VN Mediagids'Spotvogel' - Hafid Bouazza
Recensie 07.03.2009
Hafid zoekt verlossing
De publiciteit liep ver vooruit op het verschijnen van de langverwachte nieuwe roman van Hafid Bouazza, zes jaar na succesnummer Paravion, met als meest opmerkelijke uiting een autobiografisch essay in Volkskrant Magazine. Daarin deed de auteur als ervaringsdeskundige verslag van het gevecht in zijn allerindividueelste gelagkamer. Zijn demon had de facie van Koning Absint en wat die aanrichtte, loog er niet om.
Zulke buitenliteraire informatie mag niet betrokken worden bij de analyse van een literair werk. Maar dat wordt lastig als Bouazza (Oujda, 1970) - zoals hij doet in Spotvogel - die speelruimte tussen autobiografische werkelijkheid en fictie benut.
Want ja, zijn ik-persoon is door een diep dal gegaan, down and out, twee jaar van zijn leven verloren. En ja, hij keert ter herstel terug naar de plaats en het land van herkomst: Oujda in Marokko. Tot zo ver: verder nagaan wat levensfeit en wat fictie is, heeft geen zin bij deze nabokoviaanse illusionist. Gelukkig geeft hij nog steeds niet thuis voor invuloefeningen en back to my roots-proza, waar altijd op gerekend wordt bij auteurs op het snijpunt van twee culturen. Zijn enige god is de Literatuur en zij is een eigenheimer, zoniet La Belle Dame sans Merci. Als ze haar dag heeft tenminste, zoals in Spotvogel.
Dat blijkt al in de eerste regel: 'Het is tijd voor mijn geest om te ruien.' Direct trekt Bouazza je met zijn vogelmetaforiek binnen in het verhaal hoe de eens gevierde schrijver weder opstaat, hoe de gevallen engel mens wordt, hoe de raaf een orpheusspotvogel wordt - daar waar hij vandaan komt, in Noord-Afrika. Die transformatie, ovidiaans gezegd: metamorfose, slaagt: in de wonderschone slotpagina's van Spotvogel zingt de taal, schettert de lyriek.
Daarmee is het plan van de ik-persoon - als ontvouwd op de eerste pagina's - gerealiseerd. Daar, in een huis op het platteland van Marokko, geërfd van zijn vader, maakt hij zich op om weer te schrijven. Eerst moet de 'geest', als datgene dat ons menszijn definieert, misschien zelfs zin verleent, sterk worden na die periode van verdoving. Hij wil 'woorden tot leven brengen', en zichzelf hopelijk ook. In een formulering die in de loop van het verhaal herhaald en geparafraseerd zal worden, als mantra ter bezwering van wanhoop, als smeekbede aan de goden, heet het: 'Ik denk woorden te hebben gevonden, waaronder gedachten schuilen en niet enkel de wind die mijn geest zo lang heeft doorblazen.'
Verkommerde raaf
Die inzet verleent Spotvogel iets demonstratiefs, dat hier echter geenszins schools of schematisch uitpakt, doordat Bouazza als tovenaarsleerling van Nabokov de lezer deelgenoot maakt van het wonder van het scheppen; we zien de roman voor onze ogen ontstaan. Het is die metalaag die de roman allure geeft, meer nog dan de pseudo-therapeutische zoektocht naar verlossing; meer dan de gloedvol opgediste zwartromantische amourette tussen de jongen Noral en het meisje Marfisa; meer dan de vette satire over le Maroc profond waarin feodale vaders hun dochters barbaars mishandelen, seksualiteit onderdrukt wordt, neven met nichten vrijen, en moskeeën als gezwellen uit de grond schieten; meer dan het altijd kolkende mythische Hinterland in Bouazza's fictie, waar de faunen en saters vrij spel hebben, waar usual suspects als Pan en Orpheus vuig ronddarren.
Na die wat programmatische proloog volgt het relaas van het 'wrak'. Hij beschrijft zich als een verkommerde raaf die er zo slecht aan toe is - hij liep 'in de wielslag van de dood' - dat een oude vrouw hem in het park ongevraagd geld in handen stopte. 'Ik was' - daarmee is alles gezegd. Antidepressiva helpen niet, maar wel de goede zorg van zijn oude moeder die hem verzorgt, voedt en uiteindelijk naar verwanten in Marokko stuurt: eerst naar Oujda, daarna naar het huis van zijn overleden vader in het noorden. Daar wil hij 'een ziel in mijn lichaam' krijgen. Hij denkt immers dat zijn ziel aan de raven toevertrouwd is, 'die van lijken eten en afscheid krassen en verlatenheid en nimmermeer roepen als zij eenmaal een vrouwtje gedekt hebben - terwijl zij zwart werden vanwege hun ontrouw.'
Iets biscuitachtigs
Ontrouw; een waarzegster die later in zijn ogen leest dat hij verdriet heeft waar hij 'verre van onschuldig' aan is; voorts een 'haar' aan wie hij niet wil denken, maar altijd denkt; en ten laatste 'mijn lieve lezeres' tot wie hij zich herhaaldelijk in dit relaas richt - genoeg kortom om ervan uit te gaan dat er tijdens die drankzuchtige tijd een vrouwenhart gebroken is, dat door de ik-persoon teruggewonnen dient te worden. Orpheus in de eenentwintigste eeuw, zullen we maar zeggen.
