VN Mediagids'Zo begint het'- Jan van Mersbergen

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Recensie 30.05.2009

Door Jeroen Vullings

De in de luwte van de media-aandacht voortbeulende auteur Jan van Mersbergen geeft een stem aan stugge, zwijgzame types belast met zware gevoelens waarvoor ze geen woorden hebben. Hadden ze nou maar iets te zeggen...

Gewoon doorgaan

Voorafgaand aan de theatervoorstelling ter inluiding van de laatste Boekenweek, in de Amsterdamse Stadschouwburg, trof ik ter rechterzijde van de mij toegewezen plaats twee debutanten. Ze waren verwikkeld in een geëxalteerd gesprek waaruit ik die literaire status kon opmaken, want ik kende ze niet van gezicht. Het was een vrij treurige conversatie, vooral bedoeld om elkaar een hart onder de riem te steken. Want na het debuut dat ze met zoveel verwachtingen de wereld in hadden gestuurd, bleef het stil. Geen recensie, zelfs geen signalement, de radio meldde zich niet, laat staan de televisie. Daar sta je dan, lezers zijn onkundig van het bestaan van je prachtboek en ter uitgeverij gaat de belangstelling vooral uit naar de kassarinkelende collega’s. Het was bewonderenswaard dat ze daar niet zuur over deden.

‘Jan zegt: dankzij Gerbrand Bakker kunnen onze boeken uitgegeven worden,’ zei de man. De vrouw knikte instemmend.

‘Werk je al aan een tweede boek?’ informeerde hij.

‘Ja,’ sprak ze monter. ‘Jan zegt: altijd blijven schrijven. Doorgaan. Tot ze het inzien.’

Het verloop van hun gesprek nam de laatste twijfel weg over de identiteit van hun geestelijk leidsman in literaire zaken: Jan van Mersbergen (Gorinchem, 1971), een in de luwte van de media-aandacht voortbeulende auteur van een vijftal romans die in de spanne van acht jaar tijd – hij debuteerde in 2001 – uit zijn pen kwamen. Succes is, las ik ooit bij een cynische oude schrijver, een kwestie van tien procent talent en negentig procent zitvlees. Nu lijkt ‘zitvlees’ niet de beste typering voor Van Mersbergens noeste arbeid – elke twee jaar een roman –, maar de strekking is duidelijk: continuïteit wordt beloond.

En hoe! De altoos aardige Kees ’t Hart maakte reeds bij het vroege werk van Van Mersbergen gewag van ‘adembenemende vertelkunst’, maar pas bij zijn voorlaatste roman Morgen zijn we in Pamplona (2007), over het morose bestaan van bokser Danny, tekende zich zoiets als een bescheiden doorbraakje af. Zo kwam de bespreker van dienst in NRC Handelsblad, nadat hij het boek naar eigen zeggen driemaal had moeten lezen, tot deze bevinding: ‘Hoe lang kan een schrijver met ieder boek beter worden?’ Dat bedoelde hij lovend. Een literatuurminnende uitgeefster zei het tezelfdertijd nog flaptekstgevoeliger in Vrij Nederland: ‘Jan van Mersbergen was voor mij een ontdekking.’

Pathetiekvoelspriet
Op grond van wat ik van hem gelezen had, was ik minder juichend, maar ook weer niet negatief. De verteller Van Mersbergen schrijft boek na boek over alledaagse levens; hij geeft stugge, zwijgzame types belast met zware gevoelens waarvoor ze geen woorden hebben, een stem. Dat doet hij op de wijze van beenderig schrijvende Amerikaanse realisten, dus is er in dit down to earth-proza geschrapt bij het leven, ten gunste van suggestie en emotie. Het is te zien waar hij de mosterd haalt: bij Ernest Hemingway en Cormac McCarthy. Ik deel die voorkeuren en begin daarom toch steeds met hoge verwachtingen aan een Van Mersbergen-roman, zeker als ik elders lees dat die almaar beter worden. Bovendien zie ik mijn rotvaste gelijk graag ontregeld door de literatuur zelf.

Maar dan gebeurt er iets wonderlijks: al direct krijg ik de sensatie dat ik uit het Amerikaans vertaald proza lees, of liever: overgeplant proza. Dat kan ermee te maken hebben dat ik – immers geen moedertaalspreker, hoeveel Engels en Amerikaans ik ook lees – toch nooit de nauwelijks benoembare finesses proef die ik in Nederlandse literatuur wel kan ervaren. Misschien, vrees ik, ben ik bij lezing van knoestig, uitgebeend Amerikaans proza wel te snel literair tevreden, want ja, de klank van zo’n bondige zin, van ritmisch slang is verleidelijk doordat het direct een wereld van popcultuur en films reminisceert.

Van Mersbergen kan daar natuurlijk niks aan doen, maar feit is dat bij zijn zo filmisch chroniqueren van gewone levens mijn pathetiekvoelspriet in opperste staat van bedrijvigheid verkeert en dat het gebrek aan humor mij stoort. Achter deze verwijten schuilt een ander minpunt: hij houdt geen afstand tot zijn personages, lijkt zelfs wat te zwelgen in hun geteisterde wel en wee. Dat zou niet erg zijn, maar dan moeten ze wel wat meer voorstellen of meemaken, zoals bij de grote gorilla Cormac McCarthy (ook niet bepaald een lachebekje) het geval is. Ook dat is geen must – indien Van Mersbergen de taal als divergerende factor zou aanwenden, om te ontsnappen aan de murwstemmende kleurloosheid en uitzichtloosheid van zo’n stelletje nobody’s en hun ploeterend bestaan. McCarthy kan dat sublimerend effect zelfs door één welgeplaatst woord bewerkstelligen: door volkomen uit het niets een Jiddisch woord op te nemen in The Road. Ik bedoel maar.

