VN MediagidsProject Schrijver Worden; Tomas Lieske
15.09.2007
15-09-2007
Door Sander Pleij
In zijn nieuwste roman wordt een luchtschip gebouwd. Zelf is Tomas Lieske een man die zijn oude identiteit in een stortkoker gooide om daarna als schrijver tot grote hoogte te stijgen. Waar zijn verbeelding hem ook voert, een paar troebele beelden uit zijn jeugd in het Bezuidenhout reizen mee. Realisme vindt hij een lastig begrip maar hij documenteert zich voor elk boek als een bezetene. Profiel van een fantast met een methode. ‘Ik denk altijd: doen we het goed of doen we het op z’n lulligs?’
0. Op een dag zei de schilder...
... tegen zijn vrouw: ze gaan eraan, ik maak ze allemaal kapot
Op een dag zei de schilder tegen zijn vrouw: ze gaan eraan, ik maak ze allemaal kapot. Hij doelde op het complete oeuvre dat hij in zo’n twintig jaar bij elkaar had geschilderd. Maanden eerder had hij het al weggestopt in een speciaal ervoor gebouwde kist. Nu moest het ook nog kapot.
Die houd ik niet meer tegen, wist zij op slag. En, moest ze toegeven, ze wist zelf ook niet zeker of haar man wel geboren was om een groot schilder te worden. Zijn aquarellen, die had ze nog wel eens mooi gevonden, maar de olieverfschilderijen?
Wat moest gebeuren, gebeurde. Met een stanleymes sneed de schilder zijn schilderijen in repen en maakte aldus rigoureus een einde aan een schildersbestaan. Alles vernietigd – op een enkel verkocht of weggegeven werk na. Woede? Depressie? Een vlaag van verstandsverbijstering? Het ging om een weloverwogen actie, vertelt zijn vrouw later: ‘Zoiets doet hij niet spontaan zomaar even, nee, dat is een afsluiting.’ Haar man vond zichzelf als schilder mislukt. Gewoon niet goed genoeg.
De nu ex-schilder dacht na over zichzelf en over zijn deeltijdbaan als leraar Nederlands. De zakelijke jaren tachtig waren net begonnen en hij liep inmiddels tegen de veertig, toch was met de afsluiting van het schildersbestaan zijn dadendrang allerminst afgenomen.
Volgende project. Schrijver worden. Een schrijfplek had hij al ingericht en uit zijn bureau had hij stapels papier opgediept. Hij zou voortbouwen op een oude droom. Een basis was er al. Sinds zijn puberteit had hij dikke mappen en schriften vol verhalen, notities, gedichten en zelfs romans bij elkaar geschreven. Samen vormden ze, naar eigen zeggen, ‘een warboel van emoties, gevoelens en vage dingen’.
Maar zomaar herschrijven van wat eens uit een getourmenteerde ziel was ontsproten, dat bleek een slecht plan. Dus ook met de schrijfsels toog de ex-schilder naar zijn vrouw: wat vind je ervan als ik het allemaal wegflikker? En ook deze keer wist de vrouw ogenblikkelijk waar ze aan toe was. Even later stond het echtpaar zij aan zij pakken papier, waaronder vijf hele romans, door de stortkoker van hun flatgebouw te gooien.
Andermaal een welbewuste actie. Op restanten had hij niet iets nieuws kunnen bouwen. Vernietigen. Weggooien. Met de totale destructie van alles wat de zolderkamerromantiek hem had ingegeven, bereikte de ex-schilder een nulpunt. Hier was hij vrij. Vanaf hier kon hij bouwen.
Hij was op hetzelfde punt aangekomen als Paul van Ostaijen toen die schreef: ik wil bloot zijn en beginnen.
Hij was nu dichter.
Hij noemde zich: Tomas Lieske.
1. Ruim twintig jaar later...
... minus de dagen dat het leven hem bijna losliet en hij in een coma lag – is Tomas Lieske een auteur van de chique uitgeverij Querido. Hoe dat zo gekomen is, vertelt hij graag en continu; thuis, in het café, de auto, een museum, wanneer een demonstratie passeert.
‘Ik ben gelijk gedichten gaan maken. Ik dacht: ik kan geen roman schrijven, dat wordt niks. Ik heb het toen echt serieus geprobeerd en aangepakt. Het serieus uit mezelf laten komen. Dus niet als een epigoon nabauwen wat anderen al hadden gedaan. En me niets aantrekken van wat er in de mode was. Omdat ik ouder was, kon ik veel gemakkelijker naar een eigen stem zoeken.’
Hij spreekt mooi zangerig Hagenees. Soms is het alsof je Bart Chabot op het Hofplein hoort oreren, maar dan over dramatische structuren bij Shakespeare. Lieskes kop blijft strak, het lichaam lijkt van hout en zijn ogen priemen als om extra openingen te vinden voor de betekenis van zijn woorden. Zijn echte naam, zijn echte leven, ze zijn van minder belang dan wat hij te vertellen heeft over Kunst. Over Literatuur! En over de lessen die hij leerde van Shakespeare, Nabokov, Tsjechov en Vermeer.
Het is Tomas zonder h want dat is in het buitenland ook gebruikelijk, en Lieske, dat klonk gelijk goed. Niet buitenissig en een beetje buitenlands aandoend. Hij had het uit het gedicht ‘Die Rigoryei’ van Lucebert gehaald, waarin een reeks namen met hun afkomst wordt opgesomd. Precies goed. Het was wel even schrikken geweest toen de oude Geert van Oorschot hem later vroeg of het soms de naam van zijn geliefde was. Krijg de pest, bedacht Lieske, want in België is Lieske een liefkozende meisjesnaam.De keuze voor een pseudoniem was een belangrijk moment. Hij kwam erachter dat het niet ging om het zien van je echte naam op een kaft. Bovendien had het iets te maken met het vernietigen van de oude romans. Gooi je oude schrijfsels weg. Gooi je naam in de stortkoker en begin een gedicht!
‘Ik heb er wel meer idee over hoor. Ten eerste wil ik mijn persoonlijke mythe en dat gedeelte van mijn leven waaruit ik put voor mezelf houden. Ik heb er geen enkele behoefte aan om dat rijkelijk tentoon te stellen aan iedereen, zodat ik straks denk: ja, verdomme, nou heb ik dingen weggegeven die ik ook in die literatuur had kunnen gebruiken.’
Maar wat heeft het nog voor nut, een pseudoniem of niet? Hij neemt de telefoon op met Lieske, stelt zich voor als Tomas en zelfs vrienden gebruiken de namen door elkaar. Zijn foto staat in de krant en hij vertelt vrijelijk over wie hij was toen hij nog geen schrijver was die Tomas Lieske heet.
Dat erkent hij ook wel, maar toch, vindt hij, heeft zijn pseudoniem nog zin. Hij kan er vragen in leesclubs over zijn persoonlijke leven beter mee afwimpelen.
