Gerard Reve: 'De dingen onthouden, daar gaat het om'
17-02-1996 Door Rudie kagie
Hieronder volgt het verslag van een vrolijke en serieuze dag (én nacht) in de voormalige Belgische dokterswoning in Machelen, waar de schrijver en Joop Schafthuizen wonen: 'De halve dag gaat voorbij met boodschappen doen en schelden en ruzie maken.'
Als het boemeltreintje puffend tot stilstand komt langs het perron van Deinze, wringen de scholieren zich met evenveel kabaal naar buiten als waarmee ze de coupé in Gent kwamen binnenstormen. Op knetterende brommers razen ze het Vlaamse platteland tegemoet. Op het plotseling zéér verlaten stationsplein bevindt zich een telefooncel. Daar toets ik, zoals afgesproken, het nummer in van Gerard Reve, die vanachter zijn schrijftafel in het naburige Machelen meteen reageert.
Binnen tien minuten draait de schrijver zijn stationcar de parkeerplaats op. Onder zijn colbert draagt hij een dik vest van paarse wol. Om zijn rechterpols glimt een zilveren armband; een enigszins wuft sieraad dat alleen een tweeënzeventigjarige met relativeringsvermogen zich kan veroorloven. Opgewekt zit hij achter het stuur: 'Joop is gisteren de halve dag bezig geweest met het dweilen en oppoetsen van de logeerkamer. Er staan daar twee bedden, een met een harde matras en een met een zachte matras. Van beide bedden heeft Joop de lakens verschoond. Maar je mag niet van bed wisselen als je halverwege de nacht denkt dat het andere beter is.'
Hij neemt de afslag naar de rijksweg, wijzend op kastelen, beeldentuinen en een bazar, 'waar slechte kitsch duurder is dan goede kitsch'. In 'het puur kapitalistische' België bezit tachtig procent van de bevolking een eigen huis - 'er wordt hier nog gewerkt' - en de wetgeving is van elastiek: 'De burgemeester doet hier niet moeilijk over vergunningen voor een uitbouwtje of zo'. De voormalige dokterswoning in Machelen, die hij drie jaar geleden met Joop Schafthuizen betrok, kostte de helft van minimaal het miljoen dat er in Nederland voor gevraagd zou zijn. 'Welnee,' zegt hij, als ik herinner aan interviews die gewag maakten van zijn 'vlucht' uit het verloederde, vervuilde en steeds gevaarlijker land van zijn lezers. 'Het doet het altijd goed om zoiets te zeggen; de kranten drukken het graag af. Maar ik laat me niet op de vlucht jagen. Ik kan overal wonen. Onaangename dingen heb je in het ene land wat meer dan in het andere, maar zo lang je zorgt dat je buiten de stad blijft, maakt het weinig verschil. Ik had dit veel eerder moeten doen. Na twintig jaar schrijven, ving ik in 1964 voor het eerst van mijn leven geld. Dertigduizend gulden, dat is zoiets als twee ton nu. Ik ben in Frankrijk gaan zoeken. Vlak over de grens, een eindje buiten Brussel of Antwerpen, kostte een herenhuis twintig-, vijfentwintigduizend gulden. Ik wist dat niet.' Het geheime landgoed La Grâce staat nu te koop. Grijnzend zegt hij: 'Misschien iets voor een jonge Nederlandse schrijver, die dan ineens heel beroemd wordt omdat hij woont in een huis dat van Gerard Reve was. De hypotheek kan hij aflossen door toeristen rond te leiden.'
Door hoge ramen schijnt het winterlicht, dat weerkaatst tegen de parketvloer. Een forse tuin scheidt de monumentale woonkamer van eventueel straatrumoer. Aan de muren veel kunst en Afrikaans houtsnijwerk. 'Ik zou niet meer in een flat kunnen leven,' licht de gastheer toe vanuit zijn fauteuil aan de andere kant van het bijzettafeltje. 'Alleen al de gedachte aan het geluid van boven- of benedenburen dat ik zou kunnen horen, brengt me in paniek. Ik beklaag die tienduizenden mensen in Amsterdam die chronisch krankzinnig worden van het lawaai om zich heen. Er gebeurt niets tegen en zelf mogen ze ook niets doen. Die buren beneden zouden naar boven moeten gaan en het meubilair en de televisie en dat hele gezin uit het raam gooien. Ja, die mensen ook, want dan pas krijg je rust, begrijp je. Een staat kan zich verdedigen tegen een aanval, maar een individu kan zich niet verdedigen. Vroeger werd er nog wel iets aan gedaan, dan werd de stroom afgesloten of zoiets. Ik geloof dat negen van de tien mensen die bij klinieken in dagbehandeling zijn, lijden onder herrie van hun buren. Maar voor de Partij van de Arbeid zijn die mensen niet belangrijk; ze zijn maar een kwart van de kiezers. Waarschijnlijk durven ze niet eens de deur uit om bij het stembureau in de rij te staan, omdat intussen hun huis kan worden leeggehaald.'
