logo
Zoek naar

Deze week in VN
Politiek
Binnenland
Buitenland
Duurzaamheid
Wetenschap
Maatschappij
Integratie
Rechtstaat
Economie
Crime
Kunst & cultuur
Literatuur
Film & media
Kunst & design
Muziek
Theater
De vijf sterren thrillers uit de D&T Gids vind je op www.leesditboek.nl
Aanmelden nieuwsbrief

Adverteren in VN

 


Thomas Vaessens' literaire populisme

Minachting voor het mooiste

16-05-2009
Door Carel Peeters

Een populist laat zich niets vertellen. Een populist weet hoe alles zit, daar heeft hij anderen niet voor nodig, die willen toch alleen maar macht uitoefenen en voorschrijven wat hij moet vinden en denken. In zijn boek De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement ontpopt Thomas Vaessens zich als een literair populist: boeken mogen niet meer geschreven worden vanuit het idee dat ze het niveau van literatuur moeten halen, schrijvers moeten zich naar de wensen van het publiek richten en geëngageerd zijn. Elk boek moet door iedereen gelezen kunnen worden, het moet realistisch zijn, het moet mainstream zijn, en beslist niet, zoals Vaessens schrijft, voor ‘een handjevol connaisseurs’.

De revanche van de roman is geschreven met in het achterhoofd radicale nivellering. Alles moet voor iedereen zijn. Literatuur mag geen literatuur zijn, want literatuur is voor dat handjevol ‘verliteratuurde liefhebbers’. Literatuur moet al het literaire (stijl, vorm, genre, originaliteit, verbeelding) afzweren en voortaan over zaken gaan ‘die direct raken aan het dagelijks bestaan, zaken die iedereen aangaan,’ zoals Vaessens het in de woorden van de inmiddels in de mist verdwenen schrijver Robert Vernooy zegt.

Elitair clubje
Thomas Vaessens brengt alles in de literatuur in verband met macht, vandaar het woord ‘autoriteit’ in de ondertitel van het boek. Hij heeft last van een autoriteitscomplex. Er zou nog niet zo lang geleden een tijd geweest zijn dat critici, recensenten, jury’s en professoren (door hem ‘insiders’ genoemd) wel even zeiden wat mensen moesten vinden van boeken en schrijvers. ‘Niemand die voor vol aangezien wilde worden trok de goede smaak van kenners in twijfel.’ Over wie en over welke tijd heeft Vaessens het dan? Wanneer is dat ooit het geval geweest? Nooit, is het antwoord: kritieken in de krant en oordelen van jury’s zijn altijd lustig bekritiseerd, aangevallen en in twijfel getrokken. Er is altijd en eeuwig discussie over geweest.

Literaire kwaliteit beschouwt Vaessens als een uitdrukking van macht. En talent is ook een uitdrukking van macht. Een oordeel uitspreken over een roman is het uitoefenen van macht. Een voorkeur laten blijken voor een bepaalde schrijver is je van ‘het machtswoord’ bedienen. Een boek schrijven over de literaire kwaliteiten van een schrijver is het autoritair opleggen van literaire normen die dan tot ‘wetten’ zouden worden. Literatuur met zijn ‘eigen hiërarchie en wetten’ vervreemdt de lezer van boeken omdat ze elitair, deftig, aristocratisch, moeilijk en discriminerend zouden zijn.

Er moet volgens Vaessens gebroken worden met ‘de vanzelfsprekende autoriteit van de hoge cultuur’ en ‘met het in zichzelf gekeerde en eurocentrische cultuurideaal’. Mensen die van literatuur houden, leven nog in feodale tijden, ze bedienen zich van ‘poortwachtersretoriek’ om de mensen buiten de deur te houden die niet speciaal iets met literatuur hebben.

Volgens Thomas Vaessens moeten boeken voor iedereen zijn en is literatuur niet voor iedereen. Omdat in zijn betoog geen namen voorkomen die wat hij beweert zouden kunnen ontkrachten, blijft alles in hoge mate abstract, maar des te suggestiever en tendentieuzer. Bij Vaessens zul je de namen van Simon Vestdijk, F.B. Hotz, F. Bordewijk, Willem Frederik Hermans, S. Vasalis, Judith Herzberg, Marcel Möring, Connie Palmen, A.F.Th. van der Heijden niet of nauwelijks genoemd vinden. Dit zijn schrijvers die het niet alleen over ‘zaken hebben die raken aan het dagelijks bestaan, zaken die iedereen aangaan’, maar nog over veel meer. En dat veel meer maakt wat ze schrijven precies tot literatuur.