De fascinatie voor het hebben van een andere naam en identiteit keert in bijna al zijn boeken terug. In Franklin (2001) moet een identiteitsloze krijgsgevangene in Nederland een naam en identiteit kiezen. In Gran Café Boulevard (2003) kiest de hoofdpersoon buiten Nederland een andere identiteit, waarbij verschillende namen horen. En in Dünya (2007) blijft de ware identiteit onduidelijk van het meisje dat door twee Hollandse mannen dwars door Turkije wordt gezeuld, zelfs hoe hun officiële achternaam in Turkije wordt geschreven, is onzeker. En dan hebben we het nog niet eens over de gedichten waarin hij zowel gier en hond als de koningin of minister Donner kan wezen.
De dichter moest publiceren. Hij stuurde op naar De Revisor en Tirade, beide tijdschriften reageerden enthousiast. De oude Van Oorschot, uitgever van Tirade, vroeg hem zelfs of hij geen redacteur bij het tijdschrift wilde worden. Lieske trok Robert Anker aan als nieuwe redacteur. Spoedig daarop volgde ook Willem Jan Otten.
‘We vonden elkaar op de een of andere manier. Hoewel we heel andere schrijvers zijn en de oordelen ook niet altijd helemaal eensluidend waren. Maar we konden er goed over praten. En er waren wel een aantal dingen die we wisten: we wilden geen realistisch binnenkamergeschrijf, er mocht fantasie in zitten, wel essayistisch mocht het, maar niet politiek.’
De man die zich Tomas Lieske had genoemd, maakte zijn entree in de literaire wereld. Spectaculair vond en vindt hij het er nog niet.
‘In de literaire wereld is het toch niet zo dat ze dingen van je lezen. Het is de wereld waarin je het minst in contact komt met mensen die iets over je boek zeggen. Het zijn allemaal mensen die iets over hún boek willen zeggen.’
Toen er genoeg gedichten waren voor een bundel ontstond een korte strijd tussen Querido (De Revisor) en Van Oorschot. Jan Kuijper van Querido reageerde net iets sneller. Hij herinnert zich de ontvangst nog van de gedichten die Lieske De Revisor toestuurde. En hoewel hij de poëzie van Lieske prijst, zegt hij: ‘Ik moet ze ontroerend hebben gevonden, en opmerkelijk. Dat waren mijn twee criteria. Ik weet nog wel dat het taalgebruik wat ouderwets was. Hij gebruikte steeds “neen”. Eigenlijk vond ik het wat weinig dichte en babbelende poëzie. Hij is geen dichter die het in zo min mogelijk woorden wil zeggen.’
Thuis, in een kamer vol jaargangen van literaire tijdschriften, legt hij uit: een schrijver gebruikt drie bronnen: 1. zijn eigen leven, 2. zijn onderzoek en 3. zijn fantasie. Van zijn eigen leven, dat voor Lieske begon in 1943, zijn uit zijn jeugd (1.1 als het ware) twee omstandigheden van het grootste belang: het Duitse meisje Rosemarie dat na de oorlog een tijd bij hem thuis inwoonde om aan te sterken. En de in de oorlog per abuis door de Engelsen platgebombardeerde Haagse wijk Bezuidenhout.
‘Dat meisje kreeg nachtmerries en vertelde hoe het in Duitsland allemaal kapotgegooid was. Alles kapot. Bij mij kwam ogenblikkelijk de vraag op: mooie boel, wie heeft dat gedaan? Dat werd een onontwarbare knoop, want natuurlijk was ze niet voorgesteld als een kind van de vijand. Er was nog geen sprake van wij en zij. Daar kom je pas later achter.’
Nota bene zijn eigen wijk was door dezelfde bommenwerpers in puin gegooid. Maar hoe het zat, drong niet door in de kinderkop. En ook al speelden de kinderen destijds in ruïnes, die situatie was voor hen normaal. Toen het gezin een oude fietsenstalling betrok, de haken zaten er nog in de muur, ervoer Lieske dat niet als vervelend, maar gewoon als weer een huis om met zijn vier jongere broertjes in te spelen.
Maar op die manier werd hij wel vreemd geconfronteerd met het andere, met dingen die niet kloppen.
‘Dat meisje en dat puingebied hebben me gevormd. Het zijn schokwerkingen geweest die lang zijn blijven nawerken. De confrontatie via een even oud kind met een oorlog elders en het feit dat zij nachtmerries kreeg en ik niet, ik begreep dat niet. En de schokwerking van dat puin is dat ik achteraf denk: wij kinderen hebben ons als bendes gedragen. Tegenover elkaar en tegenover meisjes ook, er zijn meisjes verkracht in dat puin.’
Meerdere keren zal hij terugkomen op dat puin. Er gebeurden wilde, oncontroleerbare dingen.
‘Wat ik mij herinner: wat toen gedaan werd met anderen, met meisjes ook, dat zou op het ogenblik meteen grote rotzooi betekenen, ook in de krant en zo. Maar de neiging onder volwassenen was toen: geen aandacht aan besteden. Later denk je : ja, maar dat kan toch eigenlijk helemaal niet. Toch zijn het dingen die nog steeds veel algemener zijn dan je denkt.’
Verkracht heeft hij niet, zegt hij, maar over wat er nou precies gebeurde, is hij vaag. Alsof er dan inderdaad niets te fabuleren over blijft. We moeten het met zijn werk doen, waar de twee ‘schokervaringen’ continu in weerspiegeld worden, vermomd en getransformeerd. Zoals in de beginscène van Gran Café Boulevard, waar een groepje jongens langs een vaart buiten de dorpsrand een meisje aanrandt, terwijl haar broer geen hand durft uit te steken. Of in zijn nieuwe roman Dünya, waarin heel Turkije een puingebied lijkt, een klein kleutertje zelf niet doorheeft dat ze in armzalige omstandigheden opgroeit en niemand meer weet wie de good en wie de bad guys zijn.
2. Zijn huis is van nok tot vloeren...
... op literatuur ingesteld. In de strakke woonkamer staan, behoudens boekenkasten, slechts tafels en bureaus. De enige zitbank staat in de leeskamer. Beneden wordt door werklieden gesloopt en hersteld, maar een nieuwe keuken bouwt Lieske zelf in. Secuur en precies. Hij heeft alles al afgemeten, met potlood staat op een plank aangegeven: ‘Deze muur: plaat eraf, nieuwe plaat (hoger). Bovenste deel afsteken + stuccen.’
De methode.
Hij zegt: ‘Ik heb geen kinderen. Dat is een bewuste keuze geweest.’ Hoe bewust, daar zal hij later nog op terugkomen. Nu al voegt hij eraan toe: dat neemt niet weg dat ik me afvraag, stel je voor dat ik wél een kind had gehad. Wat zou dat betekend hebben? Wat was dat dan voor iemand geweest? Die nieuwsgierigheid, die al jaren door mijn kop gaat, heb ik geprobeerd te pakken.’
Hij waarschuwt andermaal dat hij niet over zichzelf schrijft, maar dat hij slechts gebruikt maakt van zijn eigen emoties en gevoelens als een van de bronnen voor zijn literatuur. In Dünya zijn het ook twee mannen die plotseling vadergevoelens krijgen, en wier psychologieën hij onderzoekt.
