Perlmann's zwijgen - Pascal Mercier
Wie een trein door loopt, ziet er altijd wel iemand in lezen: Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier. De roman van de Zwitserse schrijver is in vele talen vertaald en zoiets als een worldseller. Toen Mercier onlangs Amsterdam bezocht ter gelegenheid van de vertaling van zijn eerste roman Perlmann’s zwijgen sloeg er een golf van ‘exclusieve’ interviews door de grote dagbladen.
De tekens zijn nauwelijks mis te verstaan: met Mercier is een groot schrijver opgestaan.
Pascal Mercier is het pseudoniem voor Peter Bieri die in het dagelijks leven hoogleraar filosofie te Berlijn is. Onder zijn eigen naam publiceerde hij in 2001 Het handwerk der vrijheid. Over de ontdekking van de eigen wil. Hij had toen al twee romans op zijn andere naam staan. Hoewel het gebruik van een pseudoniem voor zijn literaire werkzaamheden een scheiding suggereert tussen de academicus en de romanschrijver, liggen beide toch in elkaars verlengd.
Wat Bieri en Mercier gemeen hebben, is hun onderzoek naar de vrije wil van de mens, de mogelijkheden van zijn handelen en de verantwoordelijkheid van het individu voor zijn daden of juist dadenloosheid. In Het handwerk der vrijheid schrijft Bieri dat hij alle filosofische geschriften die hij over de wil van de mens gelezen heeft, terzijde schoof om zelf te peilen wat hij ervan vindt. Op systematische wijze analyseert hij vervolgens dit onuitputtelijke onderwerp dat de menselijke geest vanaf het eerste moment van zijn (religieuze) zelfreflectie heeft beziggehouden. Bieri wil het menselijk handelen eerst en vooral begrijpen door de wetmatige voorwaarden ervan te ontdekken.
In Merciers spannende ideeënroman Perlmann’s zwijgen zijn we vanaf de allereerste bladzijde getuige van de hopeloze desintegratie van Philip Perlmann. Langzaam maar onherroepelijk valt de alom gerespecteerde hoogleraar taalkunde uit de van woorden gesponnen cocon van zijn bestaan. Hij twijfelt aan de voorwaarden van zijn leven, verliest de controle over zijn handelen en begrijpt de samenhang tussen de dingen niet meer. In de loop van de roman wordt die innerlijke desintegratie ook zichtbaar: zijn kleren scheuren, raken besmeurd met modder en bloed en zelf verdwijnt hij door een flauwte tijdelijk uit de wereld. Maar erger dan dat is de morele ontsporing van zijn denken.
Suikerspin van verhalen
Al in de openingsscène van dit boek is duidelijk dat Perlmann niet meer in dialoog is met de wereld. Hij kijkt uit het raam met een woordenboek op schoot alsof hij moet opzoeken wat hij ziet en wil begrijpen. De dingen hebben voor hem geen tegenwoordigheid meer, hij leeft naast of achter ze, maar niet in het hier en nu.
De werkelijke tegenwoordigheid ontstaat pas door de bereidheid je zonder enige schroom over te leveren aan de vluchtigheid van de belevenis. Het symbool voor die tegenwoordigheid was Perlmanns vrouw, de fotografe Agnes. In tegenstelling tot Perlmann, die de werkelijkheid in de taal zoekt, was zij altijd op zoek naar het juiste moment in de wereld om haar heen om er foto’s van te maken. Zij is twee maanden daarvoor overleden en mogelijk is die fatale gebeurtenis de oorzaak van Perlmanns verval. Mogelijk, omdat Perlmann’s zwijgen juist gaat over de invloed van taal op de herinnering. Het ik, denkt Perlmann, is een suikerspin van verhalen rond een loze kern, een spinsel van verhalen die steeds anders verteld worden. Herinneren is ook verzinnen.
Perlmann is tot het verlammende inzicht gekomen dat hij niets meer te zeggen heeft en misschien wel nooit iets te zeggen heeft gehad – en dat terwijl hij op het punt staat een taalwetenschappelijk onderzoeksproject te leiden op initiatief van het bedrijf Olivetti. Bevreesd voor ontmaskering had Perlmann tot op het laatste moment willen afzeggen. Maar hij durfde niet en met slaappillen gewapend wacht hij in een Italiaans hotel aan de zonovergoten Golf van Tigullio op zijn internationale vakbroeders. Gezamenlijk zullen zij een week discussiëren over hun nieuwste inzichten in de manier waarop de taal het menselijk gedrag en de geest beïnvloedt.