Lezers die dit soort schrijvers waarderen, behoren volgens Vaessens tot een ‘subcultuur’, een elitair clubje dat in de marge van de samenleving thuishoort: ‘De literaire cultuur is een subcultuur geworden,’ schrijft hij. Het is een ‘reservaat’, ‘een wereld met zijn eigen wetten en waarden’. Niemand anders dan ‘connaisseurs’ worden toegelaten.

Overmacht van de middelmaat
Thomas Vaessens kan de literatuur zo losjes in dit vreemde en onherkenbare daglicht stellen omdat hij zich gedekt voelt door de publieke opinie. Die krijgt steeds meer populistische trekjes. Er is niets tegen populaire cultuur als ze goed is, maar nu wordt de publieke opinie beheerst door de mores van middelmatige populaire cultuur. Dat is de ongeschreven nieuwe norm geworden. Cultuur van niveau (met wellustige minachting ‘hoge kunst’ genoemd) is niet meer in tel. In wetenschapstermen zou je kunnen zeggen dat zich hier een paradigmawisseling heeft voorgedaan: een cultuur gebaseerd op het waarderen van diversiteit en kwaliteit (goed, beter, het beste), is veranderd in een cultuur gebaseerd op de smaak en de stem van het volk. Dat is een cultuur die in het beste geval uitgaat van het voor iedereen te vatten gemiddelde. Alles moet voor de meerderheid zijn en daar hebben de cultuur en de literatuur zich maar naar te richten, door Vaessens ‘de wending naar het publiek’ genoemd.

Vaessens beweert dat er een ‘ontwaarding van de literatuur’ heeft plaatsgevonden omdat de literatuur zich van de lezers vervreemd zou hebben door zich terug te trekken in haar eigen ‘wetten’. Is de literatuur inderdaad ‘ontwaard’? Er wordt nog steeds literatuur geschreven en ze wordt ook nog steeds als zodanig herkend. Maar wanneer literatuur nu minder dan voorheen op waarde wordt geschat, dan heeft dat maar één oorzaak: het imperialisme, en de opdringerige overmacht van de middelmatige populaire cultuur. Die wordt beheerst door het idee dat alles entertainment moet zijn. De grote ellebogen van het populisme drukken alles van betekenis weg.

Het behalen van hoge kijkcijfers en het binnenhalen van zo veel mogelijk advertentiegelden vagen alle andere overwegingen en verlangens weg. De literatuur blijft intussen gewoon literatuur. Het zou haar echte dood zijn wanneer ze zich iets zou aantrekken van die nieuwe normen.
De overmacht van de populaire en meestal middelmatige cultuur wil zeggen dat de emancipatie heeft gezegevierd op een terrein (de cultuur) waar zij niets te vieren heeft. Hoe politieke emancipatie ook is toe te juichen als de gerechtvaardigde strijd voor gelijke rechten en mogelijkheden, de culturele en literaire emancipatie (of nivellering) die Vaessens voorstaat, is een heilloze weg: dat zou betekenen dat alles één pot nat wordt. Er zouden geen levendige en eeuwige discussies meer te voeren zijn over het goede, het betere en het beste. Het leidt niet tot het beste, interessantste, vruchtbaarste, boeiendste, diepzinnigste, maar tot kleurloze, laffe eenheidsworst. Politieke emancipatie en nivellering toepassen op de cultuur maakt dat cultuur niet meer tot bloei kan komen. Daarvoor is ruimte nodig voor allerlei soorten goede cultuur. En er moet ook ruimte zijn voor cultuur die niet voor iedereen is omdat ze te nieuw, afwijkend, origineel, avant-gardistisch is.