De volgende stap. Een nieuwe omgeving en een nieuwe tijd moeten verzonnen worden. Een BBC-documentaire bracht hem bij de Eerste Wereldoorlog. Geen loopgraven, maar de slag bij Gallipoli, een meer aan de randen van het collectief bewustzijn schuilende gebeurtenis uit die oorlog.
Zijn oude redacteur Anthony Mertens weet wel waarom Lieske vervolgens Turkije uitkoos. Zijn debuutroman Nachtkwartier speelt er ook, en volgens Mertens is dat een mislukte roman. Nachtkwartier bestaat, vindt Mertens, uit een Hollandse familiegeschiedenis en uit een dooltocht door Turkije, maar nergens vormen de twee verhalen samen een roman.
Mertens besloot destijds om dit Lieske in een lange brief uit te leggen. Daarop vroeg Lieske hem als redacteur.
‘Dit,’ zei Mertens over Dünya, ‘is de revanche van Tomas op Nachtkwartier. Die kritiek van mij zinde hem niet. Hij heeft gedacht: ik ga eens even revanche nemen op die Mertens.’
‘Zegt-ie dat? Een revanche?’
Geconfronteerd met de opmerking van Mertens veert Lieske op en roept uit: ‘Ir-ri-tánt! En hij heeft nog gelijk ook.’
Inderdaad zijn er momenten dat Dünya aan Nachtkwartier doet denken. Destijds zeulde de mannelijke hoofdpersoon opeens over een onverharde weg met een peuter op zijn arm door het Turkse platteland, hier zijn het twee mannen met een baby op de arm die een halve eeuw later door hetzelfde desolate landschap sjokken.
Hij doet er zelf nogal licht over, maar de mensen om hem heen verzekeren dat zijn documentatiedrift ongekend is. En inderdaad, als in Dünya een luchtschip wordt gebouwd, vliegt de technische kennis je om de oren: Metzeler- en Continental-materiaal, en Siemens & Halske-Sh-14A-motoren kunnen wél maar Maybach-zescilindermotoren kunnen niet gebruikt worden. Alles moet kloppen. Als er sigaren voorkomen, dan heeft hij het merk uit een vakblad voor de tabakshandel gehaald.
Wel zegt hij zich er voor te wapenen dergelijke informatie te nadrukkelijk op te voeren.
‘Je wordt gek van schrijvers waarvan je denkt: o ja, gaan we eerst vertellen hoe dat in mekaar zit? Want dan denk je als lezer: kan d’ruit.’
Al die tijd doet hij zijn best om géén verhaal te bedenken voor in het boek. Dat wil hij per se niet.
Na anderhalf jaar documenteren is het tijd voor de schrijffase, die ook weer anderhalf jaar duurt. Daartoe trekt hij naar het buitenland. Alleen zijn aantekeningen mogen mee, geen boeken. Het Parijse appartement waar hij Gran Café Boulevard schreef, bekostigde hij met het prijzengeld van de Librisprijs die hij voor Franklin ontving. Het appartement in Berlijn, waar hij Dünya schreef, bekostigde hij deels met subsidie. Zijn vrouw Nan heeft haar werk zo ingedeeld dat ze met de trein naar hem toe kan reizen om van donderdagavond tot maandag bij hem te zijn.
Gevraagd of hij dan eindelijk het verhaal gaat bedenken, reageert hij geprikkeld.
‘Nee, nee, want... en dan? Moet ik het nog opschrijven ook! Stomvervelend! Dat vind ik echt stomvervelend. Dan heb ik het verhaal bedacht en dan zou ik het nog moeten gaan zitten schrijven ook.
‘Ik pak een onderwerpje. Ik ga een verhaal schrijven over iemand die met een schip van Londen naar Gallipoli vaart. Dan schrijf ik een verhaal over een man die een kind probeert op te voeden in het Turkije van 1929/1930. En ik schrijf een verhaal over dat hij stoker is op een boot. En dan ga ik weer wat verzinnen.
‘Op een gegeven moment komen er dan vragen: hoe komt-ie aan dat kind? Wie is zijn vriendin dan? En wie is de moeder van dat kind? Hoe komt-ie op die boot? Nou, hup: dat is nog een verhaal, en nog een verhaal, en nog een verhaal. Voor Dünya heb ik er achtenvijftig gemaakt.’
Dan komen er schema’s aan de muur met gegevens over de verschillende verhalen. Het is dan een jaar na aankomst in de vreemde stad en Lieske heeft nog een half jaar voor compositie en montage. Zijn redacteur komt langs en in een lange wandeling vertelt hij zijn verhaal.
‘Ik wil dan zoveel mogelijk vragen krijgen. En als ik geen verklaring heb, zit ik met een probleem dat ik op moet lossen. Op die manier kom ik vaak achter fouten.’
Als het manuscript af is, wordt het naar Holland verstuurd. Ook Willem Jan Otten krijgt een exemplaar in de bus. Hij leest het en rijdt vervolgens naar Parijs of Berlijn om Lieske op te halen en hem met de auto weer naar huis terug te brengen. Onderwijl kan urenlang over het manuscript gesproken worden. Juist omdat Otten zo’n andere schrijver is, vindt Lieske zijn commentaar belangrijk.
Het valt op hoe georganiseerd hij werkt om ongeorganiseerde momenten te creëren waarop de fantasie los mag gaan en de wildste verhalen kunnen opborrelen. Daar in dat buitenlandse appartement mogen ze pas opkomen. Daar ook mag hij verschrikkelijk veel verhalen en scènes weer door de stortkoker donderen. Dankzij die methode van zoveel verschillende verhalen kan het niet zomaar helemaal misgaan. Ditmaal bleven er wel achtenvijftig over.
Professor Jan Konst, hoogleraar Niederländische Philologie aan de Freie Universität Berlin, nodigde Lieske in Berlijn uit voor gastcolleges. De methode van Lieske fascineert hem: ‘Lieske schrijft honderden bladzijden die hij allemaal weggooit. Het lijkt wel of hij naar andere steden reist om daar in een universum te stappen dat hij daar creëert. Hij zoekt die vreemdheid op. Hij sluit zich af en hij wil ook niet gestoord worden. Hier in Berlijn klaagde hij over een teveel aan afspraken, in Parijs was hij helemaal anoniem geweest.’
Pas elders lukt het Lieske om de ontvankelijkheid voor zijn fantasie helemaal open te zetten. ‘Dat,’ zegt Konst, ‘is het moment waarop de tekst gaat leven. Dan gaat de tekst met de schrijver aan de haal.’
Lieske herkent het en zegt: ‘In mijn hoofd ontploft de werkelijkheid dan even. De beelden in mijn hoofd gaan met de werkelijkheid aan de haal.’
3. Hij wil best vertellen...
... dat hij uit een gezin kwam met een vader die schilder was en eigen baas. Dat zijn vader zich net iets beter voelde omdat hij eigen baas was. En dat die man het liefst de nieuwe villa’s die hij schilderde zelf had vormgegeven. Dat hijzelf de enige was thuis, die boeken las. Maar doet dit er veel toe? Er is Nabokov, en Shakespeare en Tsjechov en Vermeer. Hij wil vertellen over de lessen die hij van de grote kunstenaars heeft geleerd.
