VN MediagidsUndercover op de illegalenboot (2)

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving / detentieboot / rechtsstaat / Immigratie 01.04.2006

Door Robert van de Griend

Vorige week beschreef VN-redacteur Robert van de Griend hoe hij na een zevendaagse cursus meteen aan de slag kon als bewaker op detentieboot Bibby Stockholm in Rotterdam. Hij kreeg te maken met doorgedraaide illegalen, collega’s die niet weten waar de nooduitgang is en een incapabel management. Deze week: hoe kan dit in Nederland bestaan?

Het is mijn zesde dag als detentietoezichthouder en op de Bibby Stockholm heerst onrust. Dit keer heeft het eens niets met de gevangenen van doen. Mijn collega’s zijn erachter gekomen dat een van de bewakers in zijn vrije tijd in vrouwenkleding rondloopt en zichzelf Babet noemt. Zijn rancuneuze ex-vriendin, die ook op de Bibby werkt, heeft het geheim bij de koffieautomaat verklapt. Wachtcomman­dant Van der Sluis komt direct in actie. Voor zijn eigen veiligheid krijgt de bewaker een paar dagen vrij. ‘Maar ik vrees dat hij uiteindelijk moet worden overgeplaatst,’ zegt Van der Sluis. De ex-vriendin zal waarschijnlijk worden ontslagen.

Het kordate optreden van de wachtcommandant doet, hoewel correct, nogal absurd aan. Op de Bibby Stockholm, zo heb ik de afgelopen week ondervonden, vinden wantoestanden plaats waarbij vergeleken het zwart maken van een collega nog geen gefronste wenkbrauw waard is. De detentieboot heeft bewakers in dienst die de gevangenen als grof vuil behandelen. Anderen hebben er geen benul van wat de procedure is bij brand. Maar daarvoor wordt niemand op straat gezet. Verder zijn de leefomstandigheden op de boot zo slecht – zes man op een cel, één uurtje per dag luchten, een detentieduur van soms wel een jaar – dat sommige gevangenen totaal overspannen raken. De Bibby Stockholm is een drijvend kruitvat.

Sinds ik als detentietoezichthouder medeverantwoordelijk ben voor het welzijn van de 471 illegalen op de boot, slaap ik slecht. Een van de vragen die me wakker houden: hoe kan dit in Nederland bestaan?

Noodvoorzieningen
Op 1 september 2004 opende minister Donner van Justitie de eerste detentieboot in Rotterdam, de Reno. In zijn toespraak, waarin veel zeilen werden bijgezet, hens aan dek werd geroepen en schoon schip werd gemaakt, zette hij omstandig uiteen waarom het van groot belang was dat de Reno in de Merwehaven kwam te liggen. De afgelopen jaren waren de reguliere gevangenissen volgestroomd met illegale vreemdelingen en bolletjeslikkers en was er nauwelijks celruimte over om veelplegers vast te zetten. Dat baarde Donner ernstige zorgen. ‘Een overheid die met straffen dreigt en daar vervolgens geen consequenties aan kan verbinden,’ zei hij, ‘is een schijnoverheid.’ Door illegalen voortaan in noodvoorzieningen als de Reno onder te brengen, zou het probleem voor een deel worden opgelost. De detentieboot was een ‘redelijk alternatief’, vond Donner. En grappend verwees hij naar Ketelbinkie: ‘Ik zal het dus niet hebben over de Edam, een oude schuit, over kakkerlakken in het midscheeps en rattennesten in het vooruit.’ De minister beschouwde de Reno zelfs als ‘zo’n goed alternatief’ dat hij, nog voor de boot in gebruik was genomen, al een nieuwtje kon vertellen: er zou snel een tweede detentieboot komen, de Bibby Stockholm. ‘En dat,’ zei de minister van Justitie, ‘zal ons brengen naar een veiliger samenleving.’

Hoewel je erover kunt twisten of je illegale vreemdelingen überhaupt moet vastzetten, was de logica achter het beleid van Donner helder. Andere opvang voor illegalen = meer cellen voor recidivisten = meer veiligheid op straat. Maar de minister maakte één fout: hij wilde er zo min mogelijk geld aan uitgeven. De voorzieningen op de Reno en de Bibby moesten sober blijven. In zijn toespraak vertelde Donner trots dat de dagprijs van de detentieboten twee derde is van die van het reguliere gevangeniswezen. Daarmee maakte hij het weliswaar mogelijk om veelplegers van straat te halen, maar tegelijkertijd creëerde hij een omheind getto aan de Maas.