Vanaf het moment dat de andere zeven deelnemers zijn gearriveerd, trekt Perlmann zich meer en meer in zijn kamer terug. Als het hem daar te benauwd wordt, verlaat hij het hotel om in het stadje Santa Margherita zijn heil te zoeken. Hij verschijnt nauwelijks bij de gemeenschappelijke maaltijden en als hij de bijeenkomsten noodgedwongen voorzit, is zijn enige gedachte hoe hij de boel zo kan arrangeren dat hij als laatste aan de beurt is om zijn lezing te houden. Koortsachtig berekent hij steeds opnieuw zijn kansen. Als ik eenmaal goed op dreef ben, denkt hij voor de zoveelste keer, kan ik heel snel schrijven. Om goed in een onderwerp te komen heb ik een dag nodig. Of twee dagen. Dan heb ik nog negen dagen over. Zeventig, tachtig werkuren. Ik kan het nog voor elkaar krijgen.
Vermolmde versperringen
De enige momenten dat Perlmann rust heeft en een zeker innerlijk evenwicht herovert, is als hij zich op zijn kamer zet aan de vertaling van een tekst van zijn Russische collega Leskov. Hij heeft Leskov eerder ontmoet op een congres in Sint-Petersburg. Leskov had grote indruk op hem gemaakt met zijn verhandeling over de rol van taal bij de vorming van herinneringen. Perlmann had ook Leskov een uitnodiging voor het mini-congres gestuurd, maar omdat hij niet het benodigde uitreisvisum kreeg, had deze hem zijn tekst gestuurd in de hoop op Perlmanns wetenschappelijk commentaar.
De passages die Mercier wijdt aan de vertaaldrift van Perlmann behoren tot de sterkste van de roman. Voor Gerda Meijerink, de onvermoeibare vertaalster van alweer een omvangrijke Duitstalige roman, moet het boek alleen daarom al een genot geweest zijn om te vertalen. Over het vertalen, de rol van de vertaler en het onvermijdelijke ‘lost in translation’ is al veel geschreven en je moet van goeden huize komen wil je daar nog iets aan toevoegen. Dat doet Mercier dan ook niet, maar hij maakt wel aanschouwelijk wat abstract gefilosofeer over het vertalen kan betekenen. Ik begreep opeens meer van Walter Benjamins beroemde en tegelijk hermetische tekst De opgave van de vertaler. Volgens Benjamin is de vertaler onder meer te prijzen omdat hij de vermolmde versperringen in de eigen taal uit de weg ruimt. Mercier levert daar aan de hand van Perlmanns gezwoeg en vreugdes de concrete beelden bij, waardoor zichtbaar wordt wat Benjamin bedoeld kan hebben. In zijn vertaling laat de vertaler het vertrouwde achter zich, hij verovert een nieuwe ruimte en daarmee ook een nieuwe identiteit.
Vertalen biedt Perlmann de mogelijkheid zich om te dichten in een andere taal. Als hij met Evelyn Mistral in zijn beste Spaans een kort gesprek voert, vervoert de vreemde taal hem. Hij bekent haar, ook al komt hij zichzelf als een mysticus voor, dat je in een vreemde taal een ander kan worden, zelfs al zeg je in wezen hetzelfde als in je eigen taal. Als Perlmann zich aan het vertalen zet, hoeft hij niet langer op wetenschappelijke wijze het fenomeen taal te analyseren. Nee, dan kan hij zich moeiteloos overleveren aan de stroom van zinnen van iemand anders. Het is denken zonder te geloven, praten zonder te beweren. Voor een man als ik, denkt Perlmann, een man zonder meningen, zou vertaler of tolk het ideale beroep zijn geweest. De ideale camouflage. De mooist denkbare ruimte is voor Perlmann een ronde kamer waarvan de wanden tot aan het plafond met woordenboeken zijn gevuld. Daar zou hij alleen nog maar langs die wanden lopen en almaar nieuwe zinnen in nieuwe talen vertalen.
Als er al sprake is van een zekere spanning tussen Mercier de vrije romanschrijver en Bieri de wetenschappelijke filosoof, dan lijkt die lucht te krijgen in Merciers verhandelingen over het vertalen. Hoewel Perlmann de taal het liefst zinnelijk beleeft, heeft hij zich in de analyse verschanst. Het is zijn tragiek dat waar hij de tegenwoordigheid der dingen zocht, hij de afzijdigheid vond.
Baldadige titel
De tekst van Leskov met de veelzeggende titel Over de rol van het vertalen bij het vormen van herinneringen krijgt Perlmann geheel in zijn greep. Niet alleen lukt het hem het bij vlagen ontoegankelijke Russisch in zijn eigen Engels om te zetten, ook kan hij er niet omheen de tekst als van hemzelf te beschouwen En dat te meer omdat Leskovs voorbeelden en ervaringen bijna woordelijk in Perlmanns eigen aantekenschrift staan. Als hij de vertaling voltooid heeft en voor eigen gebruik laat uittypen, herleest hij zijn aantekeningen nog eens en laat ook die uittypen onder de titel Mestre is niet lelijk. Deze baldadige titel dekt een tweede stroom gedachten over taal en is een voorbeeld van wat Perlmann ‘taalpuin’ noemt. Tegelijk belichaamt die het verzet van de jonge Perlmann tegen zijn vader die hem met zijn overgeleverde meningen en waarheden van zijn eigen werkelijkheidsbeleving afhield. Venetië, zo werd hem thuis bijgebracht, is mooi, maar Mestre is lelijk. Om deze taalversperring tussen zichzelf en de werkelijkheid uit de weg te ruimen, is Perlmann ooit naar Mestre afgereisd om zich van het tegendeel te overtuigen. Ook taalpuin frustreert de directe belevenis en de tegenwoordigheid der dingen.
