VN MediagidsRode regen - Cees Nooteboom
Recensie 21.11.2007
Een Cees van vlees en gloed
24-11-2007
Door Jeroen Vullings

Vanaf de eerste pagina van de verhalenbundel Rode regen is het raak, zijn we alweer meegevoerd in het onverwisselbare, verfijnde en elegante literaire universum van Cees Nooteboom. Vintage Nooteboom: de rake observaties; de pregnante zinnen waarin een wereld opgenomen is; zijn gave om met een terloopse opmerking de verbeelding van de lezer te doen oplaaien. ‘Boeken leiden een verborgen leven. Ze houden zich dood als ze daar zin in hebben.’ Centraal staat in deze bundel wederom zijn gevecht tegen het vergeten, dat zich manifesteert in pogingen de vergankelijkheid op te heffen, terug te zien naar de ervaring van vijftig jaar geleden, of nog verder, de geschiedenis in.
Het wonder van dit proza is dat al die verhalen op zichzelf niet zoveel zeggen, zeker niet voor wie een gebeitelde structuur en zoiets als een plot verwacht, maar dat je tijdens lezing direct de diepte in schiet, ergens achter de woorden, regelrecht tot in een weldadige gevoelslaag, meegevoerd als je bent door de stem, zienswijze, gedachten en stijl van de auteur. Meegevoerd door zijn persoon, zo voelt het. Een dichtbije persoon die déze lezer in werkelijkheid nooit ontmoet heeft, anders dan in zijn boeken. Een papieren Cees Nooteboom die zich op zíjn voorwaarden laat kennen en die je ervaart als iemand van vlees en bloed.
Ongemak
De wens om een bewonderde schrijver te ontmoeten, anders dan om professionele redenen, is mij altijd vreemd geweest. Wat moet zo’n contact toevoegen aan diens werk? Voor je het weet, toont zo iemand zich kleiner dan hij in zijn boeken is en zit je opgescheept met een onwelkom beeld dat voor zijn literaire werk dreigt te kruipen.
Bij Nooteboom lijkt dat gevaar extra groot. Cees telt niet zijn overwinningen, maar zijn verliezen, sprak zijn vriend Harry Mulisch ooit over hem. Die uitspraak lijkt betrekking te hebben op Nootebooms gevoel van jarenlange miskenning door de literaire kritiek. In Duitsland vereerd als een literaire ster, als Nobelprijskandidaat Nederlands beste kanshebber, maar in de vaderlandse kritiek stelselmatig gekapitteld, in de hoek gezet, klein gemaakt – al keert het tij de laatste jaren ten gunste van hem.
Toch is wat beklijft uit de vele interviews met hem een zeker ongemak. Het beeld dat uit die vraaggesprekken opdoemt, is dat Nooteboom op een incidentele galaanval na te chic is om op zijn critici te reageren, zich teruggetrokken heeft in zíjn veste, met zíjn intimi, om daarbuiten de kat uit de boom te kijken. Als op één schrijver het noli me tangere van toepassing is, is het Nooteboom wel.
Tegelijkertijd manifesteert zich in zijn beschouwend proza meer en meer de neiging om terug te kijken op het eigen leven, als opmaat van het opmaken van de balans van zijn leven en schrijverschap – volgend jaar wordt hij vijfenzeventig. Zo herbergt de vijf jaar geleden verschenen staalkaart Nootebooms hotel in al die zo verscheiden vertrekken en kamers van zijn geest, de specifieke Nooteboom-thema’s en interesses – weg van de waan van de dag, weg van de levenden. Door die mnemotechnische excursie is het veeleer een tombe-met-uitzicht dan een hotel. Kamer na kamer laat hij voor het geestesoog van de lezer verrijzen, bevochten op wat hij zijn ‘notoir slecht geheugen’ noemt.
Drankbeluste postbode
Hoe de tijd hem heeft ingehaald, blijkt vooral uit het meest vitale deel van zijn oeuvre: de reisliteratuur. In de nieuwe, jonge reisliteratuur denkt de hippe generatie reizigers niet aan het verleden, maar bijt zich vast in de oppervlakte van het heden – om het leven ter plekke in volle hevigheid te ervaren. Nooteboom daarentegen geeft er in zijn intelligente reisproza de voorkeur aan te observeren en intellectueel te absorberen in plaats van zich in het gewoel te storten. Hij is de reiziger door tijd en ruimte die op de plaats van bestemming stilstaat en peinst over de gedachten die daar opkomen.
Hoe scherp die uitspraak van Mulisch over hem is, blijkt a fortiori uit Rode regen. Nooteboom toont zich in die verhalen direct-autobiografischer dan ooit. Dat blijkt niet alleen uit zijn uit het leven gegrepen verhalen over zijn bestaan op het Spaanse eiland Menorca, waar hij de helft van het jaar woont. Dat blijkt ook nog niet eens zozeer uit de blik in zijn schrijverskeuken die hij zijn lezers toestaat door te laten zien hoe ontmoetingen, personen en gebeurtenissen in zijn fictie op zullen duiken. Dat directe blijkt vooral uit zijn immens vermogen tot relativering.