Hij knikt verheugd als ik veronderstel dat hij het steeds minder op de mensheid heeft begrepen. 'Ja, een kunstenaar moet alleen zijn, anders maakt hij niets. Er is niet genoeg eenzaamheid. Schrijvers die elke dag naar de kroeg moeten om de laatste verhalen te horen, zijn meer noteerders van het dagelijks gebeuren. Je kunt een wereldroman schrijven als je zes maanden in een huis woont met een bos eromheen en niemand ziet. We krijgen hier gelukkig heel weinig aanloop. In Frankrijk kwamen er nog wel eens kunstschilders langs, vrienden van Joop. Meestal stonden ze onaangekondigd voor de deur. En als ze wél een afspraak hadden gemaakt, waren ze er op z'n vroegst om vier uur 's middags, terwijl ze er om elf uur 's morgens zouden zijn. Daar mag je dan niets van zeggen, dat is allemaal heel normaal. Joop heeft staan koken voor mensen, die pas twee dagen later kwamen opdagen. Daarna kreeg je ze niet meer weg; dat kletste maar door tot zes uur 's morgens, met drank erbij en harde stampmuziek, anders was het niet gezellig. Als hier iemand binnenkomt, is de kans dat het een interessant persoon is, misschien een op honderd. Ik gun de mensen alle goeds, maar ze hebben mij niets mede te delen. De massamens kan alleen maar praten in de taal van de televisie. Iemand die zegt dat je moet functioneren - dat soort werk. Nou, ik wil liever niet functioneren. Of ze zeggen dat alles enig is. Dat ze zo'n leuk programma op de televisie gezien hebben, met allemaal kinderen die dansten. En sommige kinderen hadden maar een half been en toch was het leuk, zoals het gedaan werd. Dat soort mensen zegt niet dat ze zich rot voelen, maar dat ze een identiteitsconflict hebben. Het gaat er niet om dat ik alleen wil zijn. Maar ik wil niet gedwongen zijn om mensen om me heen te hebben waar ik geen zin in heb.'
In Het Boek Van Violet En Dood rekent hij genadeloos af met een aantal van zijn overgebleven vrienden en sommige bewonderaars die misschien nog dachten op zijn sympathie te kunnen rekenen.
Rudy Kousbroek bijvoorbeeld, met wie hij tien jaar geleden de wederzijdse correspondentie publiceerde in de bibliofiele uitgave Je Brief Kwam Net Te Laat, heeft afgedaan als favoriete kunstbroeder: 'Hij zou me wel even vertellen hoe ik een boek moest schrijven. Hij vond dat ik een boek moest schrijven als een schijf. Toen ik hem vroeg hoe ik me dat moest voorstellen, kwam er geen antwoord. Hij bedoelde natuurlijk een boek zonder begin of einde, maar het ontbreekt hem aan eruditie. Kousbroek heeft alleen maar verkeerde boeken gelezen, zogenaamd grappige of opstandige boeken, maar Schopenhauer, Jung of Freud heeft hij niet gelezen. Het is een dwarsligger, die vogel.'
De als 'onfris' omschreven Simon V. krijgt helemaal geen toegang meer tot het huis van de auteur, sinds opviel dat na ieder bezoek van de dichter weer een boek minder in de kast stond. Ik veronderstel dat de ex-Vijftiger na lezing van de passage in een spontane woedeuitbarsting naar de telefoon zal grijpen.
'Ach welnee,' zegt Reve, 'die Vinkenoog weet niet eens hoe hij moet opbellen. Als je een boom in de kamer zet, klimt hij erin. Ik begrijp nog steeds niet, hoe ze die onzin ooit serieus hebben kunnen nemen. In de jaren vijftig zat ik er middenin. Het gekke was dat die mensen ruim baan vroegen voor hun werk, maar wat is dat werk dan? Ze begonnen een oorlog tegen de maatschappij, de dufheid, het klootjesvolk, de spruitjesgeur. Het gekke was dat niemand ze een strobreed in de weg legde. Ik zei er niets van, want ik had toen zelf nog niets gemaakt. Het was allemaal onbetrouwbaar volk. Oplichters. Een spoor van vrouwen achterlaten met kinderen en zo. Dat was chic in die tijd.'