Gepast geweld
Het is vier uur ’s middags en ik houd toezicht op de recreatiezaal van afdeling H. Mijn collega’s zitten aan de koffie in het personeelskamertje. Het is druk in de recreatiezaal. Zo’n tien man staan in de rij voor de telefoon. Dan slaan opeens twee gevangenen met elkaar aan het bekvechten. De één, een brede Afrikaan, vindt dat de ander, ook een brede Afrikaan, te lang belt. Straks is het kwart voor vijf en moet iedereen zijn cel weer in. De spanning tussen de gedetineerden loopt in een mum van tijd hoog op. ‘Ik snij je helemaal kapot,’ wordt er geroepen. Ik zou nu moeten ingrijpen, maar ik raak in paniek. Als het echt uit de hand loopt, heb ik geleerd, moet ik op mijn pieper drukken. Maar toen een paar dagen geleden alle bewakers een brandmelding kregen, bleef mijn pieper stil. ‘Dat is normaal,’ had een collega gezegd, ‘veel piepers zijn kapot.’ En er wordt ’s ochtends niet getest of je er eentje op zak hebt die werkt. Van de beveiligingscamera’s hoef ik het ook niet te hebben. Die hangen hier niet. Terwijl er toch genoeg tafels, stoelen en kasten staan om een flinke rel mee te beginnen. En was er pas niet een collega met de dood bedreigd? ‘Ik heb drie moorden gepleegd,’ had een gevangene tegen hem gezegd, ‘dus jij kan er ook nog wel bij.’ De twee Afrikanen staan inmiddels dreigend tegenover elkaar. De zenuwen gieren nu echt door mijn keel. Toen enkele collega’s me vorige week vertelden dat ze opstandige gedetineerden ‘helemaal de tering’ slaan, was ik ontdaan. Maar zelf heb ik ook nooit geleerd hoe ik gepast geweld moet gebruiken. Dus als de woede van de mannen zich dadelijk op mij richt, dan vrees ik dat ik ook in het wilde weg begin te meppen.

Goddank. Er kom er een Bosniër tussenbeide die de ruzie weet te sussen.

De volgende dag belt in de recreatiezaal van afdeling H een Turk met zijn dochtertje. Hij heeft haar al maanden niet gezien. Zijn vrouw en kind wonen in Friesland en het is te kostbaar voor hen om regelmatig op bezoek te komen. ‘Zit je lekker tekenfilms te kijken, lieverd?’ vraagt de Turk met zachte stem. ‘Heeft papa al gezegd dat je zijn kleine prinses bent?’ Zijn ogen worden vochtig. Iets verderop drinken twee bewakers koffie. ‘Ik zou me in zijn plaats ook rot voelen,’ zegt de een. De ander is minder onder de indruk. ‘Eigen schuld,’ zegt hij. ‘Ik heb gehoord dat die gozer in de wapenhandel heeft gezeten.’ De Turk hangt de hoorn weer op de haak. De tranen biggelen over zijn wangen. Dan gaat hij verder met wat hij altijd doet: lopen. De Turk staat op de boot bekend om zijn geloop. Dag in, dag uit loopt hij als een tijger in een kooi van het ene eind van afdeling H naar het andere. En weer terug. De hele dag door. Luchten gaat hij nooit. Als zijn medegevangenen buiten een rondje gaan maken, blijft de Turk binnen. Dan heeft hij eindelijk rust, zegt hij. Mijn collega’s kunnen er moeilijk mee omgaan. Als de gedetineerde voor de zoveelste keer voorbij komt, foetert een bewaker: ‘Ik kríjg iets van die vent. Nog even en ik stuur hem naar zijn kamer.’ Een halfuur later komt de Turk om paracetamol vragen. ‘Straks,’ zegt een collega. ‘Ik heb eerst andere dingen te doen.’ Maar de Turk wil nu geholpen worden. Het raast zo in zijn kop. ‘Jij krijgt paracetamol wanneer het mij uitkomt,’ bitst de beveiliger. ‘En niet eerder.’

