'Zoete mond' - Thomas Rosenboom

Zoete mond, de nieuwe roman van Thomas Rosenboom, bevat alle bekende rosenboomsiaanse ingrediënten. Behalve één: de ontwrichtende diepgang. De schrijver blijkt een medemens.

Op voorhand dacht ik aardig te kunnen voorspellen welke ingrediënten de nieuwe roman van Thomas Rosenboom (Doetinchem, 1956) zou bevatten. Een smeuïge vertelling, breed van opzet, breedvoerig van taal. Gesitueerd in het verleden, of het nu ver of nabij is. Bont geschilderde scènes. Humor van de gemene soort. Een volledig uitspelen van dramatische ironie, waardoor de lezer zich verkneukelt over de onwetende personages die onafwendbaar in de puree raken, vaak door eigen toedoen.

Een keur aan opzettelijk toegebracht leed, aan dieren, ondergeschikten, bejaarden, kortom zwakkeren. Hoofdpersonen die altijd wel terug te brengen zijn tot eerdere literaire verwanten: de naïeve romantica Emma Bovary en de megalomane, met waanideeën over de medemens begiftigde apotheker Homais, een modern mens - beide polen stammen uit Flauberts Madame Bovary. In waanzin uitmondende, 'wetenschappelijke' experimenteerlust van zo'n kwaadaardig, absolutistisch personage. Thematisch: hoogmoed die voor de val komt, kwaad dat zegeviert, illusies die vergruizeld worden.

Mild geworden

Dat kwam allemaal uit, in Zoete mond. Maar tegelijkertijd slaat Rosenboom een andere weg in dan bij de vorige boeken. Dat zit 'm vooral in de positie van de schrijver.

Het beeld dat ik van Rosenboom had, was dat van de schrijver die boven zijn kleine terrarium hangt waarin zich telkens weer een andere protagonist bevindt. Uit een pipetje plengt hij een druppel gif naast of op hem, daarna maakt hij aantekeningen. Hij gaat door tot de laatste ademteug van die hoofdpersoon - op naar het volgende boek, de volgende amorele parabel. Waar het hem in zijn oeuvre om te doen is: botanisch onderzoek; de zeldzame plant die hij bestudeert, is de mens. Die demaskeert hij: als menselijker dan ooit, juist in zijn 'onmenselijkheid'.

Maar tegelijkertijd wees Rosenbooms laatste substantiële werk, de roman De nieuwe man (2003) erop dat hij, via de aanstekelijke vertelling, voortaan uit is op het minder concreet grijpbare: noties als de komst van een nieuwe tijd, de nieuwe mens. In Zoete mond gaat hij daarin verder. Dat deze roman meer wil zijn dan een vertelling (als Publieke werken) blijkt al uit de opzet. Het verhaal opent met een proloog, over een witte dolfijn, die voor een walvis wordt aangezien en daarom 'Moby Dick' gedoopt. Opgejaagd, gevangen, ontsnapt. Slotregels: 'Ja, hij had zijn vrijheid terug. Maar hij was alleen.'

Dr. Vlimmen
Betekenisvol. Maar binnen Rosenbooms oeuvre niet opzienbarend, want voorafgegaan door de programmatische proloog in Gewassen vlees. Daarin zet de manke jongen Petrus zijn geliefde rode kater met onklaar gemaakte nagels op het ijs, waar een gierende wind huishoudt die de kat meevoert. Het menselijk tekort in een notendop: de kater als symbool voor de machteloosheid van de mens; het 'offer' als initiatierite van Petrus, van kind tot volwassene.

Ook de vrije eenzaat 'Moby Dick' slaagt er niet in boven zichzelf uit te stijgen. De totale vrijheid is een dubieus geschenk, zoals uit latere episodes in Zoete mond blijkt. Het zoogdier zwemt de vervuilde Rijn op, krijgt gebrek aan voedsel, ontsnapt aan Duitse dierentuinemployés die hem willen ontvangen, zwemt terug, door Nederlands wateren, maar schrikt terug voor de laatste etappe: door een kanaal naar de zee. Dus zwemt hij terug, naar het Ruhrgebied, waar Duitse gevangenschap wacht.

Latere episodes, schreef ik al. Het verhaal van 'Moby Dick' wordt na de proloog voortgezet en raakt gaandeweg verweven met dat van de twee andere hoofdpersonen: de dierenarts Rebert van Buyten en de bejaarde grappenmaker Jan de Loper. Beide rivalen - om de aandacht, c.q. liefde van een vrouw - verstaan, anders dan de dolfijn, de kunst van het spreken met zoete mond, maar dat brengt ze even weinig. Plaats van handeling is vooral Arnhem en het fictieve dorpje Angelen, nabij de Duitse grens. Het jaar waarin de gebeurtenissen zich voltrekken is 1965, het breukpunt van de oude en de nieuwe tijd, die ook wel als jaren zestig wordt aangeduid. Recent verleden dus, zoals in Rosenbooms eerdere roman Vriend van verdienste (1985), waarin evenzeer de laatste resten van de standenmaatschappij danig opspelen.

Achterin Zoete mond is een Verantwoording opgenomen, waarin vermeld wordt welke bronnen Rosenboom te stade kwam. Voor de dierenartsenij onder meer de Doctor Vlimmen-streekromans van Anton Roothaert. De geschiedenis van de witte walvis blijkt waargebeurd. En de romanfiguur Jan de Loper is geïnspireerd op de biografie van Kees de Tippelaar, een heer op stand uit Breukelen die zijn leven besteedde aan wandelen, practical jokes en naastenliefde.