Er is genoeg dat meteen raakt bij lezing; ik noem de ironie waarmee Bouazza's ik-persoon simpele Arabische gebruiken of termen onnodig uitlegt aan het zo in 'andere culturen' opgaande, Kader Abdolah minnende leespubliek; ik noem de zinnelijke taal ('de zoele daad'), de opgedolven of zelfbedachte woorden, de listig verwerkte citaten, die vaak omspelend een extra betekenis toevoegen. Bouazza's stijl is ravissant. Over zijn nicht Sephina, met 'een melkweg van vreugde in haar grote, zwarte ogen': 'Verder rook ik dat ze zich nog niet gewassen had en slaapwarmte wasemde, geen cosmetica, maar de geur van een jonge vrouw, warm, iets biscuitachtigs, geplette klaprozen (...).'
Maar het meest speciale van Spotvogel is hoe het na lezing en bij herlezing doorwerkt. De roman wemelt van de gemaskerde vooruitwijzingen. Zo vertelt de taxichauffeur die de ik-persoon naar Oujda vervoert, dat hij verschillende huwelijksaanzoeken gedaan heeft, maar dat hij almaar afgewezen is: steeds werd op het laatste moment de bruidsschat verhoogd. Dat gegeven zal de ik-persoon gebruiken in het liefdesverhaal van Noral en Marfisa, dat hij tegen het slot van de roman schrijft. Zoals hij de kalverliefde tussen hem en Sephina, waar hij net aan herinnerd is door zijn neef Warid, zal laten spelen tussen Noral en Marfisa. Of zoals hij zijn down and out-ik in dat liefdesverhaal laat figureren: 'De enkele passant, een zwerver, een bekende van de stad en haar serene nachten en rafelige buurten, met fles in de hand en hel in de mond, deed hen opschrikken.'
Dat - werkelijkheid transformeren in fictie - demonstreert hij met zoveel soeverein gemak, dat het grenst aan een achteloze provocatie. Poëticaal is het zeker. Bouazza's ik-persoon komt erachter dat zijn jeugdliefde Sephina en hij zouden trouwen. Maar hij vertrok en Sephina huwde uiteindelijk een ander, c'est la vie. Hergebruikt in Norals en Marfisa's amourette, vertrekt Noral eveneens, en Marfisa sterft. Aanzetten, indikken, conflict en drama toevoegen, zo gaat dat in Bouazza's grand guignol-fictie, die af en toe de vrolijke knekelhuis-sketches in Tim Burtons animatiefilms reminisceert. Waar het hem om te doen lijkt, is de roes op papier brengen. Zijn ik-persoon krijgt wijn en schrijft vervolgens hallucinant barok proza.
Brave recensent
Kortom: Bouazza laat via zijn ik-persoon blijken hoezeer fictie immer prevaleert. Sephina noemt die ik bijvoorbeeld per ongeluk Marfisa. Of verhult hij in fictie de werkelijkheid, heet de vrouw die hij met 'haar' aanduidt soms Marfisa? Wat daarop wijst, is dat hij Noral al als bestaande persoon introduceert vóór hij hem opvoert in het liefdesverhaal dat hij schrijft.
Eventjes lijkt het erop of Bouazza in dit spiegellabyrint een handreiking verstrekt. Als de waarzegster Andala over hem zegt: 'Hij is hier niet voor een vrouw. Hij is een gegijzelde van zichzelf. Hafid zoekt verlossing.' De ik-persoon heet dus Hafid, concludeerde ik glimmend. Dat, in combinatie met die levensfeiten, bracht terstond klaarheid. Het zit zo, dacht ik: na het diepe dal en het gedurige gerammel van ketenen in de nacht is Bouazza terug in de wereld gekomen als de schrijver die hij is. Eigenlijk als een nóg betere schrijver, want het cerebrale is niet zo nadrukkelijk meer, zelfs strooit hij met tot op het bot zo ware levenswijsheden: 'Geef verdriet een masker en het maskeert zich met verdriet.'
Maar dan komt de alwetende verteller in het liefdesverhaal dat de ik-persoon schrijft, roet in het eten gooien. Eerst ontkent hij dat Noral een vermomming van zijn naam is, om vervolgens te verklaren dat hij geen Hafid heet en dat 'Hafid zoekt verlossing' een uitdrukking is.
Daarmee zegt hij dat de verteller van het liefdesverhaal niet de schrijver is. Ook de vertellerfiguur is dus bedacht. Akkoord: wie weet niet dat je bij de bestudering van fictie de schrijver niet gelijk mag stellen aan een personage, ook niet als die schrijver van beroep is en het onderhavige verhaal schrijft? Iedereen binnen de kaft is dus een personage.
Maar door de schrijver en verteller in die passage impliciet gelijk te stellen, verraadt Bouazza zich. Want die Hafid-uitdrukking komt niet uit het deel dat de alwetende verteller opdist, maar uit het voorgaande waarvan hij geen weet kan hebben. Bouazza wél. Hij ís zowel ik-persoon, alwetende verteller als Noral.
Of zou het waar zijn, bestaat er in het Arabisch een uitdrukking 'Hafid zoekt verlossing'? Daartegen pleit dat de ik-persoon eerder had gezegd dat hij niet in het Arabisch kan schrijven. Hij schrijft in de taal waarin hij denkt, dus het Nederlands - dat zo'n uitdrukking ontbeert.
Daar sta je dan, als brave recensent, getergd maar voldaan. Oog in oog met zulke brille past een buiging.
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