Evenmin vleiend is Het Boek Van Violet En Dood voor Maarten Biesheuvel, die er nooit een geheim van maakte dat hij zich met moeite aan de invloed van Reviaans proza wist te ontworstelen. 'De kunstenmakerij van die man,' smaalt de bewonderde meester. 'Altijd maar weer een heleboel dieren en daar moeten anderen voor zorgen, waarschijnlijk. Als hij begint te gillen, moet de psychiater opdraven en dan gaat hij naar Endegeest. Wie betaalt dat allemaal? Die jongen kan toch niet zijn hele leven redacteur van een studentenblaadje blijven? Hij heeft vermogen om te schrijven, maar er is een grens aan het anekdotische. Hij ziet niet dat het hele bestaan een tragisch gegeven is, van een onbekend begin naar een duister einde. Hij heeft geen wereldbeeld.'
In een ander hoofdstuk blijkt de 'geleerde broer' Karel van het Reve gedegradeerd tot 'geleerde halfbroer'.
'Ja,' zegt Reve, 'het is gebleken dat mijn vader een Noorse zeeman was, die erg op de vader van Karel leek. Hoe het precies zit, neem ik mee in mijn graf. Misschien laat ik het wel tijdig achter. Ik weet het niet. Mijn geleerde halfbroer is érg tegen God, wat ik een beetje vreemd vind voor iemand die door Biesheuvel voor God werd aangezien.'
Hij zwijgt even en kijkt de verslaggever onderzoekend aan. 'Zeg, heb jij een scheet gelaten?' vraagt hij neutraal. Ik ontken. Hij gaat direct verder: 'Zul je mijn boek bij de mensen aanbevelen? En schrijven dat het zo ingetogen is dat het ook voor jonge, onervaren lezers geschikt is? Dit boek zal wel een beetje opzien baren, hoor. Ik hoop dat een paar mensen ruzie met elkaar gaan maken.'
Het Boek Van Violet En Dood moest het ultieme 'boek worden, dat alle andere boeken overbodig maakt, de Bijbel, Gods enig woord, uitgezonderd'. Een verkapte aankondiging dook voor het eerst op in 1963, toen Reve (die toen nog G.K. van het Reve heette) in Nader tot U een brief opnam die afsloot met de woorden: '(P.M. Een boek schrijven over het Violet en de Dood.)' In maart 1968 meldde K.L. Poll in het Algemeen Handelsblad: 'Gerard Kornelis van het Reve werkt in Greonterp, zeven kilometer van Bolsward, aan Het Boek van het Violet en de Dood. Lang beloofd, maar nu echt op komst.' Er waren al twee pagina's voltooid. In het voorjaar van 1980 kondigde uitgeverij Elsevier Manteau met gepaste trots het langverwachte meesterwerk aan. Er circuleerde zelfs een dummy met zestien pagina's tekst, maar op het laatste moment werd de titel veranderd in Moeder en Zoon. Uitgever Geert van Oorschot zou de titel Het Boek van het Violet en de Dood al jaren eerder hebben geclaimd en had Reve verboden er nu gebruik van te maken.
Het moeizame wordingsproces van het vele malen uitgestelde en, op De avonden na, onderhand meest spraakmakende boek van Reve, wordt gereconstrueerd in Jezus Maria!, een publicatie die binnenkort bij uitgeverij Bas Lubberhuizen verschijnt. Na raadpleging van de archieven stelt auteur Wim Wennekes dat de curieuze verhandeling De kleine neurasthenicus uit 1922 van de in vergetelheid geraakte zonderling dr. Herman de Cock diepe indruk op Reve moet hebben gemaakt. In De avonden wordt indirect, maar wél onmiskenbaar naar het boekje van De Cock verwezen. Aan een citaat in het werk van De Cock ontleende Reve niet alleen de titel, maar ook het motto voor zijn nieuwe boek. Citaat van De Cock: '"'t Is net meneer," zegt Dorus, "alsof een dure plicht op mijn schouders rust. De plicht, om een groot, een machtig boek te schrijven. Een boek waarvan de titel luiden zal: "Van 't Licht en van de Schaduw, van 't Violet en van den Dood. En van de Geestdrift."' Wennekes suggereert dat De kleine neurasthenicus als een 'rode draad' door het oeuvre van Reve loopt.