Mijn collega’s zijn over het algemeen aardige types. Niet te beroerd om mij ergens mee te helpen en altijd in voor een geintje. Het verbaast me dan ook keer op keer hoe harteloos sommigen met de gevangenen omgaan. Het zal er, naast een gebrek aan relevante opleiding, vooral mee te maken hebben dat ze nauwelijks iets van de gedetineerden weten. Wij bewakers worden er door de afdelingshoofden niet van op de hoogte gesteld welke gevangenen iets op hun kerfstok hebben en welke slechts zijn opgepakt omdat ze illegaal in Nederland verblijven. ‘Ik hoef dat ook helemaal niet weten,’ reageert een collega als ik haar de kwestie voorleg. ‘Anders loop je het risico dat je iedereen verschillend gaat benaderen.’ Daar valt iets voor te zeggen, ware het niet dat nu álle illegalen op de boot als criminelen worden behandeld.

Als een gedetineerde suïcidale kenmerken vertoont, worden we daarop attent gemaakt, maar verder wordt ons niets verteld over de psychische en medische toestand van de gevangenen. Dat valt onder het beroepsgeheim van de psycholoog en de arts. Met als effect dat de Turk van afdeling H, bij wie het duidelijk een puinhoop is in de bovenkamer, door mijn collega’s als een irritante zeikerd wordt gezien. In het licht van de eigen veiligheid – les 1 van de cursus detentietoezichthouder luidt: ‘Eigen veiligheid eerst’ – is het opmerkelijk dat we ook geen zicht hebben op de fysieke gesteldheid van de gevangenen. Ik heb gehoord dat er gedetineerden op de boot zitten met schurft. En wat doe ik als een gevangene met een bloedende wond naar me toe komt? ‘Je moet er maar van uitgaan dat iedereen aids heeft,’ raadt een collega aan. ‘Dan ben je bij iedereen even voorzichtig.’ Dat klinkt zinnig. Maar aangezien ik geen EHBO-cursus heb gekregen, en het onderdeel ‘protocollaire eerste hulp’ van mijn opleiding bedrijfshulpverlening slechts één dag duurde, ben ik bang dat ik bij iedereen even ónvoorzichtig te werk zal gaan. ‘Doe nou hetzelfde als ik,’ adviseert een beveiliger, ‘en laat je voor een paar honderd euro inenten tegen hepatitis B en andere ziektes.’ Als ik maar niet denk dat er iets vergoed zal worden. ‘Sterker nog, toen ik onlangs collega’s had gewaarschuwd dat je hier besmet kunt raken, kreeg ik op mijn kloten van het afdelingshoofd. Dat had ik niet mogen doen.’

Antischeurpyjama
Op donderdag sta ik samen met collega De Groot op de observatieafdeling (OBS). Gisterochtend ontdekte De Groot dat de Marokkaan in cel 8 in zijn hals stond te snijden. Dat de man suïcidaal was, was bekend. Hij zat hier omdat hij zich op zijn eigen afdeling had proberen op te hangen. Hoe hij erin geslaagd was drie scheermesjes zijn OBS-cel binnen te smokkelen, was een raadsel. Gevangenen die nieuw op de afdeling komen, worden standaard gedwongen zich volledig te ontkleden, hun balzak op te tillen en drie kniebuigingen te maken. Daarna krijgen ze een antischeurpyjama aan. Bij deze visitatie waren de bewakers kennelijk niet al te grondig te werk gegaan.

Het had gisteren uren geduurd voor ze de Marokkaan zover konden krijgen de scheermesjes af te geven. Binnenstormen was onmogelijk. De man zette dreigend twee mesjes op zijn halsslagaders en hield er één in zijn mond. Bovendien waren de vijf leden van het Interne Bijstandsteam, die de man zouden kunnen overmeesteren, niet op tijd paraat. Ze waren druk in de weer met het zoeken van passende beschermkleding. Een deel van de uitrusting bleek de verkeerde maat te hebben.

‘Ik wil de IND spreken!’ had de Marokkaan geroepen. ‘Ze hebben een fout gemaakt!’ Dat werd hem toegezegd. Even later werd hij moeizaam tegen de grond gewerkt en geboeid.

Collega De Groot is vandaag nog steeds een tikje van slag. ‘Voor hetzelfde geld had die vent mij iets aangedaan met die mesjes,’ zegt hij. Gelukkig is hij er het type niet naar al te lang bij de pakken neer te zitten. Geroutineerd smeert hij boterhammen voor het ontbijt en werkt hij de dagrapporten bij. Daarna laat hij de gedetineerden één voor één douchen en luchten. Alleen de gevangene van cel 6 mag van De Groot geen frisse neus halen. Het is de Afrikaan van afdeling H, over wie ik had gehoord dat hij zich aftrok onder de douche en tegen de koelkast plaste. ‘Die man is helemaal gestoord,’ zegt De Groot. ‘Gisteren heeft hij in de luchtcel zitten poepen. Zó’n berg. Dus vandaag blijft hij binnen.’