Platste clichés
Vaessens heeft minachting voor iets wat helemaal niet bestaat, maar waarvan hij doet alsof het bestaat: het ‘in zichzelf gekeerde en eurocentrische cultuurideaal’. Bestaat dat in de literatuur? Wie bedient zich van dat eurocentrisme? Uitgevers stropen de hele wereld af om boeken uit te geven, als ze maar op een of andere manier interessant zijn, literair, financieel, cultureel. Het Literair Productiefonds bestrijkt inmiddels de hele wereld, tot en met China en de Arabische landen. Waar denkt Vaessens aan als hij het heeft over een ‘in zichzelf gekeerd en eurocentrische cultuurideaal’?
En wie zou zich van dat andere bedenksel van Vaessens bedienen, de ‘poortwachters­retoriek’? Is dat waar een criticus zich van bedient wanneer hij een boek beoordeelt en zegt wat hij ervan vindt, bijvoorbeeld dat het slecht geschreven is en slordig in elkaar zit? Zoals Gerrit Komrij wanneer hij over Kluun schrijft dat het ‘een huiveringwekkende sensatie is om als lezer, zonder het genadige vlies van de stijl, zonder de verzoenende tussenkomst van een originele gedachte, zo met je neus boven op de uitwasemingen van een hufter te staan’? Volgens Komrij is ‘dit geen literatuur, dit is geen roman, dit is geen romannetje, dit is geen kloteproza, dit is geen pak papier, dit is flessentrekkerij’. En iedereen weet dat deze flessentrekkerij bij tienduizenden wordt verkocht, daar helpt geen enkele poortwachtersretoriek tegen.

Of wanneer Connie Palmen zegt dat er wat al te veel schrijvers en schrijfsters komen die zich van de platste clichés bedienen en daardoor niet de verdenking op zich laden dat ze literatuur schrijven? Dat is geen poortwachtersretoriek, dat is laten zien dat je onderscheid kunt maken tussen wat goede, minder goede en slechte boeken zijn. Tussen wat literatuur is en wat niet (hoe zwevend dat onderscheid ook kan zijn). Door de druk van de nieuwe populistische normen wordt literatuur in de verste verte nog geen subcultuur, literatuur wordt eerder een geuzennaam, bedoeld voor mensen met onderscheidingsvermogen.

Vaessens schrijft dat de ‘literaire poortwachter voorheen een stadhouder was van het Ware, Goede en Schone’. Over welke literaire poortwachters zou Vaessens het hebben? Hij noemt zoals gezegd wijselijk geen namen, want dan zou zijn bewering onmiddellijk ontmaskerd worden als een slag in de lucht. Ga maar na: welke serieuze criticus heeft zich de laatste vijftig jaar de stadhouder van het ware, goede en schone genoemd, of heeft zich als zodanig opgeworpen? Menno ter Braak? D.A.M. Binnendijk? S. Vestdijk? Kees Fens? H.A. Gomperts? Jaap Oversteegen? Jaap Goede­gebuure? Tom van Deel? Het enige wat deze critici hebben gedaan, is tamelijk onbevangen boeken beoordelen op hun literaire en inhoudelijke gehalte. En wanneer het niet onbevangen was, dan hadden ze wel een geduchte polemische reden om bepaalde schrijvers te bekritiseren, dan wel het voor ze op te nemen. Literatuur is immers een levend bedrijf.

Deze critici ‘poortwachters’ noemen, onthult iets wat in het boek op talloze plaatsen opduikt: Vaessens ressentiment ten opzichte van mensen die iets beoordelen en daarmee, ‘machtswoorden’ zouden uitspreken.

Ressentiment
Dit idee, dat recensenten en critici totalitaire, elitaire, autoritaire of feodale machtswellustelingen zijn, doortrekt het hele boek. De achtergrond van dit ressentiment is de ideologie die de Culturele Studies is gaan beheersen, een richting waar Vaessens zich aan het einde van zijn boek uitdrukkelijk een aanhanger van toont en waarvan hij het betreurt dat het gedachtengoed niet eerder bezit heeft genomen van wetenschappers die zich met de letteren inlaten. Kern van de ideologie van de Culturele Studies is dat alles cultuur is en dat alle cultuur even veel waard is, of het nu om een smartlap of een roman van Harry Mulisch gaat.

Maar bij deze nog te verdedigen cultureel-antropologische kijk op de cultuur blijft het niet: er mag geen onderscheid gemaakt worden in beter of slechter, waardevoller, duurzamer, krachtiger, origineler, grondiger, overtuigender – dat zijn allemaal criteria die, in de taal van de Culturele Studies, iets of iemand ‘uitsluiten’, en ‘uitsluiten’ is een woord dat in het vocabulaire van de Culturele Studies als een rode lap op een stier werkt. Het heeft dezelfde klank als ‘discriminatie’. Natuurlijk moet cultuur in principe voor iedereen zijn, maar de cultuur moet niet op basis van de normen van iedereen gemaakt of beoordeeld worden. Culturele Studies heeft als onderliggende doelstelling: radicale emancipatie. Iedereen is gelijk, alles is gelijk, alles moet op dezelfde manier bekeken worden, alles moet ook van iedereen en de meerderheid kunnen zijn. Een roman als Terug naar Ina Damman van Vestdijk is niet beter, mooier, sterker dan iets wat geschreven is door Renate Dorrestein of Saskia Noort.

