Tineke Ceelen van Stichting vluchteling: 'We waren heilig'
05-09-2009
Door Harm Ede Botje
Diefstal, corruptie, overbodige missies, het komt allemaal aan bod in het openhartige boek Hier en daar een crisis van Tineke Ceelen, directeur van Stichting Vluchteling, dat deze week verschijnt. ‘Er is te weinig publieke discussie over ontwikkelingshulp.’

Ze trok de afgelopen jaren van brandhaard naar brandhaard: Darfur, Congo, Atjeh, Pakistan. Ze sjouwde rond in vluchtelingenkampen en in door aardbevingen verwoeste dorpen. Tineke Ceelen is in het wereldje van hulpverleners een opvallende verschijning, en niet alleen vanwege haar lengte en haar blonde, wilde haardos. Ze heeft een emotioneel karakter en is niet bang dat te laten zien. Met haar optredens gaf ze de slachtoffers van vele crises een gezicht en bracht ze hun verhaal in Nederland over het voetlicht. Haar organisatie, Stichting Vluchteling, ondersteunt slachtoffers van rampen en oorlogen die huis en haard hebben moeten verlaten en wordt gesteund door particuliere donateurs, het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking en de Postcodeloterij.
Komende week verschijnt Hier en daar een crisis, het boek waarin Tineke Ceelen terugkijkt op meer dan vijftien jaar in de vuurlinie. Vandaag ontvangt ze in haar zonovergoten woonkamer. Af en toe komt haar tienjarige dochter Agnes met een vriendinnetje langs. Of ze mag schilderen, of ze naar het speelveldje mag, of ze... ‘Agnes weet heel goed hoe ze gebruik moet maken van bezoek,’ glimlacht Ceelen als dochterlief naar buiten verdwijnt.
Het gesprek komt op Ceelens jaren in Kameroen, waar ze in 2000 met de toen negen maanden jonge baby-Agnes aan de slag ging voor ontwikkelingsorganisatie Stichting Nederlandse Vrijwilligers, jaarlijks voor tientallen miljoenen euro’s gesubsidieerd. Na een paar jaar in het noorden van Kameroen kreeg ze het verzoek om de directeur in de hoofdstad Yaoundé te helpen met een ingewikkeld reorganisatietraject. Het was er een puinhoop, merkte ze al snel na haar verhuizing. Op cruciale posten waren nieuwe medewerkers aangesteld, maar de onderlinge chemie was niet goed. En met leidinggevenden die niet functioneren, gaat het snel mis in zo’n moeilijk land als Kameroen: in een mum van tijd draaide de SNV-machine vast.

‘Er werkten naast de lokale staf behoorlijk wat Nederlanders die nooit buiten kwamen,’ zegt ze nu. ‘Er was veel geruzie en er waren tal van kleine en grote problemen op het kantoor.’ Toen ze, om de eindeloze lunchpauzes buiten de deur tegen te gaan, bij de portier een schriftje neerlegde waarin aankomst- en vertrektijden moesten worden genoteerd, kwam dat Ceelen op verwijtende blikken te staan. Vooral van de goedbetaalde Nederlanders die er aan gewend waren geraakt te doen en te laten wat ze wilden. En niet alleen de Nederlanders misdroegen zich. Een net aangeschafte fourwheeldrive verdween spoorloos. Telefoonrekeningen waren torenhoog. Het kantoorpand was een rommeltje. Na een paar maanden vertrok Ceelen gedesillusioneerd naar Nederland.
Hoge druk
‘Ik was verdrietig,’ zegt ze nu. ‘Echt alles ging daar mis. Uiteindelijk is er in Kameroen wel de bezem door gehaald, maar veel te laat.’ Waar collega’s er het zwijgen toe doen als er iets mis gaat, of defensief reageren op kritiek, kiest Ceelen in haar boek Hier en daar een crisis voor openheid over hoogte- én dieptepunten uit haar carrière. Bang dat ze critici de wind in de zeilen geeft met haar anekdotes over corruptie, diefstal en incompetentie is ze niet. ‘Volgens mij snappen lezers heel goed dat er uiteraard fouten worden gemaakt. Hulporganisaties werken in de moeilijkst denkbare gebieden, mensen staan onder hoge druk, zijn actief in culturen die ver van de onze afstaan. Natuurlijk gaan er dan dingen mis.’