Plagiaat
Bijna op hetzelfde moment dat Perlmann zijn teksten heeft ingeleverd, begint een drama van misverstanden en verandert de roman in een beklemmende en soms burleske pageturner.
Perlmann heeft Leskovs tekst laten kopiëren met de bedoeling die als zijn eigen bijdrage aan het eminente gezelschap te presenteren. Juist dan ontvangt hij het telegram met de aankondiging van Leskovs onverwachte komst. Om aan de dreigende en catastrofale beschuldiging van plagiaat te ontsnappen, bereidt Perlmann minutieus een auto-ongeluk met dodelijke afloop voor. Zijn morele zelfrechtvaardiging doorloopt vele stadia waarvan de belangrijkste is dat Leskov de man is die hem kan ontmaskeren. Er is geen andere oplossing, denkt Perlmann. Onderweg, als hij Leskov van het vliegveld heeft gehaald, en hij radeloos speurt naar een vrachtwagen waar ze tegen aan kunnen rijden, vertelt Leskov hem dat hij een verbeterde versie van zijn tekst bij zich heeft.
Omdat Perlmann ook niet postuum van plagiaat beschuldigd wil worden, stopt hij hals over kop langs de kant van de weg. Hij loopt om de auto heen, graait de tekst uit Leskovs koffer in de achterbak en legt de stapel papier onder zijn uitlaat. In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij hoe de tekst uiteengereten wordt en de blaadjes hoog de lucht in fladderen, alle kanten opgeblazen door passerende auto’s.
Het wegwaaien van die papieren is na al de gedachten over taal, herinnering en persoonlijkheid nog gruwelijker dan de uitgekiende moordplannen. Niet alleen wordt het vonnis met deze handeling voltrokken, ook gaat een unieke versie van de waarheid verloren. Even symbolisch is dat de werkelijke moord door gebrek aan slagkracht niet plaatsvindt.
Mercier voert de lezer mee op een steil pad van begrip, medeplichtigheid en verbijstering. Dat Perlmann Leskovs tekst als de zijne presenteert, is door hem goed voorbereid en ligt filosofisch gezien in de rede. Vertalen is immers ook een vorm van toe-eigening, net als lezen. Leskov vertalen, is Leskov worden, Perlmann lezen, is Perlmann worden. In dit talige spiegelkabinet is uiteindelijk niets meer wat het was of leek te zijn. Een waar verhaal over het verleden dat iemand heeft meegemaakt, bestaat niet, zegt Leskov. En als op het eind van de roman alles ogenschijnlijk weer op zijn pootjes is terechtgekomen, is de allerlaatste zin geen verrassing meer: er was niets gebeurd. Een zin die herinnert aan de veelbetekenende slotzin van Kellendonks De nietsnut: ‘U was al die tijd de enige weggebruiker.’
Ambitie of medelijden
Tijdens het lezen van Perlmann’s zwijgen moest ik regelmatig denken aan de romans van Nederlandse schrijvers uit de jaren zeventig en tachtig en hun grote voorbeelden Nabokov en Max Frisch. Het werk van Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing en Dirk Ayelt Kooijman zou model hebben kunnen staan voor Perlmann’s zwijgen. Bij hen hebben we het allemaal al eerder beleefd en gelezen: de werkelijkheid als constructie, de taal als de constituerende factor. Niemand die het verlangen naar tegenwoordigheid zo vitaal heeft verwoord als Oek de Jong in zijn Opwaaiende zomerjurken. Dat roept de vraag op of Mercier op onderhoudende wijze literaire en filosofische thema’s uit die jaren heeft gerecycled of juist op onnavolgbare wijze heeft verder gezet. In De nietsnut denkt Frits Goudvis: ‘Een ding wist ik nu zeker: ik wilde niet meer vertoeven in de eenzaamheid van de ziel waar je ijl bent en vluchtig en elke gedaante kunt aannemen die je wordt voorgespiegeld door je ambitie of medelijden.’ Een ding is zeker: deze optimistische gedecideerdheid van toen is Perlmann ten enen male vreemd.
Pascal Mercier, ‘Perlmann’s zwijgen’, Wereldbibliotheek, 623 pagina’s, € 24,90