’s Middags komt de medische dienst bij de Afrikaan langs. ‘Hoe gaat het met u?’ vraagt de verpleegkundige. De man zwijgt en kijkt om zich heen alsof hij denkt: wie is deze vrouw? Waar ben ik in godsnaam? ‘Tja,’ zegt de verpleegkundige, ‘hier zou eigenlijk een psychiater bij moeten komen. Maar alleen een psycholoog mag hem daarnaar doorverwijzen. En die komt maar één keer per week.’

Draaideurillegalen
Een klein uur later zit De Groot in het personeelskamertje een enquête in te vullen, een tevredenheidsonderzoek onder de werknemers van de detentieboot. ‘De werkdruk is te hoog,’ leest hij hardop voor en hij kruist de mogelijkheid ‘helemaal mee oneens’ aan. ‘Ik heb geen klachten,’ zegt de beveiliger, ‘maar ik ben wel een van de weinigen.’ Hij werkt hier nu vijftien maanden. Moet ik eens raden hoeveel collega’s er nog van zijn lichting over zijn. ‘Drie!’ roept hij voor ik heb kunnen antwoorden. ‘De rest is weggegaan omdat ze het werk niet aankonden, omdat ze problemen hadden met kantoor, of omdat ze een betere baan konden krijgen.’

En degenen die blijven, zitten om de haverklap thuis. Toen ik mijn contract tekende, vertelde unitmanager Monique de Wit dat 93 procent van de beveiligers van Securicor, het bedrijf dat door justitie wordt ingeschakeld voor de beveiliging van de detentieboten, zich in 2005 geregeld ziek meldde.

Een beetje kan De Groot het wel begrijpen. Hij laat me een papiertje zien waarop hij elf voorstellen ter verbetering heeft geschreven. 1. Badmintonrackets vervangen. 2. Piepers repareren. 3. Alle beveiligers een sleutel van de deurluikjes geven, zodat ze bij brand kunnen blussen zonder de deur te hoeven openen. 4. Gevangenen maar één scheermesje per keer geven en na een uur weer laten inleveren. ‘Heb ik al een maand geleden aan de afdelingshoofden doorgegeven, zegt de bewaker. ‘Nog geen enkele reactie op gekregen.’

Nu De Groot erover nadenkt, heeft hij nog wel iets op zijn lever. Rotte appels onder de werknemers van Securicor, zegt hij, worden er door de leiding van het beveiligingsbedrijf relatief snel uitgepikt. Maar het management van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), die over de andere helft van het personeel gaat, staat volgens hem álles maar toe. ‘Een tijdje geleden werd een vrouwelijke collega van DJI betrapt toen ze een gevangene zat te pijpen,’ vertelt hij. ‘Ze werd niet eens ontslagen, maar gewoon naar een ander detentiecentrum overgeplaatst!’ Maar dat is nog niets. Hij stond erbij toen een gedetineerde op de Reno een beveiliger drie zoenen gaf en vroeg: ‘Hé, hoe gaat het met jou? Zit je nog steeds in de horloges?’ De bewaker antwoordde: ‘Nee, tegenwoordig doe ik in kleding. Je moet mijn vriendin maar even bellen.’ De Groot kan er nog steeds niet over uit. ‘Wat denk je dat er met die collega is gebeurd? Die werkt nu hier op de Bibby. Ik zweer het je!’

Tegen het eind van de middag krijgt de Marokkaan in cel 8 wat hij wilde. Onder begeleiding van een wachtcommandant en een paar beveiligers stapt een medewerkster van de IND zijn cel binnen en begroet hem met de woorden: ‘Goedemiddag meneer, ik heb goed nieuws voor u.’ Drie kwartier later rijdt de Marokkaan achter in een busje het terrein van de boot af. Ik vraag aan een collega of de man nu op het vliegtuig wordt gezet. ‘Weet ik veel,’ zegt de beveiliger, ‘misschien wordt hij wel gewoon op straat gegooid. Net als de vorige keer.’