Met haar boek wil Ceelen haar moeder, zusje, buurvrouw laten zien hoe complex haar werk is. Ze schetst geen eenduidig beeld. Er gaan dingen fout, maar ook veel dingen goed – zoals overal, op elk kantoor, in elke sector. ‘Gelukkig laat de meerderheid van de Nederlanders zich niet meeslepen door politici en journalisten die door een eenzijdig beeld te schetsen, pleiten voor minder hulp of zelfs het afschaffen ervan,’ zegt Ceelen. ‘Vorig jaar kreeg Stichting Vluchteling meer nieuwe donateurs dan ooit, en dat midden in een economische crisis.’
Waarom bent u terug uit Kameroen niet naar de pers gestapt? Er werd daar belastinggeld verspild.
‘Wie was daar iets mee opgeschoten? Waarom zou je je eigen nest bevuilen? Intern heb ik aan de bel getrokken en uiteindelijk is er, beter laat dan nooit, wel ingegrepen.’
U schrijft dat u in een kamp van de Verenigde Naties in Somalië aardbeien met slagroom eet.
‘Er waren daar dagelijks vluchten vanuit Nairobi met vers voedsel. Dat is ook goed: je hebt niets aan uitgehongerde hulpverleners. Aardbeien met slagroom lijken luxe in Somalië, en dat was ook zo, maar in Kenia is het niet zo gek, en daar kwam het spul vandaan. Dat bedoel ik: kijk naar de context, en oordeel pas dan.’
In Darfur heeft u vastgezeten op verdenking van spionage. U had vier Nederlandse journalisten binnengesmokkeld, die volgens de visa mediaconsultants waren voor uw organisatie. Daar trapte de geheime dienst niet in. Was het niet stom om mensen mee te nemen op valse papieren?
‘We hebben veel te makkelijk gedacht dat we daar wel mee weg zouden komen. Maar van de andere kant: regimes als Zimbabwe, Birma of Soedan doen er alles aan om pers en hulpverleners dwars te zitten. Moet je je daar bij neerleggen? Of moet je toch proberen via een truc mensen mee te nemen? Je moet op zoek naar grenzen, vind ik. En als je daar af en toe overheen gaat, het zij zo. Ik vind de vraag of onze Soedanese gesprekspartners veilig gebleven zijn na ons vertrek belangrijker.’
Hoe is het met hen gegaan dan, weet u dat?
‘Ik weet het niet. Wist ik het maar, ik vraag het me nog vaak af en hoop dat niemand in de problemen is gekomen.’
In 1998 werkte u in Tibet. Heeft uw aanwezigheid daar enig verschil gemaakt?
‘Ik denk achteraf van niet. Ik begeleidde medische programma’s, maar had geen enkele medische kennis. En ook geen ervaring in het veld. Ik had vier jaar bij een andere organisatie, Memisa, op kantoor gewerkt, meer niet. Mijn verblijf in Tibet wil ik niet als compleet nutteloos afschrijven, maar ik denk dat het voor mijzelf verrijkender is geweest dan voor de mensen daar. En dat kan nooit de bedoeling zijn.’
U bent behoorlijk openhartig. Waarom zijn uw collega’s vaak zo angstig en defensief bij kritiek?
‘Hulporganisaties zijn afhankelijk van donateurs en willen dus laten zien hoe geweldig ze zijn; wij ook. We zijn allemaal bang voor weglopende donateurs. En je moet niet vergeten dat hulpverleners jarenlang boven alle kritiek verheven waren. We waren heilig. Wat wij deden, was per definitie goed. In zo’n cultuur is er ook geen noodzaak zelfkritisch te zijn, of je te verweren tegen kritiek.’
De laatste jaren is er wel volop zelfkritiek. Minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking geeft toe dat de hulp efficiënter kan en moet. Wanneer is het tij gekeerd?
‘Bij de tsunami in 2005. Ook daar zeiden we: wij lossen het wel op. Er werd meer dan tweehonderd miljoen euro opgehaald. En achteraf bleek dat er heel veel fout is gegaan. Evaluatierapporten waren vernietigend. En terecht.’
Linda Polman beschreef in haar boek ‘De crisiskaravaan’ hoe hulpverleners rondrijden in grote auto’s, elkaar vliegen afvangen en vooral bezig lijken met hun eigen voortbestaan.
