Bittere bloemen – Jeroen Brouwers
door Jeroen Vullings
Wat Harry Mulisch lukte met ‘Hoogste tijd’, krijgt Jeroen Brouwers niet voor elkaar in ‘Bittere bloemen’: bezield schrijven over een naderende dood.
Horlogemakersproza. Zo werden Jeroen Brouwers’ romans ooit betiteld. Daar-mee wordt bedoeld: gelaagd proza, waarin de schrijver met noeste vlijt symbolen, betekenislagen, verwijzingen heeft aangebracht. Alle radertjes hebben een fijnmazige functie in de waterdichte structuur, volgens het brouwersiaanse principe: niets bestaat dat niet iets anders aanraakt. Proza van schrijvers die als almachtige goden greep op en controle over hun verhaaluniversum willen houden. Chaos dient uitgeband.
De hoogtijdagen voor zulk door de schrijver zwaar en ernstig beademd proza waren de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uiteraard wordt er nog steeds proza geschreven met verscheidene betekenislagen, maar daarin mag de aanlegkabel meer gevierd worden ten gunste van het verhaal, en de schrijver speelt meer met die allusies en lagen – zoals Roberto Bolaño. Het bloedserieuze gelaagde schrijven is passé.
Maar één enkeling houdt nog stand, schrijft net zoals hij dat decennia eerder deed, ongehinderd door het verloop van de tijd en de veranderingen die zich voltrokken en voltrekken: Jeroen Brouwers (Batavia, 1940). Hij moet zich daar bewust van zijn, misschien wel niet anders kunnen, want het verouderen in een zich almaar verjongende wereld vormt de inzet van zijn nieuwe, ambitieuze roman Bittere bloemen.
Gedachtenwoestenij
We kijken daarin mee met een man van eenen-tachtig – ex-rechter, ex-politicus, ex-schrijver – die terug kan blikken op een succesvol maatschappelijk bestaan. Julius Gerhard Marius Hammer heet hij. Juul voor intimi, alleen zijn er niet zo veel intimi meer over. Zijn ook al bijna bejaarde dochter is er een van en ze heeft haar vader op een cruiseschip gezet, dat hem naar Corsica zal brengen.
Gemeten naar de verhaalhandeling gebeurt er vrijwel niks in Bittere bloemen. Juul herontmoet een oud-leerlinge, met wie hij vroeger intieme omgang genoot. Pearlene heet ze. Ooit, we hebben het over 1991, gaf hij haar schrijfles, ze was toen zeventien. Nog steeds is het leeftijdsverschil groot en niet alleen dat: Pearlene is helemaal van deze moderne tijd. In contrast met de grimmige rationalist Juul laat ze zich bovendien leiden door het irrationele. Ze brengen na hernieuwde kennismaking een etmaal met elkaar door en dan is het eind van de roman in zicht.
Op een ander vlak gebeurt er daarentegen enorm veel in Bittere bloemen: in het innerlijk van Juul. Tegen het slot rept hij van een ‘gedachtenwoestenij’, een term die de uitputtende, bonte en barokke wemeling van zijn herinneringen en gedachten goed typeert. Als ‘vermoste knotwilg’ is hij vervuld van het vanitasbesef: ‘Hammer ziet de gestalten van de olijfbomen die nu voorbijschrijden, waardig, oud, vol knoesten, wratten, bochels, soms gescheurd door de bliksem, en hij herkent zichzelf erin, alleen zal hij de eeuwen niet trotseren zoals deze majesteiten, evenmin als zijn geschriften, hij was als een rieten hoed in de bries, zijn oeuvre verdwijnt zoals het gefluit dat langs en in zijn oren suist.’
In het aangezicht van de dood – daar wijst de overvloedige symboliek op – ervaart hij dat ‘de tijd de tijd is gebleven, er is niets voorbij, de hele periode dat hij heeft geleefd is tot één tijdseenheid samengekneed, het verleden is het heden, in het heden is hij in het verleden en er is geen toekomst meer, zodat het lijkt of hij is gemetamorfoseerd in tijd, die zich steeds herhaalt of hetzelfde blijft. Het aantal keren dat hij nog zal ademen is te tellen, maar nu het zover is, ziet hij zich voortdurend terug in vroeger, het voorbije, terwijl hij dan al beseft wat hij pas later te weten zou komen aan inzichten, ervaringen en wijsheid.’ Dit citaat vat het gehanteerde vertelprocédé in Bittere bloemen samen. Tijd en ruimte zijn geen vaste grootheden meer in Juuls (door associaties gestuurde) perceptie van de realiteit. Het is aan de lezer om daar chocola van te maken.