De schrijver verstrakt als ik deze conclusie aan hem voorleg. Hij was ontstemd over de drukproeven van de verhandeling die Wennekes hem toestuurde. 'Die meneer put zó royaal uit mijn werk, dat je bijna van een piratenuitgave kunt spreken. Hele alinea's uit mijn boeken heeft hij overgeschreven. Het is al half een proces. Ik zou het maar buiten beschouwing laten.'
Maar is het wáár? Heeft Reve de buitenissige, theosofisch aandoende ideeën van de mysterieuze dr. De Cock tot de zijne gemaakt?
Een afwerend handgebaar: 'Nee, De Cock heeft niets met mijn boek te maken. Het is hooguit een aanleiding. De kleine neurasthenicus is een aardig boek, zeker voor die tijd. Weet ik veel. Ik heb een boek geschreven en de mensen moeten er plezier in hebben om het te lezen. Ik maak geen kunst om de wereld te verbeteren of om de arbeidersjeugd af te houden van de klassenstrijd of zoiets. Iemand die een kunstwerk maakt, een schilderij, mag allerlei pantheïstische of maatschappelijke ideeën hebben, maar als het schilderij aan de muur hangt, moet het iets voorstellen. Daar kijk je met plezier naar en met ontroering. Of je wordt eventueel vrolijk door het ludieke of humoristische karakter. Meer is het echt niet.'
De licht-spottende twinkeling is verdwenen. Ernstig vervolgt hij: 'Het misschien wel enige werkelijke thema dat alle kunst overheerst, is de dood. Schopenhauer schrijft dat in de mooiste boeken niets gebeurt, terwijl bij de lezer en de schrijver een inzicht groeit. Dat is mijn streven. Elk kunstwerk herinnert ons aan de dood. In het Rijksmuseum heb ik eens urenlang gestaan voor een zeventiende-eeuws portret van een jongeman van een jaar of veertien, vijftien. Dan denk ik: wie is die jongen? Heeft hij nog een graf of is dat opgeruimd? De vergankelijkheid is het hele motief van mijn werk. Als Joop binnenkomt met een leuk, lief kind waar hij een bepaalde belangstelling voor heeft, emotioneel of sentimenteel, is mijn eerste gedachte: hoe oud wordt dat ventje? Het is een hele mooie jongen, hij doet goed zijn best op school en hij heeft een mooie stem, muzikaal is hij ook, maar wie belet hem dat hij over drie maanden door het ijs zakt en een paar dagen later begraven wordt? Ik zie de dood in ieder levend wezen. En dat is niet omdat ik het wil of omdat ik het de mensen gun.'
De twinkeling is ineens weer terug, als hij er haastig aan toevoegt: 'Sommige mensen wel, natuurlijk. Die moeten echt dood. Twee derde van mijn vijanden is al dood. Niet omdat ik iets tegen ze geschreven heb, maar omdat God het beter vond om ze maar eens mee te nemen.'
In de gang klinkt gestommel. Joop Schafthuizen, de 'Matroos Vosch' aan wie Het Boek Van Violet En Dood is opgedragen, komt binnen met een boodschappentas. Hij is verantwoordelijk voor de aanschaf van de Afrikaanse kunstwerken aan de muur. Eerder op de middag noemde Reve die voorwerpen 'afzichtelijk'; hij zei dat hij er hoofdzakelijk 'fallussymbolen' in herkent. Uit een belendend vertrek keert Schafthuizen terug met een primitief houtsnijwerk, dat een waarde van tienduizenden guldens vertegenwoordigt en minstens vierhonderd jaar oud zou zijn. 'Dat geloof ik niet. Dat hout kan in een tropisch land nooit over zo'n lange periode bewaard blijven. En mooi vind ik het ook niet,' zegt Reve.
'Ik ben verzamelaar van mooie dingen,' gaat Schafthuizen enthousiast verder. 'Maar het is waar wat Schopenhauer schrijft: zodra een verlangen is vervuld, ontstaat een nieuw verlangen. De hartstochtelijke begeerte om alles van één kunstenaar of bepaalde kunststroming te hebben, is onuitputtelijk.'
'Dat interesseert me nou totaal niet,' reageert Reve vermoeid.