Nabokov
Of: boeken zijn kunstwerken en dragen geen boodschap uit.
Een paar jaar geleden wilde Lieske een groep vrienden eens flink fêteren en bedacht dat het leuk zou zijn om voor de aardigheid de gasten het diner uit Nabokovs Ada voor te schotelen. Anthony Mertens herinnert zich nog de fanatieke wijze waarop Lieske tekeerging. Het moest exact zoals bij Nabokov, en daarom was de schrijver voor diverse soorten kaviaar, gekleurde wodka en foie gras speciaal naar Parijs afgereisd. De gesprekken waren van niveau. Tijdens het diner liet Willem Jan Otten vallen dat hij Willem Frederik Hermans niet kon waarderen als essayist en Lieske herinnert zich hoe daarop Mertens, met bijval van Tom van Deel, repliceerde met een betoog van een kwartier, waarin hij haarfijn uitlegde waarom Hermans zich in zijn romans een briljant essayist betoont. Tussen de discussies en de dinergangen door werden teksten van Nabokov voorgedragen en een aanzienlijk aantal flessen pomerol ontkurkt.
Volgens Mertens is Lolita de grondtekst voor alle boeken van Lieske. Lieske zelf zegt dat Nabokov hem heeft overweldigd. Maar bij de tweede of derde keer lezen voelde hij zich op de een of andere manier belazerd.
‘Hij probeert je met zijn taal, zijn hartstocht en zijn gevoelens in te pakken. Totdat je aan kleine dingen gaat merken dat er iets niet in de haak is. Maar wáárom wordt mijn sympathie toch gewekt? En waarom ga ik met die man mee? Hij weet zijn misdaad zo te verkopen dat je gewoon zegt van ja. Je leest natuurlijk alleen maar zijn verhaal, maar toch ben je verkocht.’
Lieske is het er niet mee eens dat Nabokov geen onderscheid zou maken tussen goed en kwaad.
‘Dat doet hij wel. Maar hij doet het verstopter. Hij doet het veel geraffineerder dan wanneer het er rechtstreeks staat. Je moet er zelf achter komen en je mag zelf een oordeel vellen. Daar ben ik een groot voorstander van, dat je niet aan lezers opdringt wat zij moeten vinden.’
Lolita lezend besefte hij ook dat je niet over een boek kan praten als het uit is en weggelegd. Dat dan in feite alleen maar een verhaaltje overblijft. Op het moment dat je leest, kom je met iets in contact dat wanneer je het boek dichtslaat weer weg is. Dat is de kracht van stijl.
‘Beeld en stijl zijn voor mijn gevoel de twee krachtige pijlers waar je het boek mee maakt, om het duur te zeggen: waar je het kunstwerk mee maakt. En Nabokovs stijl is zó briljant. Je geniet op het moment dat je het leest. Met een boek kun je niet, zoals bij een schilderij ineen oogopslag het geheel zien en de compositie in je opnemen. Je moet lezen en dat is een tijdrovende kwestie. Achteraf zeg je dan: het was heel mooi, maar wat precies was nou heel mooi? Teruggaan, lezen en weer zien hoe die zin zo mooi gebouwd is.’
De nieuwe roman Dünya laat zich lezen als een variant op Nabokovs beroemde verhaal. Net als in Lolita krijgen we minimale aanwijzingen dat ook het meisje iets seksueels heeft beleefd in alle nachten dat de zelfbenoemde vader met zijn puberdochter samen naakt in bed sliep.
Shakespeare
Of: hoe strategische ondoorgrondelijkheid de psychologie van de personages centraler doet staan.
Eigenlijk vindt Lieske dat wij bij al onze problemen, ons eerst moeten afvragen hoe Shakespeare ze zou hebben opgelost. Hij begint meteen over Hamlet, het werk waarmee Shakespeare in Lieskes ogen een nooit voor mogelijk gehouden stap voorwaarts zette. Shakespeare veranderde zijn bronmateriaal op twee essentiële punten. Van de moord op Hamlets vader maakte hij een heimelijke, zodat er in het toneelstuk opeens een geest aan te pas moet komen om Hamlet op de schuld van zijn oom te wijzen. En omdat niemand Hamlet van wraakzucht kan verdenken, is de eigenlijke reden van zijn voorgewende krankzinnigheid weggenomen.
Aldus, zegt Lieske, creëert Shakespeare een strategische ondoorgrondelijkheid. Alle aandacht in het stuk is gericht op Hamlets gemoedstoestand en de beslissing die hij gaat nemen. Hoe minder gemakkelijk die gemoedstoestand en beslissing logisch te verklaren zijn, hoe centraler de psychologie van Hamlet komt te staan.
Iets eenders gebeurt bij King Lear. Weer was de oorspronkelijke bron logischer. Daar is de liefdestest voor de drie dochters alleen maar een truc om de lievelingsdochter een huwelijkskandidaat op te dringen. Bovendien is de test in het stuk helemaal niet nodig, want in de eerste scène blijkt het rijk al in drieën gedeeld.
Het idee van Lieske luidt: in de stukken van Shakespeare worden expres dingen raadselachtig gemaakt omdat zo de weg wordt vrijgemaakt voor een andere dan de niet zo interessante logische verklaring. Het gaat om iets dat dieper zit. Om iets dat in het gedrag van mensen op de een of andere manier meer te zeggen heeft dan logische verklaringen doen.
‘Die strategische ondoorgrondelijkheid is essentieel voor alle literatuur en zeker ook voor wat ik met literatuur probeer.’
Tsjechov
Of: hoe belangrijk is realisme nou eigenlijk?
In het toneelstuk Drie Zusters van Tsjechov worden op het toneel twee foto’s gemaakt.
‘Daarop staan personages die in het begin, bij de eerste foto, redelijk gelukkig zijn. Maar op het einde wordt nog een foto gemaakt en daarop dóén ze wel gelukkig, maar jij weet dat ze helemaal niet gelukkig meer zijn. Dat is de kracht van Tsjechov: je weet hoe de personages zich voelen, je hoort ze het een zeggen, maar je weet dat ze in hun hoofd het andere denken.’
In de film Paura e Amore van Margarethe von Trotta is de situatie van Tsjechovs stuk naar Italië verplaatst. De mensen zijn jonger en het militaire milieu is voor een academisch ingeruild.
‘Die film is veel realistischer. Bij het toneelstuk weet je gewoon de hele tijd dat het toneelspelers zijn, en op het moment dat die foto op toneel gemaakt wordt, dringt dat even helemaal tot je door. Maar in de film kun je je echt verliezen. Alleen, toen ik de film gezien had, dacht ik: mooi gefilmd, maar ik heb wel het idee dat ik er van een afstand naar heb zitten kijken. En dat was níét de ervaring die ik bij het toneelstuk had, Daarbij had ik het gevoel alsof ik constant ín de kop van die mensen zat.’
Een derde laag is vervolgens een fotoboek dat Lieske aantrof met foto’s uit het Rusland van 1860 tot 1917. Het soort militairen en adel dat Tsjechov in het toneelstuk portretteert, staat er in. Het zijn foto’s zoals de foto die op het toneel wordt gemaakt er in het echt uit zou zien. Realistischer kan bijna niet.
