Zelf gekozen
Van huis uit ben ik geneigd me te laten adopteren, eerder dan het zelf te doen. Het is een beetje lui, nuffig gedrag, dat wel te begrijpen valt als je zelf, zeg, een half jaar oud bent en je enige wapen een kirrend lachje is, waardoor het ouderpaar dan vertederd moet raken.
Maar ik ben er mee doorgegaan, ook toen ik allang over een heel vocabulaire beschikte om mensen naar mij toe te praten, of de belofte van seks in de aanbieding kon gooien. Liever word ik gekozen dan zelf te kiezen, als vriend, als collega, als geliefde. Dat is als man, op mijn leeftijd (46) lang zo schattig niet meer als het ooit was.
Maar in 2007 ben ik zelf aan het adopteren geslagen. Ik heb er de sloffen ingezet: niet één jongetje of meisje, maar meteen een heel land.
In januari van het afgelopen jaar leerde ik H. kennen, een gekleurde vrouw uit Zuid-Afrika die mij van alles kon vertellen over de Kaapse kleurlingengemeenschap. Dat ik daar van alles over wilde weten, was weer het gevolg van een ansichtkaart, die ik zes jaar daarvoor had ontvangen van mijn biologische moeder, waarin zij mededeelde: ‘Heb ik ooit gezegd dat jouw verwekker een Jamaicaan was? Oeps, vergissing, het was een Zuid-Afrikaanse kleurlingenman uit Kaapstad.’
Zo, zo, biomoeder, dacht ik toen, en waarom zou ik dit na veertig jaar nu ineens geloven? Maar de geest verdraagt het niet als verhaaltjes onaf zijn, de geest gaat ermee aan de haal, en zoals iedereen weet, vallen er heel reële consequenties te trekken uit fictie (zie godsdienst). Ik zou naar Kaapstad afreizen, niet om die onvindbare vader te ontmoeten, maar wel al die andere kleurlingen, die meteen konden dienen als een mooie, sociologische dekmantel voor mijn hopeloze Vatersuche.
H. is een mooie, jonge vrouw, het was heel simpel met haar te verzusteren of te verbroederen, en op haar aanwijzingen sprak ik met mensen in Kaapstad en leende dus haar leven om er niet als toerist te hoeven rondlopen. Dat ging verbazingwekkend goed, en na een maand of wat had ik het idee dat ik mijn leven had uitgebreid met een nieuw project. Geen zorgenkind, maar een zorgenland – en helemaal zelf uitgezocht. Als je de vader niet kan vinden, moet je zelf maar vader worden.
Terug in Nederland merkte ik dat ik elk bericht over Zuid-Afrika spelde. Het leek wel alsof Iets of Iemand het erom deed, want ineens wemelde het van de artikelen en reportages over Zoeloe’s en Xhosa’s en Afrikaners. Alles had de neiging ermee te maken te hebben. Dit leek op een goddelijke aanwijzing, alsof het zo moest zijn.
In werkelijkheid was ik degene die overal Zuid-Afrika zag, maar in mijn verbeelding was het alsof Zuid-Afrika voor het eerst haar oog op mij had laten vallen. Toch nog een beetje het adoptiekind, dat vanuit onmacht en onwetendheid oorzaak en gevolg omdraait.
Natuurlijk kwam ik, gewoon in Amsterdam, ineens allemaal Zuid-Afrikaners tegen, die geduldig op mijn komst hadden gewacht. Was het toeval dat dit najaar de grote dramaserie Stellenbosch werd uitgezonden, met lievelingsacteur Jeroen Willems die ineens vloeiend Afrikaans sprak?
Ja, dat was toeval, moest ik in mijn meer redelijke momenten toegeven, en om het lot te helpen ging ik op cursus en leerde Afrikaans. Wat een gelukzalige en tegelijkertijd gekmakende ervaring, een taal die zo verwant is aan de mijne, en toch altijd weer zo anders. Het onoverkomelijke narcisme van het kleine verschil.
Jy moet jou huiswerk vir my wys as jy klaar is, hoor?
Ek was so skaam gisteraand by die Van der Merwes toe jy Annetjie se pragtige koffiepot laat val het.
Ik leer een andere taal, en klink weer als een kind.
Maar het kind heeft dit keer zelf gekozen. Het passivum is activum geworden.

