Over de liefde - Doeschka Meijsing

16-02-2008
Door Jeroen Vullings

Over de liefde, de nieuwe roman van Doeschka Meijsing, is een koersloos allegaartje over leven en liefdes van een oude lesbienne. Toch komt de schrijfster er mee weg.

‘Er is mij veel overkomen,’ klaagt de oude lesbienne Philippa van der Steur, ‘Pip’ voor intimi. Eerst is ze verlaten door haar partner – voor een man nog wel. Ook is ze letterlijk ten val gekomen, in onduidelijke omstandigheden – ze komt bij in het ziekenhuis met een schedelbasisfractuur. Het hoe en waarom van deze twee calamiteiten wil ze achterhalen.

Wat nog meer ter tafel komt in Doeschka Meijsings roman Over de liefde: een portret van allerhande zelfkantige kleinkunstenaars die Philippa treft in hun stamkroeg; nostalgische herinneringen aan een schooljuf op wie Philippa als bakvis verliefd werd; een reisje met haar drie broers naar een bouwval in Italië. In haar van zelfmedelijden doordesemde contemporaine bestaan is een belangrijke rol toebedeeld aan ene Jason, die zich over haar ontfermt.

Zo veel lijnen, plotjes en subplotjes kan een auteur als Meijsing (1947) aan, weten we van haar allurerijke, grootse en grootste roman De tweede man (2000). Maar in Over de liefde, een koersloos allegaartje, is dat niet het geval. Echter: ze komt er mee weg.

De makke van haar nieuwste moet ze zelf ook wel hebben gezien. Anders kies je niet voor een romantitel als Over de liefde, waarbij je eerder een essay verwacht. Die titel wil hier dan ook als noemer fungeren voor al die verspreide vertellingen, waarbij de verbindende schakel is dat ze te maken hebben met het leven van de in Amsterdam woonachtige ik-verteller Philippa.

Maar niet alleen via Pip en de thematiek van de liefde ziet Meijsing kans al die chaotisch overkomende anekdotes de schijn te geven van samenhang. Dat doet ze ook via subtiele magisch-realistische kunstgrepen. Met dank aan haar literaire held Gabriel García Már­quez, naar wie ze duchtig verwijst en zelfs een betekenislaag ontleent: dit is Philippa’s Kroniek van een aangekondigde dood.

Die kunstgrepen: eerst zagen de doktoren vanwege in haar neus lekkend hersenvocht een luikje in haar schedel; aldus krijgen de in haar hersenmassa opgeslagen herinneringen de ruimte. Ook komt ze tegen het eind van het boek wederom ten val, als ze bij een vriendinnenmaal ter ere van Jula (haar ex-partner) achterwaarts de gracht in plonst en besluit daar maar eens vrolijk een stuk te gaan zwemmen – al wordt ze opgevist, toch zwemt ze zo de vertelstroom uit.

In de publiciteit rond de verschijning van Over de liefde is door sommigen gewezen op het sleutelromangehalte van deze roman. Inderdaad kun je in het personage Jula en haar nieuwe geliefde de vroegere hoofdredactrice en de uitgever van Vrij Nederland zien. Maar Meijsing heeft die eventuele modellen niet zomaar vervormd. Over de liefde is méér dan een sleutelromannetje en Meijsing is te veel een schrijver om op dat toch wat armoedige genre haar kaarten in te zetten. Uit haar eerdere proza, vooral de wonderschone kleine roman 100% chemie (2002), weten we dat bij Meijsings treiterige spel met het autobio­genre hoort dat zij zich toelegt op de adem van het onechte. Ook haar als autobiografisch gepresenteerde proza leest als pure fictie; op een wonderlijke manier lijken het heerlijke leugens, verzonnen verhalen.

Bovendien roept vrijwel ieder ingrediënt in Over de liefde op om metaforisch te lezen. Zo heeft Pip opeens een hang naar een hout­kacheltje, iets dat Jula niet wil honoreren. Lees: ze verlangt warmte en dat kan haar partner haar niet meer bieden. Bovendien staat dat kacheltje voor het gemis van haar innig geliefde vader, die altijd met hout in de weer was. Lees je Over de liefde iconisch, dan weerspiegelt de koersloze vorm de door toeval bepaalde rol van de liefde in Philippa’s toch al wat passieve bestaan. Het lot is allesbepalend en dat overkomt haar. Wat haar rest is haarzelf.

De keuze voor zo’n eenzijdig perspectief is absoluut doorgevoerd in Over de liefde. Zo rept Pip, dwars tegen de beleefdheidsvorm in, van ‘ik en twee van mijn broers’. Maar over ijdelheid van een narcistisch personage is heen te stappen. Minder makkelijk lukt dat als Meijsing door dat gegeven zichzelf minder speelruimte geeft als romancier dan ze had kunnen hebben. Temeer daar ze met zo’n titel als Over de liefde geen geringe verwachtingen schept. Met alle respect, Pip is toch echt een maatje te klein en haar (amusante) wedervaren te minuscuul voor zo’n titel die Stendhals superieure essayistiek in zijn Over de liefde in herinnering roept – Meijsing denkt in haar boek dat vooral op anekdotes en stilistiek drijft nu eenmaal minder origineel en veelomvattend dan Stendhal. In zijn essay vergelijkt hij immers het begin van de liefde met de vorming van een zoutkristal. In een vergelijkbaar kristallisatieproces vormt zich de liefde, waarbij we de geliefde idealiseren.

Uiteraard analyseert Philippa de liefde voor en van Jula, maar dat lijkt meer op een dekristallisatieproces, zoals André Gide dat ooit malicieus benoemde: ze zoekt naar de tekenen dat het mis ging, dat hun liefde langzaam verbrokkelde.

Dat illustreert Meijsing op anekdotisch vlak overtuigend, maar haar Philippa slaagt er niet in zich te verplaatsen in Jula en haar beweegredenen om een ander te willen. In plaats daarvan is Philippa een en al gekwetste ijdelheid; ze koestert haar wrok en vlucht in gratuite theorietjes over mannen en vrouwen, lesbische en heteroseksuele liefde – alles om maar niet echt te hoeven nadenken. Wat we in plaats daarvan in dit ‘romanessay’ te horen krijgen is dat mannen naar huis willen; dat vrouwen een dak boven hun hoofd willen; dat mannen zich beheersen, terwijl vrouwen emotie en tranen verlangen.

Ook op psychologisch niveau stelt Over de liefde teleur. De vraag is niet waarom een lesbische vrouw opeens heteroseksueel wordt. De vraag is wat ze bij haar nieuwe partner, een
individu, denkt te vinden. Daarvoor moet je je willen verdiepen in die twee.

Daarmee is Over de liefde onder het literaire vernis vooral een therapeutisch sprookje: de verbeelding wordt ingezet ter verwerking van een diepere en duistere werkelijkheid die ons, de autobiografische suggesties ten spijt, niet voorgeschoteld wordt. Juist in handen van Meijsing was dat prachtige romanstof geweest. Dat Over de liefde ondanks deze gebreken literair divertissement biedt, komt doordat Meijsing bij vlagen schitterend en onbetamelijk geestig schrijft. V

Doeschka Meijsing, ‘Over de liefde’.
Querido, 276 pagina’s, € 18,95

Door Jeroen Vullings / 12 februari 2008 / ()