‘Dus nou hebben we een trits van toneel-film-foto’s, waarbij de realiteit oploopt naar maximaal, maar tegelijkertijd loopt de behoefte en de mogelijkheid om in de kop van die mensen te gaan zitten, terug naar nul! Want die mensen op die foto’s blijken me helemaal geen moer te interesseren.
‘Dus is het belangrijk dat het realistisch is? Nou, dat is nog maar de vraag. Tsjechov, de minst realistische, vond ik uiteindelijk de meest boeiende, omdat ik bij hem met mijn gedachten in die mensen zit. Daar gaat het om!’
Vermeer
Of: het gaat om het geheim.
In het Mauritshuis is het flink vol. Lieskes Querido-collega Kees ’t Hart banjert met een stoere pet op dwars door de toeristen heen. Hij weet wel waar de doeken van Vermeer hangen. Aangekomen in de juiste zaal loopt hij recht op het Gezicht op Delft af en wijst triomfantelijk naar het doek: ‘Dáár staat nu een hele grote supermarkt.’ Lieske sluit aan en samen speuren ze naar het fameuze gele vlekje dat Marcel Proust in zijn A La Recherche du Temps Perdu opvoerde.
Omgedraaid naar het Meisje met de parel, wijst Lieske erop dat de brug van haar neus niet zichtbaar is. Dat lijkt een fout, want indertijd moest alles zo echt mogelijk zijn.
Lieske heeft een oorspronkelijke visie op Vermeer. Hij weet dat Vermeer net zo natuurgetrouw probeerde te schilderen als Carel Fabritius, die in 1650 ook in Delft kwam wonen, zijn Puttertje schilderde. Maar Vermeer idealiseerde ook, zijn vrouwen hebben een vochtige glans op de lippen en zachte contouren.
‘Prachtige kleuren, perspectief dat heel bijzonder is, allemaal waar, maar daar gaat het volgens mij niet echt om. Het gaat om die enorme concentratie die hij heeft nagestreefd bij zijn modellen, omdat hij dacht: daarmee kan ik het zo werkelijk mogelijk maken. Dat is niet anders dan wat ik als leraar heb gezien. Ga nou eens kijken naar een kind dat heel erg geconcentreerd bezig is om iets op te lossen. Dat vind ik ongelooflijk ontroerend. Op het moment dat kinderen, maar ook volwassenen, bezig zijn met iets, geven ze zich volkomen prijs. En dat is precíés het tegenovergestelde van wanneer ze poseren. Want wanneer ze poseren, hebben ze een enorm masker voor gekregen en proberen ze goed voor de dag te komen.’ Vermeer schildert dus geen portretten, maar zet de beweging van iemand die geconcentreerd bezig is, even stil.
‘Op het moment dat je ziet dat iemand zich concentreert, kom je in de kop van diegene te zitten. Dit heb ik verbonden met wat ik van Tsjechov leerde. Het heeft te maken met dat naar binnen gaan. Het erachter komen wat mensen denken en wat ze willen verbergen. Dat ik kan zitten raden wat in de kop van dat model gebeurt.’
Het geheim van de kunstenaar is zijn kostbaarste goed.
4. Een van de eerste mogelijkheden...
... om wat met zijn fantasie te doen bood de Haagse Montessorischool, waar hij net als zijn vrouw Nan lessen Nederlands gaf. Jaarlijks gingen ze met de leerlingen een toneelstuk opvoeren. En omdat de bestaande stukken hem niet geschikt leken, schreef hij maar nieuwe stukken. Volgens oud-leerlingen werd er fanatiek gespeeld en was de voorstelling befaamd. Lieske en zijn vrouw waren nog twintigers en spraken de leerlingen aan als mede-volwassenen. Na de repetitie ging men samen naar de kroeg en ook werd er met de hele groep bij Lieske thuis gelogeerd.
Karen de Bok, nu programmamaakster bij de VPRO, is oud-leerlinge en later hecht bevriend geraakt met het echtpaar. In de vierde klas kreeg ze de hoofdrol toebedeeld.
De Bok: ‘Hij had een enorme bos met krullen en strakke t-shirts aan. Ja, hij was hip en niet onaantrekkelijk. Het was enorm stimulerend om met hem te praten over toneel en literatuur. Leraren en leerlingen waren in die tijd ook meer één. Ik was op een gegeven moment wel verliefd op hem en ik denk hij ook wel op mij. Maar ik vond dat zo’n cliché dat ik het heb tegengehouden. Hij heeft die gevoelens ook nooit misbruikt.’
Zijn vrouw Nan vond de toneeltijd heavy.
Nan: ‘Als-ie iets op poten zet, dan gaat-ie er helemaal in. Dus ook de vakanties en alle avonden hadden we het erover. Mijn God. Dat was echt heel vermoeiend. En we gingen met ze naar het café. Het waren geen kinderen, het waren onze vrienden.’
‘Tja,’ zegt hij zelf, ‘ik denk altijd: doen we het goed of doen we het op z’n lulligs? Goed? Okay, dan gaan we ook heel hoge eisen stellen. En dan wordt het voor die kinderen leuk.’
Een andere oud-toneelklant, Erik Lindner, zegt dat Lieske zelfs heel streng was
Lindner: ‘Hij bepaalde wat er gebeurde. Tegelijk sprak hij je aan als een gelijke, een intelligente volwassene, ook als je dertien was, zoals ik. Hij was tegelijk hartelijk en afstandelijk.’
Karen de Bok vraagt zich af of ze zo geïnteresseerd in gesprek had kunnen gaan met al die pubers.
De Bok: ‘Ik was toen jong en dan ben je rechtlijnig, maar zo scherpte hij zijn ideeën. Het ging om wat je in Nederland te weinig hebt, dat je je eigen ideeën aan elkaar scherpt en zo samen verder komt. Verder vind ik hem super-Nederlands. Hij heeft iets calvinistisch, duidelijke regels voor hoe het leven moet. De potloden op zijn bureau zijn altijd geslepen en je moet ze liever niet aanraken.’
Als het over vroeger gaat, waarschuwt ze wel dat de tijdgeest erg is veranderd.
De Bok: ‘Toentertijd was het bijvoorbeeld heel normaal om je af te vragen waarom je zo nodig kinderen zou moeten nemen. Nan en hij zijn heel erg op elkaar gericht, maar hun open huwelijk was toen ook iets heel normaals. Ze hebben wel geluk gehad dat geen van de twee écht verliefd is geworden op een ander. Hij vertelde me ook: degene met wie je bent, is altijd nummer één. Dus als je een nacht weg geweest bent, dan ga je de volgende dag iets voor die ander doen, heel lekker ontbijten of zo. En: je vertelt elkaar nooit over seks met de ander.’
‘Daar had hij dus ook regels voor, voor een open huwelijk,’ lacht ze.
Weer dat dubbele. Het doet denken aan zijn schrijfmethode: aan de ene kant wilde, ongecontroleerde drift. Daartegenover de fanatieke poging die te organiseren en structuur te geven. Tot in regels voor overspel aan toe.