Provincieplaatsje
Interessanter is Rosenbooms geestkracht tegenover de feiten. Zoete mond biedt kostelijke jool over eenzelvigen en zonderlingen, met zoals immer bij Rosenboom een hoog Showroom-gehalte, het NCRV-programma waarin de excentrieke medemens praterig in zijn umwelt getoond werd. Alleen is het dan wel een 'showroom' van vijfhonderdvijftig pagina's en in die armslag manifesteert zich het vintage Rosenboom.

Meer dan in enig andere Rosenboom-roman is herhaling als literaire strategie benut. Het best is dat te zien bij het personage Jan de Loper, een manische figuur die ten gevolge van afkomst en erfenis zijn leven lang niet hoefde te werken en die in zijn jeugd voetreizen door ons Indië maakte, met zijn bediende Boy. Later liep hij ook nog op zijn sloffen naar Parijs en mede door de belangstelling van De Gelderlander was hij wereldberoemd in eigen streek. Dat vuurtje wakkerde hij aan door wat je nu 'mediastunts' zou noemen te verzinnen: in zijn pyjama op zijn ezeltje een postzak correspondentie - die nacht geproduceerd - naar het postkantoor brengen. Ook sprong hij iedere dag, als er publiek bij was, in zijn eigen vijver, 'gewoon omdat ik er zin in had', zomer of vrieswinter.

Maar na de oorlog en zeker sinds de toegenomen welvaart nam de belangstelling voor hem en zijn practical jokes af. Toch blijft hij in die mythe leven, met pijnlijke taferelen als gevolg: een lezing bij een studentencorps, waarbij op commando stelselmatig op het verkeerde moment gelachen wordt - dat knakt hem. Nog tenenkrommender is hoe de oude, alcoholistische guit blijft kakelen over de vergane glorie, aanneemt dat iedereen weet wie hij is. Het vermakelijkst is zijn ongecorrigeerde taalgebruik, dat het spinrag van zijn geesteswereld onthult: 'de boel op stelten zetten', 'een streek uithalen', 'daarna samen smakelijk lachen'. Altijd dezelfde uitdrukkingen: 'Memento mori, niet waar? Ergo: carpe diem!'

Maar Rosenboom gebruikt herhaling niet alleen om het schrijnende van de gestolde pose van zo'n personage te exploiteren. Ook illustreert het de benauwenis van zo'n provincieplaatsje, waarin alles gelijk en onveranderlijk blijft en tijdelijke fenomenen - de massale dierenliefde onder de kinderen van Angelen door de komst van dierenarts Rebert - snel uitdoven, geen rimpeling achterlaten.

Tekenend is het wanneer een minlustige weduwe een theorie van eigen vinding tegen de dierenarts ophangt - dat je katten om zes uur eten moet geven, ook al beginnen ze om vijf uur te miauwen. Rebert reageert daar niet op, maar de lezer weet dat hij in het begin van de roman diezelfde theorie bedacht had. Tot zover de illusie van originaliteit.

Evenwel toont Zoete mond de (riskante) kracht van fictie in de werkelijkheid. Bakkerszoon Duk die voor de intrede van de Nederlandse Donald Duck geboren werd en door zijn nietsvermoedende ouders met de voornaam 'Donald' is bedacht, heeft het zwaar.

Het klopt allemaal
Vrijheid is een onmogelijkheid, overal loert de conventie, de inkapseling en het stramien. Rest de zotheid, de excentriciteit. Als masker, want de 'onopmerkelijke', antipathieke Rebert en de goedmoedige Jan de Loper zou je nu als depressief diagnosticeren. Maar wie te zeer in de eigen mythe gaat geloven, als levenskunstenaar Jan of dierenarts Rebert die kerngezonde konijnen een dag opneemt, ten gunste van zijn faam bij de kinderen, begeeft zich op hachelijk terrein en raakt slachtoffer van de vergankelijkheid van de roem. Zo bezien gaat Zoete mond over de moderne mediacultuur waarin we leven, die draait om populariteit door 'onuitzonderlijkheid' - waardoor iedereen recht heeft op een claim op faam. In 1965 had je nog geen reality-tv, maar die gruwelweg wordt, in Rosenbooms weergave, al geplaveid door de oprukkende televisiereclame.

Uiteindelijk is Zoete mond een moralistische louteringsgeschiedenis: Rebert die 'verschoning' zoekt, gaat met kreunende ziel een biografie van zijn rivaal Jan de Loper schrijven, 's mans hartewens. Want als die Jan zich ergens in onderscheidde, was het dat hij niet alleen iets voor zichzelf, maar ook voor anderen deed: zijn enige vriend Donald Duk hielp hij aan werk in het verre Afrika, waar diens naam geen handicap is.

De botanicus Rosenboom heeft de blik wijder gericht dan op zijn terrarium, de schrijver blijkt nu eerst en vooral een medemens. Hij is mild geworden, getuige Zoete mond: met verve geschreven, amusant, maar niet duivels en verontrustend en urgent. De ontwrichtende diepgang uit eerdere romans ontbreekt. Uiteraard heeft Zoete mond ook een gedegen rosenboomsiaans vertelschema, ik zie de behangrol erachter, met alle genoteerde tegenstellingen. Het klopt allemaal, de personages maken een ontwikkeling door, maar al met al hakt de roman er onvoldoende in. Het blijft bij drama's die de persoonlijke historie van de personages niet overstijgen. Om dat te ondervangen, had Rosenboom de Geschiedenis als vierde hoofdpersoon moeten toevoegen. In zijn Nederland van 1965 staat te weinig op het spel.

Thomas Rosenboom, ‘Zoete mond’, Querido, 550 p., € 22,50

 

Door Jeroen Vullings / 25 augustus 2009 / ()