'Het zou je móéten interesseren,' vindt Schafthuizen. 'Jouw belangstelling voor religie is ook een vorm van verzamelen. Daarover lees je alles wat los en vast zit. Dat is een bepaalde drang, waar je geen weerstand aan kunt bieden.' Reve: 'Ik vind het allemaal volkomen idioot.'
Schafthuizen: 'Okay, Gerard, jij praat nu als schrijver. Maar iemand die jouw boeken leest, herkent daarin een hunkering naar schoonheid die door jou tot uitdrukking wordt gebracht. In de kunst draait het toch om de macht en kracht van de esthetiek.'
Reve: 'Welnee, de achterliggende ideeën zijn veel belangrijker. Esthetiek op zichzelf heeft geen betekenis. Mooischrijvers zijn onleesbaar. Een oerlelijke actrice kan een schitterende rol spelen.'
Schafthuizen: 'Neem nu de film De Vierde Man. Dat was echt vakwerk, laat me nu even uitpraten. Het is zo'n goede film, omdat Thom Hoffman in die periode op zijn hoogtepunt was. Je ziet in die rol gewoon een ontzettend goede filmster.' Reve: 'De kwaliteit begint met een goed script. Ze hadden iedereen voor die rol kunnen nemen.'
Schafthuizen: 'Dat ben ik niet met je eens. Hoffman is gewoon een mooie jongen.'
Reve: 'Daar gaat het niet om. Hij is een groot kunstenaar in de zin dat hij de moeite neemt om zich in die rol te verdiepen. Die rol bouwt hij op, hij is intelligent, hij komt niet alleen op de set om even een paar scènes te spelen. Het allerlaatste dat een film maakt, zijn acteurs, dat zijn poppen, dat zijn...'
Schafthuizen: 'Wat een gelul.'
Reve: 'Als je een oude Shakespeare-opvoering ziet, dan is er een bord en daar staat op: open plek in het woud. En daar speelt dan de volgende scène.'
Schafthuizen: 'Dan praat je over iets van driehonderd jaar geleden. Er is intussen wel het een en ander veranderd.'
Reve: 'Er is niets veranderd. Het enige is dat de boel onleesbaar is geworden. Op het toneel moet tegenwoordig alles zo realistisch mogelijk. Een stuk waarin écht een kip wordt geslacht, daar staan de mensen voor in de rij.
Een musicus kan er ook niets van maken als hij een lelijke compositie moet spelen. De verwarring in de kunstwereld is zo groot dat je er maar beter uit de buurt kunt blijven. Toneelspelers kunnen grootse prestaties leveren, maar als je met ze praat, komt er geen verstandig woord uit. Heb je wel eens een avond onder dansers gezeten? Ik wel. Er was er een bij, een hetero, en die zei: "Ik heb nu toch zo'n héérlijk maillootje, niet te warm, hoor, en ik laat me helemaal leiden door de muziek, die moet je volgen." Zo gaan die gesprekken, hoor. En zo gaat dat bij de televisie, zo gaat dat overal.'
Schafthuizen staat op en verdwijnt naar de keuken: 'Ik ga lekker aardappeltjes schillen.'
'Joop is een schat, maar hij begrijpt nergens iets van,' zegt Reve. 'Hij komt uit een ongevormd milieu, daar denkt men alleen onmiddellijk. Ik kan me vergissen, maar ik geloof dat Joop geen gevoel heeft voor het magische en mysterieuze. Als ik in een kathedraal zit bij een mooie mis en het orgel zet in, dan gaat de hemel voor me open. Dan merk ik ontroering, dan word ik meegenomen. Ik bedoel niet dat ik overtuigd ben. Op een partij stemmen, dat is overtuiging. Dat heeft misschien met je inkomen te maken. Maar dit is iets anders; dit heeft met alles te maken. Dat je iets hoort en denkt: waren alle mensen die ik ken hier maar bij. Maar als er mensen bij zijn, denk je weer: ik wou in godsnaam dat ik alleen was. Want mensen praten erdoorheen, die zetten muziek aan als een noodzaak. Kinderen die opgroeien met een televisie die dag en nacht aanstaat, zien later geen verband meer. Ze zien beelden, zonder dat het hun binnenste bereikt. De vraag is of jonge mensen over twintig jaar nog een film met een plot kunnen begrijpen. Een groot werk, waarin alles betekenis heeft, is niet te volgen als je drie seconden later alweer bent vergeten wat je hebt gezien.'
Buiten valt de avondschemering over Machelen. Onder het licht van een staande schemerlamp leest Gerard Reve voor uit zijn nieuwe boek.