Nuffig schrijversvolkje
Waar neemt de roman eigenlijk ‘revanche’ op als we de titel van het boek serieus nemen? Joost Zwagerman, Arnon Grunberg, Marjolijn Februari en Charlotte Mutsaers zouden zich ineens zijn gaan bezighouden met ‘de werkelijkheid van alledag’ in hun werk en een ‘wending naar het publiek’ hebben gemaakt in hun romans Chaos en rumoer, De asielzoeker, De literaire kring en Koetsier Herfst. Ze zouden daarmee ‘revanche’ hebben genomen op al die schrijvers die zich tot dan toe hadden verschanst ‘in de wereld van de fictie’ en voor wie ‘de werkelijkheid van alledag’ niet bestond. Die schrijvers behoren nu tot ‘het oude verhaal van autonomie en belangeloosheid’.

Zwagerman, Grunberg, Februari en Mutsaers zouden geëngageerde schrijvers zijn geworden die zich nu wijden aan ‘zaken die direct raken aan het dagelijks bestaan, zaken die iedereen aangaan’.

Het valt natuurlijk niet te ontkennen dat in die boeken van Zwagerman, Mutsaers, Grunberg en Februari een grotere betrokkenheid met wereldproblemen valt te signaleren dan in de literatuur van voor 11 september 2001. Dat was ook onvermijdelijk: over de hele wereld ontstond een grotere betrokkenheid op wat er in de brute werkelijkheid gebeurde. Maar dat ging niet gepaard met het afgeven op schrijvers die vóór 11 september 2001 andere legitieme preoccupaties hadden, thema’s en obsessies die bijvoorbeeld dichter bij huis lagen. En het is een vervalsing van de geschiedenis om te doen alsof er voor die tijd door alle schrijvers zonder betrokkenheid, in een wolk van autonomie en fictie, werd geschreven. Vaessens brengt die vervalsing aan omdat hij wil dat er een cesuur ontstaat tussen schrijvers die zogenaamd over hun navel schreven en schrijvers die zich vernieuwd zijn gaan engageren met het grote wereldleed. Precies zo plat als het hier staat.

Die zich nu engagerende schrijvers zijn de zogenaamd benauwde Republiek der Letteren ontvlucht.

Vaessens maakt het literaire gehalte van een roman ondergeschikt aan het engagement: als de schrijver maar overloopt van de goede bedoelingen is het goed. Vaessens wil dat Zwagerman, Grunberg en Mutsaers een tijdperk van nieuw engagement inluiden, als een nieuw hoofdstuk in de literatuurgeschiedenis. Maar dat nieuwe hoofdstuk zou voor een groot deel een vervalsing van de geschiedenis zijn. Het zou betekenen dat Marja Brouwers met Casino er niet in voor zou komen, en Margriet de Moor niet met Hertog van Egypte, of Harry Mulisch niet met De aanslag of De ontdekking van de hemel, en Hugo Claus niet met Het verdriet van België. Het hele werk van de van top tot teen ‘betrokken’ Tom Lanoye niet, en, horribile dictu, A.F.Th. van der Heijden niet met zijn briljante en in alle denkbare opzichten geëngageerde romancyclus De tandeloze tijd.

Al deze schrijvers worden door Vaessens verduisterd, weggelaten, niet of in een verkeerd verband genoemd, alsof hun werk niet bestaat. Ook al noemt hij hun boeken niet, Vaessens doet wel alsof ze behoren tot een nuffig schrijversvolkje dat in zijn eigen ziel opgaat en met het hoofd in een wolk van ‘fictie’ zit. En dat gebeurt in een dieventaaltje waarin om de paar zinnen sprake is van postpostmodernisme, laatpostmodernisme of relativistisch postmodernisme. Harry Mulisch dicht hij eerst een ‘aristocratisch literatuurideaal’ toe, om dat daarna, hoe kan het anders, ‘achterhaald’ te noemen. Hoe achterhaald ook, Vaessens kon Mulisch wel goed voor zijn karretje spannen door het eerste exemplaar van De revanche van de roman aan hem uit te reiken. Maar Mulisch kwam niet onder de indruk van deze Judaskus. Hij verklaarde nog nooit een geëngageerde roman te hebben geschreven: ‘Ik ben toch niet gek?’ En Marjolijn Februari wees er bij die gelegenheid op dat ‘literaire kwaliteit schaarser is dan goede bedoelingen’.