Behaaglijke cadans
Als je eenmaal weet hoe Brouwers in dit boek vertelt, lukt dat ook wel. Wat betreft die niet direct thuis te brengen symbolen en verwijzingen: een beetje huiswerk voor een school die we allang doorlopen hebben. Google is gelukkig ons aller vriend. Maar dat zegt niks over het uit dit proza te peuren leesgenot.
Eerst de complimenten. Brouwers’ taal is kunstig en rijk. Wie zijn kritische antenne knakt, zich mee laat voeren op de behaaglijke cadans van zoveel stilistische schoonheid, zich daardoor laat bedwelmen en verblinden, kan z’n lol op met Bittere bloemen. Zulke absolute toewijding eist deze roman, als onvoorwaardelijke leesvoorwaarde. Zo’n gedienstige lezer dient in te stemmen met de dreunend toegediende, zwarte, van illusies verstoken kijk op de wereld, om op de sofa bij de haard naar zijn naast hem gezeten wederhelft te roepen: ‘Nou! Brouwers weet ‘t maar te zeggen!’
Maar ook de lezer die zich niet slaafs aan de maestro wil uitleveren, blijft niet ongevoelig voor wat Brouwers’ pen vermag. De als bewustzijnstroom geschreven passage over Juuls moeder (p. 191 en 192) is onvergetelijk. Zó schrijven verdient applaus: ‘Wat is in Hammer het eigenlijke? Dat hij ooit heeft gedacht en geroepen dat hij nooit zou sterven. Teleurstelling om wat hij die paar momenten ziet, met eigen ogen die alles zien, zoals Lucas Cranach, alleen zijn eigen ogen kan hij niet zien. Het is erger dan teleurstelling, in zijn ogen stort wanhoop neer als een stalen scherm. Waar hij toch al nooit op hoefde te hopen wordt met een dreun uit hem weggeramd, gevel bezwijkt, plafond stort in, meteoor, de huid zakt rimpelend van het gebeente. Het heeft te maken met rouw, verloren- en achtergelatenheid, verontwaardiging en woede daarover. Berusting komt pas later, als ijs over een vijver waarin de vissen stikken, maar het verdriet blijft rondkolken, men heft er zijn stok tegen op. Er is iets dood, alles gaat maar dood en veroorzaakt leegten. Het hart van de rechtvaardige rechter, politicus, oeuvrebouwer, wat stelde het allemaal nu eigenlijk helemaal voor [...].’
Theorette
Nu de kritiek. Bittere bloemen is een mulischeske roman, over schijn, werkelijkheid en onthechting vlak voor het sterven. Het is Brouwers’ Hoogste tijd. Mulisch koos in die roman als decor dat transcendentie mogelijk maakte, voor het theater. Brouwers voor de (existentiële) film, met verwijzingen naar Het zevende zegel en Eyes Wide Shut. Er is meer thematische verwantschap met Mulisch’ voorbeeldige voorbeeldroman, maar juist de verschillen verhelderen mijn bezwaren tegen Bittere bloemen. Mulisch schrijft licht en spannend (met cliffhangers) over zijn grijsaard die niet dood wil, bij Brouwers pakt het ‘drama’ topzwaar, vermoeiend en onbezield uit. Op de taal na huist er geen leven in Bittere bloemen.
Brouwers schrijft een roman lang over een impasse, als opmaat van de dood. Zijn essayistische theorette over het woordje ‘eigenlijk’, een overbodig woordje volgens Juul, dient eveneens om ons voor te bereiden op de onontkoombare dood.
Hoe schrijf je levendig over zo’n impasse? Door een stuwende plot aan te brengen, maar ook door de rauwheid van die impasse te benadrukken en te onderzoeken. Dat had vitaal vertelmateriaal kunnen opleveren, zoals in Hoogste tijd. Maar Brouwers laat het bij devote eredienst, bij stoffering en bekleding, bij laagjes, bij versluiering door intellectueel behang aan te brengen.






Pingback: Warhol, Tentije, Brouwers, nY, Kamagurka « JJ Pollet