Zelf spreekt Lieske meewarig over de tijdgeest: ‘De jaren zeventig waren natuurlijk ook wel krankzinnig. Je had een soort onuitgesproken afspraak dat je niet jaloers moest zijn. Want dat was kleinzielig en je moest de ander maar gevoelens en eigen relaties gunnen. Zo ergens in de jaren tachtig moesten we constateren dat we daar nu heel anders tegenover zouden staan.’
Terugdenkend vindt hij het moeilijk om te zeggen wanneer ze precies hebben besloten geen kinderen te nemen.
‘Er zijn meer redenen geweest. Ik heb wel altijd het idee gehad dat ik wilde schrijven en volgens mij ging dat ten koste van een kind. Oók een typisch voorbeeld van de jaren zeventig: ik ben wel op erg jonge leeftijd gesteriliseerd. Ik was begin dertig en of je daar dan goed over nagedacht hebt, dat weet ik nog niet eens. Maar het ging heel gemakkelijk. Het was een kwestie van afspraak maken op maandag, er werd niet gesproken met mijn vrouw, en op donderdag kon ik komen met een strakke onderbroek en een handdoek. En klaar.’
Nan, een kordate en goedlachse lerares, is vijf jaar jonger dan haar man. Omdat ze op haar vijftiende de bibliotheek uit had, kwam ze bij die oudere jongen boeken lenen. Ze rookte gelijk haar eerste sigaret, een Caballero, en een paar jaar later was ze getrouwd.
De literatuur bleef het uitgangspunt van hun relatie. Inmiddels moet ze commentaar op zijn boeken geven en ja, dat is best vervelend. Er worden twee dingen van haar verwacht: een kritisch oordeel én dat ze het een goed boek vindt. Bij het manuscript van Gran Café Boulevard gebeurde er iets vreemds. Volgens Lieske klapte ze in elkaar.
Nan: ‘Toen ben ik echt jaloers geweest. Ik ben nooit jaloers geweest in de jaren zestig, want dat mocht niet toen. Maar op die Pili uit Gran Café Boulevard ben ik echt jaloers geweest. Janken! Nóg kan ik dat mens niet uitstaan. Die werd voor mij zó echt. In zijn hoofd was hij daar in Parijs gewoon constant met een andere vrouw bezig geweest!’
Als je de poëzie weghaalt, zei hij bij de uitreiking van de VSB-prijs, hou je alleen nog maar over ‘oorlog, onderdrukking, de concentratiekampen van Bush enzovoorts’. Zulke uitspraken doet hij zelden, beaamt hij.
‘Geen schrijver kan zich onttrekken aan de werkelijkheid. Maar waarom zou ik me rechtstreeks moeten uitspreken over een maatschappelijk verschijnsel? Als sommige schrijvers dat kunnen: niks op tegen. Maar stel het niet als een verplichting.
Ik heb al het idee dat ik mezelf er vrij rechtstreeks mee bemoei hoor. Kijk, als ik een roman (Dünya) schrijf over Turkije en daar komen Nederlanders in voor die zich niet staande kunnen houden in een min of meer vijandige omgeving, heb ik het dan niet op de een of andere manier ook over de omgekeerde situatie hier in Nederland? Ze moeten me straks niet vertellen dat als ik naar de Eerste Wereldoorlog ga, dat een vlucht is uit het heden. Die situaties zijn op een groot aantal punten vergelijkbaar, maar ik vond het niet nodig om daar een briefje bij te geven.
Kijk, Maarten ’t Hart schrijft leuke dingen over tuinieren op kleigrond en over geloof, maar hij gebruikt het ook in zijn romans. Soms heb ik het gevoel dat-ie te veel de les die hij in zijn column uitlegt, verplaatst naar een roman. Dat de lezer het idee moet krijgen: o, ja, geen vlees eten want dat vindt die hoofdpersoon ook.’
5. Dichtbundels, romans, prijzen en een eigen schrijfmethode...
... mag dit werk dan wel blijven bestaan? Hoeft dit niet de stortkoker in nu het project schrijver worden is geslaagd? Het hoeft niet te worden vernietigd, maar Lieske blijft zoeken. Natuurlijk, het is fijn dat Jan Konst het heeft over ‘intrige-rijke literatuur met een sterk verhalend karakter, in een voortreffelijke stijl’ en Lieske een van de belangrijkste stemmen van deze tijd noemt, Maar Konst zegt ook dat Lieske een ‘enorme’ ontwikkeling doormaakt.
Schoorvoetend geeft hij toe dat er wel iets verandert.
‘Ik ben erachter gekomen dat bepaalde vreemde zijsprongen het toch niet halen in een boek. En ik wil wel in contact blijven met de lezer. Willem Jan Otten schrijft kortere boeken en kapt alles af wat van het doel van het boek afleidt. Dat vind ik een manier van schrijven die mij niet bevredigt. Maar al die gesprekken met hem hebben wel invloed op mij gehad.’
Naast hem in een Haags café zit collega-schrijver Kees ’t Hart ?mokkend te luisteren. Vroeger werd hij steeds maar postmodern genoemd, zegt hij, zelf vond hij de gedachtenspinsels van zijn helden hyperrealisme.
Lieske: ‘En je blijkt een veel gekkere geest te hebben dan de ?lezers.’
’t Hart: ‘Ja.’
Lieske: ‘Dat is bij mij precies hetzelfde!’
’t Hart: ‘Ik denk: zo denkt iedereen.’
Lieske: ‘Ja! Da’s toch normaal?’
’t Hart: ‘Da’s toch normaal!’
Lieske: ‘Bij Frankin zeiden een heleboel mensen dat dingen niet realistisch waren omdat ze zo in de werkelijkheid niet gingen. Ik zei: zo gaan ze wél’
’t Hart: ‘Ik blijf net als jij denken: realisme? Wat bedoel je? Ik ga niet Flaubert doen.’
Lieske: ‘We vinden dus allebei dat we realistisch schrijven terwijl een ander dat niet mag zeggen. Ik wil niet door een ander als realist gezien worden.’
’t Hart: ‘Haha, nee!’
Lieske: ‘Ik hecht toch aan die krankzinnigheid.’
’t Hart: ‘Maar! Dat is realistisch.’
Lieske: ‘Maar een ander...’
’t Hart: ‘Nou ja, zeg. Moeten we geen pilletje innemen?’
Andere onderwerpen passeren de revue. Ze pochen over hoe goed ze tegen kritieken kunnen en ze komen min of meer tot de conclusie dat ze een vermoeden hebben van een diep geheim bij zichzelf, een diep inzicht, dat ze niet kaal kunnen formuleren en dat ze ook voor zichzelf geheim willen houden.
‘En toch weet je,’ zegt Lieske, ‘terwijl je het boek schrijft over dít onderwerp, dat kies jij uit en dat heeft ergens mee te maken en op de een of andere manier raakt dat iets, maar wat weet je niet.’
’t Hart: ‘Waarom schrijf ik ? En waarom schrijft Tomas? Als ze dat vragen, ga ik in mystiek gemompel zitten.’