‘Polman provoceert. Dat is haar taak. Maar ze maakt een karikatuur van de hulpverlening. Bij haar lijkt het alsof er niets goed gaat, of alle hulpverleners botte idioten zijn die rondrijden in te grote auto’s en zich, na gedaan nutteloos werk, in de armen nestelen van minderjarige lokale meisjes of jongetjes. De incidenten die ze beschrijft, kloppen, maar het zijn en blijven incidenten, het is geen dagelijkse praktijk. Ze maakt bovendien geen onderscheid tussen grote professionele organisaties en krakkemikkige privé-initiatieven. Zit de hele sector zo in elkaar als zij beschrijft? Natuurlijk niet. Polmans boek doet geen recht aan de ingewikkelde omstandigheden waarin hulpverleners hun werk doen, en de vele levens die gered worden.’
Ze stelde ook de principiële vraag of hulp niet bijdraagt aan de instandhouding van ‘het kwaad’. Zo worden jullie in Soedan helemaal uitgeschud door het regime daar, anders krijgen jullie geen toegang tot de vluchtelingen in de kampen.
‘We weten al jaren dat we als een soort gekke henkie worden behandeld door het regime in Khartoem. De auto’s en computers van de organisaties die een paar maanden geleden het land uit gezet werden, zijn in beslag genomen. Organisaties moesten betalen voor idiote vergunningen, mensen van geheime diensten worden ons opgedrongen als medewerkers. En we laten dat allemaal gebeuren. Wat kunnen we anders? Moet Bert Koenders dan met de vuist of tafel slaan en zeggen: en nu ophouden met het pesten van hulpverleners, anders vertrekken we? Wie is daar dan de dupe van? Niet president Al Bashir! Die wíl alleen maar dat we weggaan, dan heeft hij helemaal geen buitenlandse lastpakken meer rondlopen.
Wij houden daar het kwaad niet in stand, voor die beschuldiging moet je kijken naar landen als China of Rusland. Weggaan, zoals Polman en anderen bepleiten, is de makkelijkste oplossing. Maar ik vind dat je tot het uiterste moet blijven proberen hulp te verlenen. Je mag niet weggaan als jouw vertrek massale sterfte kan veroorzaken.’
Naar aanleiding van ‘De crisiskaravaan’ was er een hoorzitting in de Tweede Kamer. Zinvol?
‘Het was een idiote toestand, neem me niet kwalijk. We zaten daar met zestien directeuren en andere betrokkenen. Iedereen kreeg tussen de twee en zes minuten spreektijd. Er was geen enkele vorm van discussie. En wat is er sindsdien gebeurd? Niks. What a waste of time. Anderzijds hadden we ook het initiatief naar ons toe kunnen trekken; we hadden zelf contact op kunnen nemen met de Tweede Kamer toen het boek uitkwam. Of als organisaties bij elkaar kunnen komen om te zien waar we lering uit kunnen trekken. Nu we dat niet hebben gedaan, moeten we niet te hard mopperen.’
Wat zou er moeten veranderen?
‘Het zelfreinigende vermogen van de sector laat ernstig te wensen over. Er is geen mechanisme om goede van slechte organisaties te onderscheiden. Daardoor kunnen bij wijze van spreken “Clowns zonder grenzen” in oorlogsgebieden aan de slag gaan of goedwillende burgers schoenen met hoge hakken inzamelen voor Somalië. We zijn niet in staat dat te stoppen.’
PVV-leider Geert Wilders wil alle ontwikkelingshulp afschaffen, behalve noodhulp. Hulp aan Afrika is prachtig, maar problemen in eigen land hebben voorrang, vindt hij.
‘Is Wilders vergeten dat Nederland deel uitmaakt van de rest van de wereld? Hoe moeilijker mensen het elders hebben, hoe sneller ze deze kant op komen, op zoek naar een toekomst. Het is in meneer Wilders’ belang juist wel hulp te geven. Dan geef je mensen een bestaan en een toekomst en dan blijven ze gewoon thuis. Dacht jij dat het leuk is alles wat je kent, vertrouwt en lief hebt achter je te laten om op zoek te gaan naar een onzeker bestaan in Europa?’
De VVD wil een parlementair onderzoek naar de effectiviteit van de hulp.
‘Nog een onderzoek? Je wil niet weten hoeveel onderzoeken, resultaatmetingen en controles er zijn. Daar geven we fortuinen aan uit. Er kan er best nog eentje bij, maar dan moet je niet klagen dat er van elke euro nog minder naar Afrika gaat, want een parlementair onderzoek kost veel geld. En of het iets nieuws oplevert?’