Want zo is Mulisch’ uitspraak ook te lezen: Cees laat zich niet verblinden door de schone schijn, hij blijft als realist met de voeten op aarde. Wat daarbij helpt, is zijn bovengemiddelde neiging tot zelfkritiek, die soms grenst aan de knorrigheid van die twee grumpy old men uit de Muppetshow. In Rode regen komt Nootebooms soms genadeloze zelfkritiek niet als masochistische exercitie over – dat zou nog te gekunsteld zijn. Het is juist de sensatie dat Nooteboom tegen zijn meest dierbare luisteraar spreekt, zonder maskers, pose, valse gewichtigheid of valse nederigheid. En nergens naïef.
In Rode regen vertoont de mensch Nooteboom zich als ongeschoolde natuurliefhebber, voyeur bij parende schilpadden, moederkloek voor ontheemde poezen, migrant in een overbeladen automobiel. Bijna vergeten we dat deze gezellige ouwehoer met de drankbeluste postbode en de analfabete buurvrouw voor alles een schrijver is die als zodanig niets meer te leren heeft.
Nooteboom pakt ons met zijn onweerstaanbare menselijke, al te menselijke verhalen volledig in, hij verleidt ons met zijn jaloersmakend bestaan. Reizen, lezen, schrijven. Met ons beziet hij zijn oude dagboeken en daarmee zijn vroegere zelf. Daaruit leert hij dat hij op zijn zestiende en zeventiende nog niet kon schrijven. ‘Er is nergens een asem van talent te bespeuren,’ luidt zijn harde oordeel, waardoor we denken: nou, nou Cees, wees eens wat milder voor jezelf. Zo aanraakbaar was Nooteboom nooit eerder.
Charmegeschut
Maar bij dat alles behoudt Nooteboom de regie, zoals blijkt uit de compositie van de bundel, die onderverdeeld is in acht thematische delen. In het eerste, ‘Herinnering als voorspel’, zet Nooteboom grof charmegeschut in: hij vergast ons daarin op een onnadrukkelijk, ontroerend requiem over de poes Vleermuis. Eerst bezielt hij haar met levensadem, al hebben we dat pas door in de laatste alinea: ‘De eeuwigheid van Vleermuis zou nog acht jaar duren. In de mijne, die naar verhouding even kort zal zijn, zie ik haar schim soms nog tussen de cactussen dwalen, een grijze huisgodin die bomen en mensen beschermt tegen bladluis, winterstormen en plotselinge droefenis.’
In het tweede deel, ‘De tuinman zonder tuin’, schrijft hij over de alledaagse werkelijkheid op zijn eiland, met zijn buren, hun dierenschare, zijn tuin. Hij toont zich daarin ontvankelijk voor nieuwe ervaringen, die niets met de schrijftafel van doen hadden. Bij de oude vrouwtjes op Menorca verwierf keukenprins Cees groot aanzien door zelf het orgaanvleesgerecht ‘fretzes’ te bereiden. Maar die status verloor hij nadat hij slakken onoordeelkundig bereid had, namelijk mét hun uitwerpselen.
Subtiel trakteert hij ons in de volgende zes delen op wat zwaardere kost. Deel drie, over zijn ontmoeting met een hoofdletter, zet die klimtocht in, bij de hand genomen door Nooteboom. Subtiel, schreef ik, want het anekdotische raakt nooit uit zicht: we maken mee hoe de schrijver in zijn jonge jaren lurkt aan een hasjpijp, hoe hij door toedoen van absint zijn interieur tot gort smijt en zichzelf verwondt. We reizen met hem mee, als piepjonge wandelaar, als lifter, alleen of met anderen. We vliegen mee over de Marowijne, we willen met hem eeuwig blijven in het ‘paradijs van de tijd’: Tongo.
Rode regen leest als een literaire reis voor twee personen: de schrijver en zijn lezer. Het is een onthaaste reis, dankzij de wijsheid der jaren: ‘Ik heb de tijd – en misschien is dat waar het om gaat in dit late seizoen, dat je de tijd neemt die je hebt.’ Nootebooms reis eindigt met zijn verstilde gedicht ‘Weg’:
Ik ben de weg
Ik sta als een pijl
gericht op de verte
maar in de verte
ben ik
weg.
Als je me volgt,
hierheen, daarheen, hierheen,
moet je er komen,
hoe dan ook.
Weg is weg.
In zijn strenge, zelfkritische optiek is dat vast het beste wat hij te bieden heeft: poëzie – de kwintessens van zijn oeuvre . Dat mag bewaard blijven – de rest, ach. Gelukkig weten we het in dit geval beter dan de schrijver: ook zijn proza willen we koesteren.
Cees Nooteboom, ‘Rode regen’, met tekeningen van Jan Vanriet, Atlas, 224 pagina’s, € 18,50
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