De beveiliger zou best eens gelijk kunnen hebben. Hoewel de gemiddelde detentie­periode van illegale vreemdelingen al jaren een stijgende lijn vertoont, blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Tilburg dat slechts vijfendertig procent van de gevangenen daadwerkelijk het land wordt uitgezet. De overige vijfenzestig procent, bij wie uitzetting onmogelijk is omdat de gedetineerde of het land van herkomst niet wil meewerken, wordt ‘geklinkerd’, zoals dat in de praktijk is gaan heten. De gevangene wordt dan na een maand of zes op een treinstation gedropt met een enkele reis Venlo of Roosendaal en de opdracht het land binnen vierentwintig uur te verlaten. Daaraan wordt meestal geen gehoor gegeven. Het gros verdwijnt, in ambtelijke termen, ‘MOB’: Met Onbekende Bestemming. Die mensen, zo schreef de Tilburgse hoogleraar vreemdelingenrecht Anton van Kalmthout onlangs in een internetmagazine over het gevangeniswezen, ‘hervatten hun veelal uitzichtloze leven in de marginaliteit van de illegaliteit, afhankelijk van hetzij overlevingscriminaliteit hetzij illegale arbeid, en als zodanig een dankbare prooi voor uitbuiters en profiteurs.’ Tot ze voor de zoveelste keer worden opgepakt en alles van voren af aan begint.

Minister Donner wilde er met behulp van de detentiecentra een einde aan maken dat veelplegers steeds weer op straat belandden. De overheid mocht vooral geen ‘schijnoverheid’ zijn. Maar door het huidige uitzetbeleid wordt tegelijkertijd een nieuwe categorie recidivisten geschapen: de draaideurillegalen.

Brandoefening
Aan het eind van de week lijkt het ineens alsof de kwaliteit van het personeel op de boot meer aandacht krijgt. Een afdelingshoofd kondigt tijdens een ochtendbriefing aan dat alle werknemers binnenkort een toets moeten maken. De leiding wil controleren hoe goed de bewakers de veiligheidsprocedures kennen. Geen overbodige luxe, zo bleek een paar dagen eerder. Toen werd er, voor het eerst sinds de ramp op Schiphol, een brandoefening gehouden op een afdeling van de Reno. Hoewel de oefening van tevoren was aangekondigd, ging er van alles verkeerd. Bewakers wisten niet welke noodnummers ze moesten draaien. Gedetineerden werden ingesloten in de cel direct naast de plek van de brand.

Het bericht over de toets wordt in het personeelsvertrek met gezucht en gesteun ontvangen. ‘Maak je maar geen zorgen,’ stelt het afdelingshoofd gerust, ‘wie slecht presteert, raakt heus zijn baan niet kwijt.’

’s Middags houd ik samen met drie collega’s toezicht op de bezoekzaal. Ik zie tientallen gevangenen huilend hun geliefde om de hals vallen en hun kind tegen zich aan drukken. Als het uurtje om is en de gedetineerden weer naar hun afdeling worden gedirigeerd, klinkt over en weer een hartverscheurend ‘Ik hou van je!’ De bewakers, op één na, die branderige ogen krijgt, laat het onberoerd. Ze zitten te geeuwen en te knikkebollen.

Toch hebben deze gevangenen het nog relatief goed getroffen. Zij ontvangen tenminste bezoek. Er zijn er genoeg bij wie nooit iemand langskomt, bijvoorbeeld omdat hun familie ook illegaal in Nederland verblijft en zich niet op de boot durft te vertonen. De Rotterdamse tak van Stichting Humanitas heeft een project voor eenzame gedetineerden dat ‘Samen reïntegreren’ heet. Vrijwilligers bieden gevangenen een luisterend oor in moeilijke tijden en helpen hen eventueel bij hun terugkeer in de maatschappij. In de Rotterdamse strafgevangenis De Schie wordt er al dankbaar gebruik van gemaakt. Onlangs heeft Humanitas geprobeerd ook toegang te krijgen tot de detentieboot, maar daar werd de deur dicht gehouden. Hoewel de stichting vanwege het karakter van de boot de belofte deed dat zij zich hier zou beperken tot een luisterend oor, viel de leiding zozeer over de naam ‘Samen reïntegreren’ dat het verzoek werd afgewezen.