Matroos Vosch heeft een lofschotel bereid. We eten aan de keukentafel. 'O ja,' zegt Reve, 'we hadden het net over die Vara-uitzening van vorig jaar, toen ik kwaad ben weggelopen. De Vara heeft me vijfduizend gulden voor mijn medewerking betaald. Eerst wilde ik dat bedrag terugstorten, maar ik heb me bedacht: ze zouden het geld misschien aan de PLO kunnen overmaken. We hebben die vijfduizend gulden van de Vara toen zélf gestort op de rekening van de Collectieve Israel Aktie. Joop, weet jij waar we die overschrijving hebben? Misschien is het leuk om die als illustratie bij het artikel af te drukken.'
'Ben je besodemieterd!' roept Schafthuizen uit. 'Je gaat toch niet je hele privéleven op straat gooien? Daar hebben andere mensen geen moer mee te maken. Bovendien is het tegen de regels.'
Hij staat op en komt terug met een papier dat met de kroontjespen werd beschreven in het handschrift van de meester. 'Dat hebben we vorige maand samen opgesteld. Gerard had net een paar dagen op bed gelegen met een depressie, een van de zwaarste die ik ooit met hem heb meegemaakt. Ik had in de dagen ervoor nogal stevig gezopen. Nou ja, we kregen ruzie en toen besloten we wat dingetjes op schrift te stellen om herhaling van misverstanden te voorkomen.'
Ik mag de 'Levenswijze op papier' gerust in de krant zetten.
Reve reikt nóg een A-viertje aan, een handgeschreven verklaring, opgesteld 'vijf dagen vóór Maria-Lichtmis, 1996'. 'Gerard Reve is lid van de Evangelische Omroep sinds ongeveer acht jaren, om de volgende redenen,' staat er boven. '1. De EO ontmaskerde al zeer vroeg de zogenaamde Wereldraad van Kerken als een gewillig werktuig van de Sovjet-Unie en de Sovjet-Gestapo (KGB).
2. Eveneens ontmaskerde de EO het zogeheten African National Congress al vele jaren geleden als een communistische terreurbeweging. Daarbij vertoonde zij een propagandafilm van het ANC zelf, compleet tot en met het levend verbranden van tegenstanders.
3. De EO zamelde, terwijl zij zelf een actie voerde om een half miljoen leden te krijgen, tegelijkertijd Eén Miljoen Gulden in voor Israel. In slechts één Nederlandse krant werd dat vermeld, in één regel, behelzende dat de president van Israel na zijn statiebezoek aan Nederland, vlak voor zijn vertrek, nog naar Urk ging om daar een cheque van één miljoen gulden in ontvangst te nemen. Niet vermeld werd waar dat bedrag van een miljoen vandaan kwam.
Dat de Evangelische Omroep geen homo's in dienst neemt, gelijkt mij een sprookje. Waarschijnlijk is het verhaal verzonnen.
Ik vind het een verdienste van de EO dat het geen porno uitzendt noch godslastering. Pornografie en godslastering zijn eigenlijk hetzelfde, zoals ik in Zelf schrijver worden (uitgeverij Sdu, 1995) heb betoogd.
Van de officieel christelijke omroepen VPRO, NCRV en KRO heeft alleen nog de NCRV een steeds vager wordende christelijke signatuur.
(De ramen dicht en de lucht komt van de voeten.) Einde bericht.'
'Ja, Gerard meent echt elk woord dat daar staat,' verzekert Schafthuizen. 'We krijgen elke week dat blaadje van de EO hier in de bus. Ik vind het vreselijk. Een stelletje kattenmeppers zijn het. Ik word niet goed van die programma's, de onverdraagzaamheid walmt het scherm af. Nou ja, een enkele natuurfilm uitgezonderd.'
Reve staart onbewogen voor zich uit, stuurs bijna. Dan zet hij een bril op, die hij de rest van de avond niet meer zal afzetten. Opeens ziet hij er vele jaren ouder uit. Hij leest twee hoofdstukken uit het nieuwe boek voor, bijna één uur achter elkaar. Het glas rode wijn dat hij zich bij het begin van de maaltijd liet inschenken, blijft onaangeroerd.