Lieske: ‘Je kunt de tijd versnellen tijdens het schrijven. In één boek kun je het hebben over een compleet leven. Je kunt over grenzen heenstappen. Je kunt beschrijven wat er gebeurt als iemand doodgaat. In je werkelijke leven moet je daar veel langer voor wachten.’
Dan moet Kees ‘t Hart er vandoor. Hij mag vanavond mee voetbal kijken in de bestuurskamer van S.C. Heerenveen.
6. Op een nacht...
... vlak voor het verschijnen van Gran Café Boulevard gebeurde het. Zelf dacht hij dat hij een flink griepje had, maar Nan kreeg hem midden in de nacht opeens niet meer wakker. De ambulancezuster gooide hem van het bed en sprong boven op hem. Er moesten defibrillators aan te pas komen. Al snel lag hij in het ziekenhuis.
Na een serie hartaanvallen bleek hij in coma te zijn geraakt. Bijna dood lag hij dagenlang op de intensive care. Door met ijs een lagere lichaamstemperatuur te bewerkstelligen, moest aantasting van de hersenen door zuurstof-?gebrek worden voorkomen.
Karen de Bok: ‘Er lagen ijsdekens over hem heen. Hij had grauwblauwe lippen.’
Op ijs, het was van een sarcasme zoals alleen het noodlot dat kent. Juist hij die debuteerde met De ijsgeneraals en die het ijs zo vaak als metafoor gebruikt, zoals in Franklin om de kilte van de personages aan te geven. Het verhaal ‘Onze sprakeloze volwassenheid’ (uit: Gods eigen kleinzoon) gaat zelfs over een jongen die in een sneeuwkelder een meisje bewaart, dat hij er vastgevroren in het ijs, heeft aangetroffen.
De hartaanvallen bleven elkaar opvolgen. Anthony Mertens werd op de uitgeverij gebeld, de eerste berichten waren dat Lieske dood zou gaan.
‘Ik was kerngezond, dacht Lieske destijds. ‘Ik drink wel te veel, ik ben nogal onmatig daarin. Maar ik rook al heel lang niet en ik beweeg redelijk goed.’
Toen hij, heel langzaam, weer ontdooid werd, was de grote vraag: is er hersenletsel? Met andere woorden: in hoeverre bestaat Tomas Lieske nog. Er was geen schade, al duurde het even voor het geheugen weer naar behoren functioneerde. Inmiddels is hij gedotterd, slikt medicijnen en heeft ‘een apparaat’ in zijn borst. De periode, meent hij, heeft geen enkele invloed gehad op zijn werk. En ook in Dünya is er niks van terug te vinden. ‘Ik ga niet ineens daarover schrijven.’
Het is Karen de Bok opgevallen dat hij na de hartaanvallen met meer liefde over kinderen praat. Soms lijkt het alsof hij ze mist.
De Bok: ‘Vlak bij het huis in Berlijn waar hij Dünya schreef, was een speeltuin. Hij vertelde me dat hij daar vaak ging kijken en dat de spelende kinderen hem ontroerden. Hij had graag een dochter gehad, denk ik. Maar hij had geen kind kunnen hebben. Je kunt niet zo gedreven zijn als hij en dan ook nog kinderen opvoeden.’
7. Het jongetje dat speelde in het puin...
... het broertje dat voor korte tijd een getraumatiseerd zusje kreeg, de leraar die ook toneel wilde maken, de krullenbos met zijn open huwelijk, de gesteriliseerde echtgenoot en gemankeerde schilder - waarom is hij uiteindelijk geslaagd als schrijver? Kennelijk kon hij zijn woelende gedachten zo wél het juiste podium geven. Niet alleen de schokervaringen uit zijn jeugd of een halve kinderwens, maar ook het nare, het onaangename, dat in al zijn boeken sterk aanwezig is.
Want veel lezers van zijn boeken valt het direct op, zo hoort hij op voorleesavonden, is de kwaadaardige en gewelddadige ondertoon van veel van de personages. Het is zo. In Nachtkwartier doet de hoofdpersoon niks als hij wordt gebeld omdat zijn moeder sterft. In Gran Café Boulevard besodemietert de hoofdpersoon willens en wetens zijn geliefde. En in Dünya wordt een meisje de informatie over haar afkomst onthouden.
Al die beelden en scenes worden nog eens extra gruwelijk doordat ze gemixed en ambigu zijn. Koud en dood ligt een meisje in het ijs mooi te zijn in een rode jas die warmte suggereert. Het meisje uit Gran Café Boulevard ziet die lynchpartij in de liefdevolle armen van haar vader. En als het kindje in Dünya bijna sterft, stellen de twee mannen zich voor hoe ze haar begraven door grote stenen op de tedere kinderhuid van haar gezichtje te leggen - nooit is die nieuwe roman mooi zonder onbehaaglijk te zijn, en ook nooit is hij naar zonder tevens tederheid te tonen. Lieskes personages zijn altijd tragisch in de klassieke zin des woords.
Maken en vernietigen. Die tegenstrijdige krachten schuilen niet alleen in Lieskes boeken, maar beheersen ook zijn werkmethode en zijn persoon. Grondig voorbereid trekt hij naar Berlijn of Parijs om ter plaatse op uur U de organisatie los te laten en zijn fantasie uit te leven. Als leraar op school was hij streng én hartelijk. De vrije seks beleefde hij met vaste regels. Hij leeft gezond maar drinkt teveel.
Appolinische, op structuur gerichte krachtenzijn verwikkeld in een gevecht met de barbaarsere Dionysische krachten. De ex-schilder vond uit dat hij kan schrijven, daar waar de twee elkaar ontmoeten en even, botsend en stotend, gelijk optrekken. Ook bij Liekse ligt in die ontmoeting de geboorte van de tragedie.
Má svrchovaná laska, Le petit fils de Dieu en personne, Londra’da bir gün. Zo klinken de titels van Lieskes oeuvre in het Tsjechisch, Frans en Turks. Zijn Duitse uitgever zegt dat het geen eenvoudige klus is om Lieskes proza te vertalen.
Gunnar Cynybulk, van Aufbau Verlag in Berlijn, proefde Franklin en vond het ‘werelds, exotisch, fantastisch. Iets wat ik in Duitse romans zelden tegenkom.’ Het woordgebruik zelf is niet het heikele punt bij het vertalen. ‘Lastiger is het om auf Deutsch de toon precies te raken. Ook zijn lyrisch-poëtische stijl, het ritme en de metaforen zijn breinbrekers voor de vertaler. ’ Na Franklin verscheen Gran Café Boulevard in Duitsland, op dit moment zwoegt een vertaler op Mijn soevereine liefde.
Jubelende recensies zijn nog niet verschenen in de Duitse kranten. ‘Franklin kreeg niet veel én niet veel goede recensies. Gran Café Boulevard werd iets vriendelijker ontvangen,’ zegt Cynybulk. ‘Het genie Lieske is nog niet ontdekt.’
De verkoopcijfers van Lieskes romans liggen ‘onder de tienduizend’, zegt de uitgever discreet. Verwacht hij dat Duitse lezers en journalisten Lieske binnenkort massaal zullen omarmen? ‘De boekenmarkt is zo onvoorspelbaar. Ik durf er mijn geld niet op te zetten.’ Over de vertaling van Dünya twijfelt hij nog. ‘Zijn er bij jullie al recensies over geschreven?’