Pijnpunten
Hoe langer ik op de Bibby Stockholm werk, hoe meer zorgen ik me maak over de veiligheid op de boot. Tussen het uitsluiten en insluiten stuit ik op zo veel mankementen en voel ik zo veel spanning bij de gevangenen, dat het niet meer de vraag lijkt óf het hier volledig uit de hand zal lopen, maar wannéér. ‘We moeten natuurlijk wel deze alternatieven goed blijven evalueren en bestuderen,’ had minister Donner in zijn toespraak bij de opening van de Reno gezegd. ‘Want een klein lek kan een groot schip doen zinken.’ Wijze woorden. Maar het wordt holle praat als die evaluaties vervolgens in de wind worden geslagen.

Op 23 februari 2005 brachten leden van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) een bezoek aan de detentieboot. Op 11 juli van dat jaar bracht de raad verslag uit aan minister Donner. In het rapport werden alle pijnpunten blootgelegd: meer mensen op kleine cellen, smalle gangen en lage plafonds, één uur per dag luchten, geen privacy, geen arbeid of educatie, geen vaste inrichtingspsycholoog. ‘Naarmate de detentieduur toeneemt, vormen de beperkingen van het regime en de omstandigheden een bezwaar,’ schreef de raad. Donner heeft er weinig tot niets mee gedaan. Sterker nog: vorige maand heeft hij de onafhankelijke RSJ met instemming van de Tweede Kamer als toezichthouder buitenspel gezet. Voortaan laat Donner onderzoek naar detentiecentra alleen nog uitvoeren door de Inspectie voor de Sanctietoepassing, een orgaan bínnen het ministerie van Justitie.

Op 16 november 2005 kwam Dick Ruys, voorzitter van de raad van toezicht van de detentieboten, aan het woord in NRC Handelsblad. Hij deed de schatting dat ‘omstreeks veertig bewoners’ langer dan zes maanden op de Reno en de Bibby Stockholm vastzitten. Dus niet drie maanden, zoals Donner had beloofd. ‘Ik denk wel dat je mensen daarop niet langer dan een halfjaar moet vasthouden,’ zei Ruys. ‘Anders creëer je hogedrukpannen en is de Schipholbrand de eerste van een reeks incidenten.’ Ook dit alarmerende bericht lijkt bij de minster van Justitie het ene oor in, het andere oor uit te zijn gegaan. Toen Vrij Nederland zijn woordvoerder afgelopen week de vraag voorlegde of Donner het nog steeds gerechtvaardigd vindt de omstandigheden op de detentieboot zo sober te houden als veel illegalen er langer dan zes maanden vastzitten, luidde de reactie per e-mail kortweg: ‘Uit gegevens van het ministerie van Justitie blijkt dat de gemiddelde verblijfsduur op de detentieboten circa twee maanden bedraagt.’

Schending
De Turk van afdeling H is kwaad. Nu heeft de leiding alwéér post van zijn advocaat geopend. Dat de brieven van zijn vrouw worden gelezen, daar is hij inmiddels aan gewend, maar dit is een schending van het privacy­reglement. Terwijl het met koeienletters op de envelop staat: ‘Advocatenkantoor’. Een afdelingshoofd beloofde dat hij het zou uitzoeken. De Turk heeft er niets meer van vernomen. Als ik bij het hoofd om opheldering ga vragen, krijg ik te horen dat het ‘per ongeluk’ is gebeurd. Gaat hij dat ook de Turk uitleggen? ‘Nou, dat komt nog wel een keer.’

En zo regent het de hele dag klachten van gevangenen. Een Chinees klaagt dat zijn koffiezetapparaat al drie dagen stuk is. Een Rus klaagt dat hij altijd wordt vergeten bij het uitdelen van het eten. Een Irakees klaagt dat hij geen vloeibaar voedsel krijgt, terwijl hij al twee dagen niet kan kauwen omdat twee kiezen zijn getrokken. Een Antilliaan klaagt dat hij al vier dagen geleden om een dokter heeft gevraagd, maar nog niemand heeft gezien.

Het vervelende is dat de gedetineerden nauwelijks mogelijkheden hebben om bij kleine of grote misstanden hun recht te halen. Op grond van het alarmerende rapport van de Raad voor Strafrechtstoepassing oordeelde de Rechtbank Den Haag op 3 januari 2006 dat een langdurig verblijf op de detentieboten niet toelaatbaar is. Een gevangene die al zes maanden vastzat op de Reno, moest worden overgeplaatst naar een detentiecentrum met een ‘minder beperkend en inperkend karakter’. Maar op 17 februari 2006 werd die uitspraak in hoger beroep vernietigd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State sprak de conclusies van de RSJ niet tegen, maar besliste dat de onafhankelijke vreemdelingenrechter niet over de situatie in het detentiecentrum gaat.