Volgens Vaessens krijgt een schrijver in de toekomst geen ‘gezag’ meer ‘op grond van het feit dat hij mooie zinnen kan schrijven’, maar omdat hij een geëngageerde schrijver is. En niet alleen in zijn romans, ook daarbuiten moet hij zich publiekelijk voor de wereld inzetten, hij moet ‘openstaan voor de wereld van vandaag’, buiten de benauwde Republiek der Letteren. Vaessens ontdoet de literatuur daarmee van al haar literaire charmes. Hij maakt er pamflettisme, tendenskunst en partijliteratuur van. Het wordt literatuur van de brave en niets kostende goede bedoelingen, desnoods geschreven met de behangerskwast.

Thomas Vaessens, ‘De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement’, Vantilt, 255 pagina’s, € 19,95


Reacties

En weer blijkt het verdomd makkelijk om het boek af te serveren, meer op basis van het beeld dat er van heerst dan de stelling die het probeert te presenteren. Het centrale theoretische model van Vaessens (dat er sprake is van modernisme, postmodernisme en laatpostmodernisme) wordt gewoon als 'dieventaaltje' onschadelijk gemaakt. Tja. Als je als criticus op zo'n manier omgaat met het kernidee van een boek dan ben je inderdaad wel lekker snel klaar.

Niet dat Vaessens' boek onproblematisch is, trouwens - zeer zeker niet - maar de problematiek van het boek verdient scherpere een analyse dan enkel een gebaseerd op rokende oren.

De stellingen van de openingsalinea, dat boeken "niet meer geschreven [mogen] worden vanuit het idee dat ze het niveau van literatuur moeten halen" en dat "[e]lk boek [...] door iedereen gelezen [moet] kunnen worden", kan ik me trouwens niet herinneren te hebben gelezen in het boek.

Samuel Vriezen | 14-05-2009 01:49

Altijd riskant, om een boek ongelezen te bespreken op basis van een interview dat de auteur ervan een week vóór verschijnen heeft gegeven. Carel Peeters deed het met De revanche van de roman van Thomas Vaessens – en daarmee zette hij de toon voor de ontvangst. Nog voor verschijnen had hij als een ware poortwachter besloten dat Vaessens vanuit zijn academische positie een oneerbaar voorsteel aan schrijvers had gedaan: ‘Ze moeten 'andere types romans' schrijven’. (VN 21-3-09)

Ik moet zeggen dat ik nieuwsgierig aan het boek begon – iedereen moet toch schrijven wat-ie wil, wie zou de hoogleraar zijn dat hij schrijvers een onderwerp aan de hand meent te moeten doen?

Ruim 250 bladzijden later was me duidelijk dat de schrijver helemaal niets hoeft van Vaessens. Hij signaleert behoorlijk voorzichtig een trend aan de hand van enkele Nederlandse romans die niet slechts bedoeld lijken te zijn als autonome kunstwerken maar ook iets zeggen over de actuele, veranderlijke werkelijkheid. Romans waarvan de waarde dus verandert met de tijd waarin ze gelezen worden. Er staat een oproep in het boek, maar die is niet gericht aan schrijvers maar aan letterkundigen: om die boeken niet op een ouderwets tijdloze manier te lezen.

Maar ondertussen was de kritiek losgebarsten: ‘Het moet van de professor allemaal anders’ staat er boven een stuk van Kees ’t Hart in De groene Amsterdammer. ‘Met zijn pleidooi voor een literatuur die niet-literair durft te zijn, door zowel esthetisch als cultureel buiten de betreden paden te treden, steekt Vaessens zijn nek ver uit,’ aldus Bas Heijne in NRC Handelsblad. En Rob Schouten meent dat het ‘wishful thinking’ is, ‘die ik overigens kan meevoelen.’