'Drank doet me niets meer,' zegt hij, na mijn opmerking dat hij niet eerder over zijn verblijf in de ontwenningskliniek schreef. 'Ik heb er niet eerder over geschreven omdat het allemaal te erg was, eigenlijk. Er was daar een erg aardige hoofdzuster, een ongetrouwde vrouw van eenenvijftig of zo, met een vermoeid, verweerd gezicht want het was slavernij vroeger en die vrouw kwam op de rand van mijn bed zitten. Ze was protestants en ze verkeerde in een geloofscrisis. Ik had geen enkele hoop of niets meer; alles was angst en bedreiging voor me. Toen zei ik tegen die vrouw: "God is een lijdende God, u en alle mensen willen veel te veel van God, maar hoe Hij ervoor staat, interesseert niemand." Het kan zijn dat God drinkt, het kan ook zijn dat Hij helemaal niet drinkt. Welk recht hebben wij om dat te weten? En dan schrijf ik: als God drinkt, is dat niet zonder reden. Daar eindigt dat hoofdstuk mee. Nederland schudt van het lachen; de mensen denken dat dit heel humoristisch is. Ze kunnen de ernst niet begrijpen die eraan ten grondslag ligt.'
Zijn gedicht over zijn bekering tot het katholicisme, die gepaard ging met een metamorfose van grijsaard in blonde jongeman, krijgt op voorleesavonden geheid elke zaal plat. 'Want dat willen de mensen horen, begrijp je. Ik verwoord datgene waar ze in hun hart op hoopten voordat ze van het katholieke geloof afvielen. Het verschil is dat zij van de ene in de andere kerk zijn gestapt. Ik ben van de andere kerk in de ene kerk gestapt. Mensen zouden zo graag het geloof willen omhelzen waarin ze teleurgesteld zijn. Het katholicisme was een bange godsdienst en dreef daardoor de mensen uiteen. De letterlijkheid van de leer leidde tot allerlei verkeerde interpretaties, met allerlei geboden die niet in de Schrift zijn terug te vinden. Ik heb in Weert nog in een ziekenhuis gelegen, waar de pastoor op ouderwetse wijze de laatste sacramenten kwam brengen. Hij ging gekleed in een doodskleed en had een grote staf bij zich. Er liep een jongen achter hem met een brandende lantaren en een bel die rinkelde. Als hij door de gang liep, knielde iedereen neer: patiënten, dokters, alles. En zo hoort het ook. Jaren later werd ik opgenomen in een openbaar ziekenhuis in Schiedam, waar niets van katholicisme is te merken. Ik ging een zware, levensgevaarlijke operatie tegemoet. Voor het vertoon, maar ook voor een goede gang van zaken overwoog ik het Sacrament der Zieken aan te vragen, dat is hetzelfde als wat vroeger het Sacrament der Stervenden heette. Ik heb ervan afgezien. Ik was bang dat ze zo'n moderne man op me zouden afsturen, met een spijkerjack met pindakaas erop en die sigaretten rookt en je en jij tegen me zegt en je en jij zegt tegen God en allerlei prevelementen heeft van eigen vinding. Pas later hoorde ik dat er in dat ziekenhuis wel degelijk een oude pastoor was die een opklaptafeltje bij zich had en een crucifix, kaarsen en een Mariabeeld. Ja, als ik dat geweten had! Doordat ik afzag van de sacramenten heb ik een ontsteking opgelopen, zodat ik opnieuw geopereerd moest worden. Tenminste, ik voel dat zo.'
Het is inmiddels halftwee 's nachts. Matroos Vosch ging anderhalf uur geleden naar bed. Ook Reve drinkt nu wijn. Hij ontkurkt een tweede fles en schenkt de glazen vol tot aan de rand.