Filmtechnieken
Mijn grootste bezwaar is dat ik als ik Van Mersbergen lees, twijfel aan zijn authenticiteit. Zijn verhalen zijn z’n verhalen, zoals zijn personages z’n personages zijn – daar wil en kan ik niets aan afdoen. Maar steeds schemert er een eerder geziene Amerikaanse film, een eerder gelezen Amerikaans boek doorheen, wat mij de indruk geeft: ik heb dit eerder en beter gelezen en gezien.
Komt daarbij dat een besmettelijk medium als film aan eigen wetten gehoorzaamt, die niet zonder meer overgebracht kunnen worden naar de literatuur. We zijn clementer ten aanzien van pathetiek op het scherm dan op papier. De oude bokscoach in een verhaal van F.X. Toole is dan ook aanmerkelijk minder pathetisch dan de manier waarop Clint Eastwood hem later vertolkte in Million Dollar Baby.

Het is altijd mooi als het eens lukt, literatuur verrijken met filmtechnieken, zoals het effect van de zwenkende camera dat Doeschka Meijsing volvoert in Over de liefde – de scène waar een vrachtauto op een drukbezet terrasje inrijdt. Maar meestal moeten we de term ‘filmisch’ opvatten als: vlot, ongelaagd geschreven; van handeling naar handeling; veel korte scènes waarin de verschillende personages alternerend aan bod komen. Even veelbeproefd sinds Robert Altmans film Short Cuts (1993), waarin Raymond Carvers verhalen waaiervormig verbeeld worden, is het aldus tonen van personages gevangen in hun eigen bestaan, die weliswaar om elkaar heen cirkelen maar wier levenslijnen niet – of pas tegen het slot – met elkaar verknoopt raken.

Doodgebeten baby
Dat overbekende ‘filmische’ – als hierboven beschreven – is geheel van toepassing op Van Mersbergens vijfde Zo begint het. Het boek is zelfs filmischer dan zijn eerdere boeken. Lijviger ook, gezet in een papierbesparende minuscule letter die mij m’n multifocale bril innig deed herwaarderen. Voorts zijn de zo karakteristiek merbergensiaanse manlijke zwijgers nu naar de achterpanelen verdrongen. Het verhaal wordt thans verteld vanuit drie ontstellend gewone vrouwen: de jonge moeder Emma, de jonge moeder Evana en de Poolse thuishulp Edyta.

Een krantenberichtje over een drama zwengelt het beoogde drama aan: in Amsterdam neemt de kraamhulp van moeder Evana een krant voor haar mee, waarin kort bericht wordt over een grote, zwarte hond die in Friesland een baby doodgebeten heeft. Evana raakt geobsedeerd door dit nieuws, temeer daar zij de hond denkt te kennen uit de tijd dat zij een taakstraf vervulde bij een asiel. Onderwijl zit moeder Emma, daar in het verre Friesland, ermee hoe ze verder moet leven na de dood van haar baby. Ten laatste wandelt er nog een Poolse kraamhulp door het boek die de spierzieke Chris verpleegt en die erachter komt dat deze gevelde slijter de vorige eigenaar was van de levensgevaarlijke viervoeter Sirius. Er gebeurt nog véél meer in deze schier oneindige, zich van scènetje naar scènetje voortslepende, ondiepe real life soap Zo begint het, waarin Van Mersbergen noteert wat zijn personages denken, doen, overkomt en overkwam.

666!
Wellicht is het daarom goed, ter covering van het thema, de leidende (vaak herhaalde) gedachte weer te geven. Die luidt: ‘Honden handelen niet alleen uit zichzelf. En: in feite is niet de hond schuldig, maar de mensen die de hond opgevoed hebben.’ Die gedachte is dan weer de opmaat voor een andere: opvoeding, of het nu om honden of kinderen gaat, ’t is me wat. Van Mersbergen maakt dat aanschouwelijk door het angstbeeld van moeder Evana, wier Antilliaanse vriend Steven vast zit voor een gewapende overval. Zij moet zich nu geheel allenig ontfermen over hun pasgeboren spruit Max, ter aarde gekomen om zes over zes op de zesde juni tweeduizend en zes. Getal van het beest (666)!, weet ze. En ze vreest dat de gedurig huilende kleine Max net zo’n duivels monster wordt als Sirius, die ook een slechte start kende: als pup is hij met z’n broertjes en zusjes door een dierenbeul gedumpt in een vuilcontainer.

Uiteindelijk, tegen het slot, hebben we inzicht verkregen in elkeens motief –uitentreuren! – en kunnen we niemand veroordelen. Zelfs killerdog Sirius is een slachtoffer van de harde samenleving, met die moderne media en internetfora die vandaag zo welig tieren.

Wat een bezoeking, wat een leeskarwei, zoveel hersenloze pagina’s over niks. Ik hoop nu maar dat Van Mersbergen, als schrijver met onstuitbaar loopvermogen, écht beter wordt per boek, want anders geef ik deze portie voortaan graag aan Sirius.

Jan van Mersbergen, ‘Zo begint het’, Cossee, 272 pagina’s, € 18,90




  • Republikeins extremisme De interessantste onafhankelijke bronnen over ultra-conservatief Amerika en de meest radicale sites en blogs
  • Anton Corbijn De populaire cultuur van Anton Corbijn
  • Framing Wat is de wetenschappelijke basis van politieke framing? En wat zijn bekende frames uit de Nederlandse politiek?
  • Politieke satire in de VS De beste sketches van Republikeinse presidentskandidaten
  • Kernbom Iran Hoe gevaarlijk is de Iraanse kernbom?