'Misfit' - Vincent Overeem & 'De jonge minnaar' - Frans van Deijl

Het leuke aan de zomer, waarin ter uitgeverij vrijwel 
niemand meer de telefoon opneemt, is dat nagenoeg onbekende literaire talenten dan hun grote kans krijgen. Het grove rumoer waarmee de kanonnen van de Literatuur Light – onlangs nog 
Leon de Winter – in de markt zijn gezet, 
is even gestaakt. Ruim baan voor minder courante namen die zich in het vrije
krachtenveld van de letteren mogen bewijzen.

Nieuwe liefdes

Niet alles wat in deze periode verschijnt, stemt automatisch tot vreugde – verre van dat. Maar twee romans verdienen in vergelijking met de meukige rest het voordeel van de twijfel: De Jonge Minnaar door Frans van Deijl (1957) en Misfit door Vincent Overeem (1974).

Wat die boeken grofmazig gemeen hebben, is dat ze over hedendaagse relaties gaan, liefdesgeschiedenissen bevatten. De Jonge Minnaar draait om de verhouding tussen de vers afgestudeerde beleggingsadviseur Alexander en zijn rijpe, de menopauze naderende hospita Martine.
In Misfit gaat veel aandacht uit naar de adolescentenliefde tussen de achttienjarige ik-persoon (een schoolverlater) en de twintigjarige studente Kaat.

Voorts zijn de (mannelijke) hoofdpersonen in beide romans zonderlinge types: Alexander omdat hij nu eenmaal zo is en de jongen uit Misfit vanwege een recent, huiselijk drama. Hun zeer verscheiden karakters bepalen het enorme verschil in temperament tussen deze romans.

Obsessieve vormen
De bedachtzame Alexander heeft eigenlijk genoeg aan zijn eigen binnenwereld; die stelt hem in staat de hem omringende werkelijkheid mooier te maken dan die is. Uiteraard krijgen ze wat, zijn willige hospita en hij, maar het fraaist is toch wat hij in haar wenst te zien, hoe hij haar handelingen en nogal gewone woorden een veelbelovende lading geeft. Hij is op haar uit, maar tegelijk schuilt er afstand in zijn half geprojecteerde affectie: doordat hij niet blind is voor haar plompe figuur, haar wat ordinaire trekjes en de gemeenzame uitdrukkingen.

Alexander is zo’n jongen die stamt uit de Frits van Egters-school – liefst wil hij Martines huisdier, een fret, wat aandoen. Of dichterbij in de literatuur: hij is familie van Arie Storms antihelden, van die wat lullige, indirect reagerende, passieve en van ironie doortrokken eenzaten – die in figuurlijke zin op vijf centimeter afstand van het Pieter Baan Centrum zitten.

Ook Alexander is niet helemaal goed bij zijn hoofd. Niet omdat hij valt op nogal oude mature-vrouwen, met dochters van zijn eigen leeftijd – sinds de uitvinding van het internet weten we dat daar veel liefhebbers van bestaan.

Erger is dat zijn amoureuze gevoelens obsessieve vormen aannemen. Bovendien ontpopt hij zich tot een gevaar voor zijn omgeving. Niet alleen Martines stinkende huisdier wil hij van kant maken, ook haar (getrouwde) minnaar Paul, een knoestige aannemer die het sneu vindt voor zijn echtgenote om haar te verlaten en daarom geen knoop doorhakt. Van meet af aan zit die gekte er al in bij Alexander; in een van de eerste scènes overweegt hij zijn ‘commandotouw’ te gebruiken teneinde in de tuin behorend bij Martines benedenwoning te geraken, zodat hij ongestoord kan loeren en zich vanuit het decente lover kan verlustigen aan haar genereuze rondingen.

Hard, direct
Nee, dan die jongen uit Misfit. Hij is helemaal weg van Kaat en hij uit dat gedreven, in nogal primaire zinnen, die natuurlijk ook wel horen bij zijn primaire belangstelling. Neuken wil hij (met Kaat), verder niets. Maar die wil na een tijdje niet meer.