'Ik kan 's nachts niet werken, ik zou het graag willen,' zegt hij. 'Ik heb Hermans eens geschreven of hij me wilde uitleggen hoe hij dat precies deed, 's nachts werken. Hoe blijf je wakker? Ik heb nooit antwoord op die brief gekregen. Ik denk dat je eraan kunt wennen, maar ik ben de laatste tijd niets meer waard. Om halftien ben ik doodmoe. M'n beste tijd heb ik 's morgens vroeg, maar we staan eigenlijk te laat op. De halve dag gaat voorbij met boodschappen doen en schelden en ruzie maken. Dan moet ik iets kopen en dan ga ik het halen. En dan kom ik thuis en dan zegt Joop dat ik iets vergeten ben. Dat heb ik gezegd, dat heb je niet gezegd - dat soort gezeik, begrijp je. Over dit boek heb ik twee jaar gedaan. Brieven schrijven is eigenlijk mijn grote fort, maar dat heb ik een tijdje niet gedaan. Ik kan met eenvoudige mensen omgaan; een boer of een visser die een bepaalde wijsheid bezit. Kennis is niet nodig. Maar ik vind het erg moeilijk om te praten met mensen die niet de eerste beginselen van enige wijsheid bezitten. Dingen onthouden en interessant vinden, daar gaat het om. Iemand lezen met de begeerte om tot de kern van zijn werk door te dringen. Ik heb liever mensen om me heen die beter schrijven dan ik, dan allemaal mensen die minder zijn, want dan is er niemand meer die een norm stelt. Het andere is allemaal rommel. Ik schrijf wat en de mensen vinden het prachtig. Dan schrijf ik nóg iets dat helemaal niet zo goed is en dat vinden ze óók prachtig. Omdat het net zo goed of minder slecht is dan dat van anderen.' Zíjn werk hield inmiddels bijna vijftig jaar stand, stelt hij vergenoegd vast. 'Ik kom dus toch wel goed uit de bus in vergelijking met veel anderen. Niemand leest Vinkenoog, niemand leest Campert, niemand leest Hugo Claus. Er zijn nu eenmaal mensen die niets hebben mede te delen. Maar niemand heeft het genie onderkend van Louis-Paul Boon, die acht jaar moest lobbyen om De Kapellekensbaan uitgegeven te krijgen. Het werd destijds door Manteau geweigerd en verscheen pas in 1952 in een heel lelijk omslag. Er komt nu een volledige uitgave. Boon was op zijn manier socialist, maar stond boven de maatschappelijke verhoudingen. Hij kende geen rancune, dat is heel belangrijk. Ik heb hem een paar keer ontmoet, maar ik heb hem niet goed gekend, helaas. Ik was te bescheiden, ik wilde de man niet lastig vallen. Ik heb eens met hem achter een tafel gezeten op een boekenmarkt in De Bijenkorf. Een kleine kromgewerkte man. Ontzettend geil, maar niet onkuis. Er kwam een meisje in zo'n wit rokje van De Bijenkorf wat eten brengen. Boon maakte haar de complimenten en zei met van die gloeiende ogen heel eerlijk wat hij van haar vond en van haar begeerlijkheid. En dat meisje bloosde en was verlegen, maar ze was niet gekwetst of beledigd. Hij zei alles wat hij van haar wilde als het zou kunnen, en er was geen onkuis woord. Dat was iets heel zuivers in die man. Boon zag seksualiteit als een noodlot, niet als iets smerigs. En daar had hij gelijk in. Eros leidt tot Thanatos. Dat is eigenlijk een tragisch gegeven: de ontoereikendheid van de menselijke liefde.'
De nacht was kort. Na krap vier uur slaap schudt Reve 's morgens om kwart over acht de gast in het logeerbed wakker. 'Ik ga koffie maken,' kondigt hij opgewekt aan. 'Houd je van Douwe Egberts' Goudmerk?'
Met een hand voor de borst en een uitgestreken gezicht marcheert hij door de kamer. Hij informeert naar mijn leeftijd en schatert: 'Dan leef ik langer dan jij, want jonge mensen gaan het eerst.'
En hij vraagt: 'Heb je nog steeds suikerziekte? Nooit gehad? Heb je schuim op je pis? Dat hoort wel bij suikerziekte, hoor!' Even later hoor ik hem zingend de trap aflopen.
Bij het ontbijt vertelt hij wat hij laatst droomde. 'Ik droomde dat ik aan de hemelpoort kwam en dat was een verlaten, vervallen fabriek. Het was donker, vies weer; het regende. God zat kwaad en nukkig te kijken en het viel me op dat hij maar één arm had. Ik zei: ik ben die en die. Hij ging dat opzoeken in het grote boek en ik stond er niet in. Er stond: Reveboer, Revens, want die namen bestaan ook. Toen legde God het voor aan Maria en toen kwam het toch nog goed. Dat droomde ik. Maria is de smekende almacht; God kan haar niets weigeren, dus als zij zich ontfermt over een zondaar, dan zit het goed. Als je aan de hemelpoort komt en je wordt niet binnengelaten, zeg dan: ik wens uw moeder te spreken. En dan komt ze tenslotte, doodmoe, want ze heeft verschrikkelijk veel te doen. En dan zeg je tegen Maria: ik heb weinig te zeggen, ik ben een zondig mens, maar ik ken Gerard Reve persoonlijk. En dan zegt zij: klootzak, had dat nou meteen gezegd. Loop maar gewoon door.'