Hoogst opmerkelijk. Volgens hoogleraar vreemdelingenrecht Anton van Kalmthout is hier sprake van een ‘lacune’ in de wet. ‘In Nederland gaat eigenlijk niemand over het regime in de detentiecentra,’ zegt hij. ‘Volgens de minister kan een gevangene zich tot de beklagcommissie van het centrum wenden. Maar die neemt alleen klachten in behandeling over individuele beslissingen namens de directeur. De directeur is niet verantwoordelijk voor het algehele regime.’ Andere opties, zoals de civiele rechter of het Europese strafhof, bieden volgens Van Kalmthout ook geen soelaas. ‘In theorie werkt dat misschien, maar in de praktijk kost het een gedetineerde te veel tijd en geld.’

Gevangenen die bij de beklagcommissie een klacht willen indienen over een beslissing namens de directeur, hoeven overigens ook niet te verwachten dat ze snel worden geholpen. Op de detentieboot zijn de klachtenformulieren uitsluitend in het Nederlands gesteld, maar bewakers mogen de gevangenen niet assisteren bij het invullen ervan. Bovendien kan het wel drie tot zes maanden duren voordat gevangenen een uitspraak krijgen.

Op 13 september 2005 wendde de gedetineerde Fouad Maleh zich tot de beklagcommissie van het detentiecentrum in Zeist. De Syriër was daar uiteindelijk terecht gekomen nadat hij tevergeefs had geprobeerd van de detentieboot in Rotterdam te ontsnappen – iets wat volgens de Nederlandse wet trouwens niet strafbaar is. Maleh, die al negen maanden op de boot zat, werd naar eigen zeggen zo ernstig mishandeld door de bewakers die zijn ontsnapping verijdelden, dat hij twee weken met een dik gezicht rondliep. Toen hij na zijn uitbraakpoging in een observatiecel werd geplaatst, had de leiding hem, tegen de voorschriften in, geen beslag overhandigd met de reden voor zijn straf. Achteraf zou een afdelingshoofd verklaren dat de computergegevens over Maleh over de periode van 17 augustus tot 16 oktober waren gewist. Bovendien was de gevangene in de OBS-cel een klachtenformulier onthouden, zodat hij niet in staat was zich binnen de vereiste drie dagen te beklagen.

Op 9 maart 2006 deed de beklagcommissie uitspraak. Buitenproportioneel geweld werd niet bewezen geacht. De andere twee aantijgingen wel. Maleh werd een tegemoetkoming toegekend.

De Syriër heeft er nooit van kunnen profiteren. Hij was anderhalve maand eerder uit het detentiecentrum ontslagen. Niet met een vliegtuigticket naar Damascus, maar met een treinkaartje naar de grens. Hij leeft nu in de illegaliteit.

Licht ontvlambaar
Eigenlijk is het heel logisch. Een minister die niet te veel geld in zijn detentieproject wil steken en alarmerende evaluaties naast zich neerlegt. Ongemotiveerde beveiligers die niet goed zijn opgeleid, onvoldoende worden aangestuurd en niets van de gevangenen weten. Gedetineerden die slecht worden behandeld, geen mogelijkheden hebben om een klacht in te dienen en bij niemand hun hart kunnen luchten. Dat moet wel tot een licht ontvlambare situatie leiden.

Op 2 maart diende de Rotterdamse advocaat Gerard Dorsman, die zo’n twintig ­cliënten heeft op de detentieboten en in de gemeenteraad zat met zijn eenmansfractie Rotterdam Transparant, een motie in waarin hij pleitte voor sluiting van de detentieboten. Burgemeester Opstelten liet weten dat hij de motie niet kon aannemen omdat het kabinet voor de boten verantwoordelijk is. De ­reactie van minister Donner op TV Rijnmond was even laconiek als ontluisterend. De boten ‘voldoen aan de eisen die je op dat punt kunt stellen,’ zei hij. ‘Het is voor degenen die er zitten wat dat betreft helemaal niet zo’n ongemakkelijke accommodatie, vergeleken bij de alternatieven die er zijn.’





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?