Al deze recensenten leken het boek te bespreken dat Peeters voor zich gezien moet hebben toen hij zijn boze aankondiging schreef, níet het boek dat Vaessens had geschreven. Wie zegt er dat papieren kritiek geen invloed meer heeft? In Vlaanderen leest men Vrij Nederland blijkbaar niet, want in De Standaard stond een recensie van Marc Cloostermans waarin wel de juiste aangesprokene werd geïdentificeerd: ‘De Nederlandse literatuur heeft nood aan meer straatrumoer. Dat rumoer is er allang, beweert Thomas Vaessens, alleen horen we het niet.’

In VN van 16 mei jl. verscheen nog een stuk over De revanche van de roman en weinig had meer voor de hand gelegen dan dat Peeters na lezing van het boek zou terugkrabbelen, maar nee: de feiten mogen blijkbaar niet in de weg staan van een goede driftbui. Het is bijna ongelooflijk hoeveel misverstanden en verdraaiingen Peeters op elkaar heeft gestapeld. ‘Schrijvers moeten zich naar de wensen van het publiek richten en geëngageerd zijn,’ noteert Peeters, en ‘Alles moet voor iedereen zijn.’ Het staat nergens en er is zelfs geen passage te vinden die je zo kunt interpreteren. Peeters neemt het kwalijk dat Vaessens niet (‘of nauwelijks’) schrijft over Vestdijk, Hotz, Bordewijk (let wel: Vaessens boek gaat over de roman vanaf de jaren 80) of over Marcel Möring en A.F.Th van der Heijden, die Peeters nota bene noemt als schrijvers die óók geëngageerd schrijven. Vaessens weet zich ‘gedekt door de publieke opinie’, schrijft Peeters nadat Vaessens wekenlang is uitgemaakt voor leugenaar en eigenwijze professor. Omdat het productiefonds vertalingen van Nederlandse literatuur in het Chinees stimuleert bestaat er volgens Peeters niet zoiets als een ‘eurocentrisch ideaal’. Et cetera.

De portee van het boek heeft te maken met het onderscheid tussen modernisme, postmodernisme en laatpostmodernisme – dat klinkt al minder pakkend dan een dictaat van een professor, maar ja, dat is een ‘dieventaaltje,’ dus dat hoeft Peeters niet te begrijpen.

Het pleidooi van Vaessens komt niet uit de lucht vallen, het is ontleend aan cultural studies, een aan Angelsaksische universiteiten allang ingeburgerde manier van beschouwen, waarvan de kern volgens Carel Peeters is ‘dat alles cultuur is en dat alle cultuur even veel waard is, of het nu om een smartlap of een roman van Harry Mulisch gaat.’ Dat is een volkomen onjuiste definitie. Als je culturel studies in een zin wilt samenvatten (en dat kan best) kun je zeggen dat het vakgebied (het is geen ideologie) uitgaat van het idee dat de betekenis van een ‘culturele uiting’ niet alleen afgeleid kan worden uit die uiting zelf, maar sterk afhankelijk is van de context waarin die terecht komt.

Inderdaad: je kunt een roman onderzoeken, een videoclip of een reclameboodschap, maar met waardeoordelen heeft dat niets te maken.

Peeters woedeaanval is daarmee een treffende illustratie van Vaessens punt. Hij springt in de bres voor ‘de schrijver’, die dat helemaal niet nodig heeft – maar doet dat met een verkapte oratio pro domo, die wel ter zake is. Want de letterkundige, de criticus wordt in dit boek aangesproken. Door een boek al een week voor verschijnen onschadelijk te willen maken, gedraagt Peeters zich bij uitstek als poortwachter, maar dat wil hij niet zijn – hij wil niet eens dat zoiets bestaat. Peeters staat voor de goede smaak en de kwaliteit. Kwaliteit zonder meer, zonder reserve en mét bewijsmateriaal. De gedachte dat iemand op toevallige en tijdgebonden argumenten gronden iets interessant kan vinden, is voor Peeters onverdraaglijk.

Die preoccupatie zij hem gegund, het kan bezielde literaire kritiek opleveren. Maar het is funest voor een eerlijke discussie over de rol van literatuur in de wereld. Want zodra iemand suggereert dat die wereld de rol van literatuur instabiel kan maken, voelt Peeters zich bedreigd (al sinds Postmodern (1987) voert hij deze strijd tegen cultuurrelativisme). Maar het zou mooi zijn als hij fatsoen had kunnen opbrengen om in discussie te gaan met een ander standpunt, niet met het fantoom ervan dat hij al weken eerder besloten had dat het moest zijn.

20-05-2009 12:39

Reageer
Nieuw bericht