekerde vent en niet langer de mindere van Id. Maar in de beschrijving van gevechtshandelingen lijkt Siebelink toch meer op K. Norel. Hij haalt bijna diens niveau. Natuurlijk is Siebelink ook niet van gisteren. Met het morele zwart-witschema van Norel – helden tegenover schurken – kan hij niet uit de voeten. Daarom zal zijn novelle ook wel Oscar heten, want daardoor zoom je in op de vrij loslopende patiënt die Esmée naar de plaats des onheils voert en dan komen we op het terrein van de psychologie. Zo’n naam als ‘Id’ is natuurlijk ook niet toevallig, daarmee betrekt Sieb de oude Sigmund erbij. Dat mag, maar hier stoort het, omdat zo’n ingrediënt te duidelijk bedacht is en in Siebelinks weergave bedacht blijft. Het komt maar niet tot leven – dat is het grote probleem in Oscar. Siebelinks verhaal gaat over grote, grote gevoelens, maar het is zonder merkbare passie geschreven. Die Oscar en Esmée zijn beiden in de kracht van hun leven, er bestaan nog gevoelens tussen hen, krijgen we ingepeperd. Maar: hun tripje lijkt wel een reünie van ouden van dagen, die te stram in de lendenen zijn geworden voor wat actie op vochtig mos. Ook op een andere manier wekt Oscar de indruk een anachronistisch boek te zijn. Met Siebelinks documentatie zit het redelijk snor, maar toch lijken zijn personages tijdgenoten van ons, die per ongeluk in de jaren veertig van de vorige eeuw zijn beland. Niet omdat hun problematiek universeel zou zijn – was dat maar zo. Siebelinks leraren in Oscar – we spreken over vooroorlogse tijden – lijken zo weggestruind uit zijn verhalenbundel Laatste schooldag (1995). Op een gegeven ogenblik overweegt een leraar in Oscar zijn leerlingen te vergasten op een andere lesmethode en daartoe vraagt hij een gratis exemplaar aan bij de uitgever. Dat gebeurt in het hedendaagse onderwijs, maar toen ook? Misschien moet een hoogleraar boekwetenschappen zich hier eens over buigen. Ook is er gedoe over een leerling wiens vader in het schoolbestuur zit. De onvoldoendes van het joch dienen weggepoetst, vindt de rector. Wereld van verschil met Bint, wil ik maar zeggen.

Het verhaal gaat over grote, grote gevoelens

Maar de twijfel over het historisch gehalte – een twijfel die de beoogde waarachtigheid bij Siebelinks realisme danig ondermijnt – slaat vooral toe in de gebezigde taal. Ik begrijp al niet welke meerwaarde het heeft dat Siebelinks liefdestrio bestaat uit anglisten. Voor de oorlog bediende de Nederlandse academicus zich van het Frans en niet van het Engels – dat hoorde bij de nette kringen waaruit hij voortkwam en waarin hij verkeerde. Iets waarmee de romanist en vertaler Siebelink goed uit de voeten kan, zou je denken. En ja, er staat wat Frans in Oscar. Maar ook Engels, dat hier ontheemd, onfunctioneel, onhandig aandoet en dus niet bevorderlijk is om tijdelijk in de illusie die fictie heet te willen geloven. ‘Oscar had jaren materiaal verzameld over de invloed van het Franse fin de siècle op de Engelse literatuur van de nineties’, staat er. De nineties – klinkt modern. Nochtans: Oscar speelt in de jaren veertig van de vorige eeuw, bij het fin de siècle hebben we het over Frankrijk, eind negentiende eeuw. Als ik het goed begrijp, moest Oscars dissertatie gaan over de invloed van de toenmalige Franse literatuur op de Engelse, in dezelfde tijd. Geen wonder dat zijn proefschrift er nooit kwam. Daarmee heb ik nog niks gezegd over andere slordigheden. ‘Ik wil mijn eigen lesstof afvragen’, zegt Esmée – daar waar ze ‘bevragen’ bedoelt. Ook zegt ze heel cool: ‘Ik volg jou.’ Ze bedoelt: ‘Ik kan je goed volgen.’

Een syfilitische soep

Dit alles is, op de schaal van krantenkoppen met wereldrampen, klein bier. Maar over Siebelinks drift om alles te verklaren wat niet verklaard hoeft te worden, kunnen we niet zo licht denken. Esmée heeft een significante achternaam. Siebelink schrijft: ‘Zij heette Esmée Sondaard.’ Aha, denkt de oplettende lezer. Siebelink vervolgt: ‘Alles was dubbelzinnig aan deze vrouw. Sondaard! Je dacht aan een sondaar. Aan een sonde. Een vrouw die diep peilde.’ Op een gegeven ogenblik zegt Esmée tegen Oscar, tijdens hun omstrengeling: ‘Ik wil je buik voelen.’ We begrijpen ‘t. Maar al te goed. Siebelink meent van niet: ‘Natuurlijk bedoelde ze wat anders.’ Een paar zinnen verderop volgt: ‘zijn onderbuik, zijn erectie’.

Illustratie: Siegfried Woldhek

Oscar kunnen we aldus afdoen, al staat er af en toe een geslaagde metafoor in: ‘Esmée fouilleert de hotelkamer met haar ogen.’ Maar de schrijver van deze novelle doen we niet af. Op een gegeven ogenblik komt er, totaal overbodig, in Oscar ‘een syfilitische soep’ voor waarop vetoogjes dreven. Daar hebben we ‘m, de ware Siebelink. Zolang zijn boeken niet geschikt zijn voor een doelgroep, of het nu leraren, christenen of oudere lezeressen zijn, blijkt wat hij kan, blijkt hij een goede schrijver te zijn. In zijn vroege werk omarmde hij de decadentie, de opmaat voor de duisternis in zijn beste boeken. Die perverse, verknipte kant, zo broeierig aanwezig in zijn recente roman Suezkade, is op en top vintage Siebelink.

De Bezige Bij, 128p., €17,50

Gepubliceerd op: | 1 Comment


  • JV

    Mij vielen enkele anachronismen op als: oefenen met de Bren in de jaren dertig. Dit wapen was bij de Nederlandse krijgsmacht onbekend in die jaren, evenals ‘de commando’s uit Roosendaal’, pas na WO2 opgericht. JV

© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.