Het pleidooi van de Zambiaanse econome Dambisa Moyo in haar boek ‘Dead Aid’ is: red Afrika, schaf de hulp af. Zij vindt dat Afrikaanse landen
geld moeten lenen op de commerciële markt.
‘Ik vind haar redenering veel te kort door de bocht. Welke gek gaat zijn geld investeren in landen die in oorlog zijn? En welke toerist gaat naar een land als Kameroen als er nauwelijks wegen zijn, de elektriciteit onbetrouwbaar is, je niet naar een goede arts kunt als je ziek wordt, het risico overvallen te worden levensgroot is en je op het vliegveld al opgelicht wordt? Investeren in ontwikkelingslanden is een goed idee, maar het is voor de meeste landen te vroeg, zeker met deze internationale crisis.’
In november vorig jaar gaf minister Bert Koenders een speech waarin hij zijn plannen voor de komende jaren ontvouwde. Hij benadrukte toen dat er ook veel wél goed gaat. Hij wil waken voor cynisme en simplificaties.
‘Dat lijkt me terecht. Er ís veel ten goede veranderd. Hongersnoden nemen af, er is meer voedselzekerheid. Het gaat nooit zo hard als je zou willen, maar het analfabetisme onder meisjes is zeer sterk gedaald. Polio en lepra zijn bijna verdwenen. Sterfte door diarree is sterk gedaald. Hulp helpt, zeg ik met Koenders.’
De minister vindt wel dat de sector te veel naar binnen is gericht: die moet worden opgebroken.
‘Ook dat ben ik met hem eens. Denk aan mijn tijd in Kameroen. Je ziet het op een gegeven moment niet meer. Er gebeurt veel goeds, maar ook zijn er situaties waar je van zegt: tja.’
Koenders wil de hulpverlening effectiever maken. Bescheiden middelen moeten beter worden ingezet. Hij wil niet langer tientallen grote en kleine organisaties steunen, maar maximaal dertig. Er moeten coalities gesloten worden. Goed idee?
‘Goed dat hij de versnippering tegen wil gaan. Maar in zijn ijver slaat Koenders wel een beetje door. Hij geeft organisaties bonuspunten als ze coalities aangaan met andere Nederlandse clubs. En dus is er koortsachtig overleg gaande: wie gaat met wie? Niemand wil buiten de boot vallen en de miljoenensubsidies mislopen. Dus wordt het nu samenwerken om het samenwerken. En ik voorspel je: het zal leiden tot een duizelingwekkende bureaucratie die hoge kosten met zich meebrengt. Je moet volgens mij alleen samenwerken als het iets toevoegt.’
U schreef een ingezonden brief in ‘de Volkskrant’ waarin u kritiek levert op de plannen. Niet bang dat uw eigen subsidie nu in gevaar komt?
‘Haha, wij zijn niet de enigen die kritiek leveren op het nieuwe subsidiestelsel, maar vaak gaat dat achter gesloten deuren. Iedereen is bang voor zijn eigen hachje en dus is er te weinig publieke discussie. Maar ik wil niet dansen naar wiens pijpen dan ook. Ik ben niet bereid me aan te sluiten bij een coalitie waarvan ik weet dat ik de komende vijf jaar onevenredig veel tijd, energie en geld kwijt ben aan allerlei bureaucratische rimram. Als we onze subsidie verliezen, als we niet bij de dertig gelukkigen zitten? Dat is dan vooral erg voor de vluchtelingen in de kampen. Gelukkig hebben we het geld van de Postcodeloterij en bestaat ons budget voor vijftig procent uit giften van donateurs.’
Uw dochter Agnes is nu tien jaar. Is het niet tijd om op te houden met al die gevaarlijke reizen?
‘Agnes is het belangrijkste wat ik heb. En laatst zei ze: “Ik wil niet meer dat je naar die gevaarlijke gebieden gaat.” Ik wist niet wat ik hoorde. Ik heb geprobeerd haar gerust te stellen, haar te vertellen dat ik altijd heel voorzichtig ben. En dat bén ik ook. Maar stoppen? Voorlopig niet. De doorstroming bij hulporganisaties is zo groot, dat er weinig institutioneel geheugen is en dus steeds opnieuw het wiel wordt uitgevonden. Dat is niet goed en daarom denk ik nog een zinvolle bijdrage te kunnen leveren.’
Maar als Agnes blijft aandringen?
‘Als het voor haar geluk of haar toekomst nodig is dat ik ander werk zoek, zal ik dat zeker doen. Maar wel knarsetandend.’