De laatste anderhalf jaar ontmoette Cynybulk de schrijver zo nu en dan in Berlijn. ‘Heel moedig dat Lieske Nederland durfde te verlaten en al zijn tijd en geld investeert in een nieuwe roman. Ik was wel verbaasd te horen dat het niet in Berlijn speelt, maar in Turkije.’
Henk Pröpper, directeur van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, doet er alles aan om Lieske in het buitenland te promoten. Na Duitsland en Frankrijk, nu alleen nog de rest van de wereld, te beginnen bij Europa. Pröpper: ‘Tomas Lieske nemen we altijd op in onze halfjaarlijkse brochure “10 Books”, die we meenemen naar buitenlandse beurzen. Dünya komt er ook weer op. Dat Lieskes romans niet alleen in Nederland spelen, maar ook in Spanje, Frankrijk of Turkije maakt hem voor het buitenland interessant.’ Maar Mijn soevereine liefde, gesitueerd tijdens de Tachtigjarige Oorlog in Spanje, is niet aangekocht door Spaanse uitgevers. Over dat onderwerp hadden ze al zo’n honderdvijftig romans in hun fonds.
Al is Lieske wat buitenlandse verkoopcijfers betreft nog geen Nooteboom, De Moor of Enquist, hij wordt wel steeds vaker uitgenodigd. Door literatuurhuizen, schrijversfestivals en Balie-achtige organisaties. Maar ook als ‘writer in residence’ heeft hij lesgegeven in Duitsland en Frankrijk. ‘Dat is minstens zo belangrijk,’ zegt Pröpper. ‘Daarbij komt dat Lieske niet zo’n botterik is die zichzelf het allerbeste vindt. Zijn zelfspot ligt goed, zeker bij de Duitsers.’
Pröpper denkt dat de schrijver die in Leiden zijn keuken staat te verbouwen, de meeste kans maakt om buiten ons land door te breken. Komend najaar vertrekt Pröpper dan ook naar de Frankfurter Buchmesse met een Engelse proefvertaling van Dünya onder zijn arm. Kijken wat er gebeurt.
Anne Versloot
De librisprijs: de auteur waant zich president, bloemen vullen het huis... en de messen worden geslepen
Voor zijn prozadebuut Oorlogstuinen kreeg hij de Geertjan Lubberhuizenprijs 1993. Lieskes volgende roman Nachtkwartier dong mee naar de Libris Literatuurprijs 1996. Met Franklin was het vijf jaar later raak. Na een vijfgangendiner in het snikhete Amsterdamse Park Plaza kreeg Lieske uit handen van juryvoorzitter Winnie Sorgdrager de oorkonde en de cheque van 100.000 gulden. ‘Voor een boek waarin stilistisch machtsvertoon verrassend blijkt samen te gaan met zachtheid en lichtheid.’
Toen de televisiecamera’s die avond zijn kant op zwenkten, voelde de auteur zich ‘heel even de president van de Verenigde Staten’. De eerste dagen na zijn bekroning stroomden de telefoontjes van familie, vrienden en vroegere buurmeisjes binnen. Zijn huis veranderde in een bloemenzee – hij kampte met een acuut vazenprobleem. ‘Zelfs de burgemeester stuurde een bloemstuk.’
Niet iedereen was gelukkig met Lieske als winnaar. De jury, die verder bestond uit Aukje Holtrop, Willem van Toorn, Marjoleine de Vos en Georges Wildemeersch, kreeg harde kritiek. Bij de bekendmaking van de nominaties waren al de eerste stekelige stukjes verschenen over het feit dat vijf van de zes genomineerden bij dezelfde uitgeverij hoorden. Querido was hofleverancier met Bernlef, Frank Noë, Wanda Reisel, Toon Tellegen en Tomas Lieske. Nummer zes was Meulenhoff-auteur Erwin Mortier.
Daarnaast werd de jurykeuze behoudend, braaf en bloedeloos genoemd. Vooral Lieskes Franklin werd te licht bevonden, een devaluatie van de prijs. Maar auteurs als Robert Anker (goede vriend van Lieske) en de vorig jaar overleden Louis Ferron vonden het juist een dappere keuze, omdat Lieske geen toegankelijke literatuur schrijft. Volgens Anker was het anti-Lieske-gekrakeel een ordinaire hetze.
Gevoelig punt was dat juryleden en genomineerden elkaar wel erg goed zouden kennen uit Amsterdam-Zuid. Het Algemeen Dagblad meldde: ‘Slechts Tom van Deel, criticus van Trouw, prijst elk boek van Lieske de hemel in. Van Deels vrouw Marjoleine de Vos is dit jaar jurylid.’
Voorzitter Sorgdrager kan zich de kritiek nog goed herinneren. Heeft ze het zich erg aangetrokken? ‘Niet echt,’ zegt ze droogjes. ‘Maar een misschien niet zo voor de hand liggende keuze, roept altijd reacties op.’ En over het feit dat de juryleden en genomineerden veelal dezelfde postcode hadden: ‘Tja, als je iets negatiefs zoekt, is er altijd wat te vinden. Ik heb er in elk geval niets van gemerkt. Ik vind Franklin nog altijd een prachtige, ja, héftige roman, met getraumatiseerde personages die op de rand balanceren. Zo knap neergezet. ’ Daarna heeft ze nooit meer iets van Lieske gelezen. ‘Bij toeval,’ haast ze zich te zeggen. ‘Ik lees boeken, geen auteurs.’
De Libris-jury, zo klonk in de wandelgangen, was niet unaniem geweest. Sorgdrager geeft toe dat er ‘lang en ernstig vergaderd’ is, maar dat kwam doordat de genomineerden zulke verschillende romans hadden geschreven. Moeilijk te vergelijken. Mede-jurylid Aukje Holtrop beaamt dat. ‘Iedere genomineerde had een liefhebber in de jury.’Anne Versloot
Tomas Lieske
1943 Op 8 juni als Ton van Drunen geboren in de Haagse wijk Bezuidenhout
1972 Gaat lesgeven aan de Montessorischool te Den Haag, waar hij ook de toneelvoorstellingen zal organiseren
1974 Studeert af in de Nederlandse Taal- en Letterkunde in Leiden, met als onderwerp Simon Vestdijk
1978 tot 1982 Studie dramaturgie in Amsterdam
1983 Vernietigt zijn schildersoeuvre, verzint het pseudoniem Tomas Lieske en vangt aan met een serieuze poging om schrijver te worden
1987 Debuteert met de dichtbundel De ijsgeneraals
1987 tot 1996 Redacteur van literair tijdschrift Tirade
1993 Geertjan Lubberhuijzenprijs voor de verhalenbundel Oorlogstuinen
1995 Publiceert eerste roman Nachtkwartier
2001 Libris Literatuurprijs voor zijn tweede roman Franklin
2003 Ligt vijf dagen in coma na een reeks hartaanvallen
2007 VSB-poëzieprijs voor dichtbundel Hoe je geliefde te herkennen. Publicatie roman Dünya
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