Geen wonder, dat zit op een vervuilde 
etage, voedsel is nauwelijks voorhanden, interessante conversatie evenmin. Ze kijken naar een oude zwart-wittelevisie, met een gering aantal kanalen – op een gegeven ogenblik begeeft het ding het. Hygiëne staat bij de geile achttienjarige ook niet hoog op het prioriteitenlijstje; hij wast zich niet en stinkt.

Die jongen en zijn liefde voor de zo originele Kaat, we hebben het allemaal eerder (en beter) gelezen in Jan Wolkers’ Turks fruit.

De toon in dit boek denkt Overeem te kunnen lenen van Salingers The Catcher in the Rye – adolescenten krijgen daar maar geen genoeg van – maar hier leidt dat niet eens tot een behoorlijke karaoke, laat staan een eigen geluid. Overeem wil het hard, direct zeggen en vandaar regent het zulke zinnen. Opening: ‘Het was al weken over de dertig graden en we neukten niet meer.’ Liefde: ‘Al had Kaat de smerigste voeten van de wereld, dan nog zou ik bij haar blijven.’ Zelfinzicht: ‘Ik ben de domste lul die er ooit heeft rondgelopen.’ Visie op de wereld: ‘De hond van hierboven kakt hier in de struiken.’

Ook de preoccupatie van de jongen met onburgerlijk, onconventioneel gedrag hoort bij dat rebelse literaire voorbeeld. Het woord phoney valt nog net niet, maar hij, de jongen, is de misfit – vindt hijzelf. Hij past niet in onze samenleving, hij is beschadigd, maar acht zich ook erg authentiek.

Hamertenen
Toch is het de dicht-op-de-huid-stijl van Overeem die ervoor zorgt dat je de roman in ieder geval uitleest: je wilt toch weten of een reddende engel de protagonist verlost of dat hij dat zelf op een begenadigd slotmoment doet.

Nee. Dus zijn we overgeleverd aan de weinig boeiende intrige. Ze neuken, als gezegd, dus niet meer en Kaat slaapt op een nacht ergens anders. Hij jaloers. Veel gedachten over ‘thuis’ – de jongen is een weglopertje. Zijn broertje Krijn en zijn ouders, verwikkeld in een gestrand huwelijk, zijn achtergebleven. Alleen klopt dat niet, want tegen het einde blijkt dat zijn broertje dood is gegaan; onder onduidelijke omstandigheden verdronken in een plas. Eind goed al goed, want Kaat (die gewoon die nacht bij haar ouders was en helemaal niet uit neuken was geweest bij een ouwe vent met een stifttand, zoals het bange vermoeden was) is er voor hem. Tweehonderdvierenvijftig pagina’s duurde dat en dat is wel heel veel tekst voor wat Misfit biedt.

Wellicht móést Overeem Misfit schrijven. Het feit dat hij een verhaal (over een jongetje dat tragisch omkomt, en over daaruit voorspruitend schuldgevoel) uit zijn debuut, de verhalenbundel Novembermeisjes (2005) min of meer herneemt, lijkt daarop te wijzen.

Maar meer dan de sporen van een particulier blijvende urgentie die eventueel waardevol is binnen Overeems persoonlijk bestaan, bevat Misfit niet. Ik hoop van harte voor hem dat vroegvolwassenen die toe zijn aan hun eerste grote liefde, of die die initiatie net meemaken, daar anders over oordelen.

Zelf blijf ik helaas onbetrokken bij Misfit en dat is even sneu als een toneelvoorstelling bijwonen waarin de acteur met intense oogjes álles geeft, grote dramatische woorden bezigt om grote dramatische gevoelens mee te vangen, zonder dat dit iets teweegbrengt bij het maar al te ontvankelijke publiek, dat keurig een kaartje gekocht heeft en nu een kutavond heeft.

Zo is de uit de tekst gelichte kennis-
makingsdialoog tussen de stinkende jongen en Kaat, in de tram. Hij heeft net gewezen op haar blote benen – het is een koude zomer – en gevraagd of ze het niet koud heeft.
Zij: ‘Ben je soms bezorgd?’
Hij: ‘Misschien.’
Zij: ‘Wees maar niet bang, hoor... Ik ben juist heel warmbloedig. Kijk maar, totaal geen kippenvel. Ze zijn alleen nog wel een beetje te bleek, m’n benen, zie ik nu.’
Hij: ‘Goede slippers zijn dat.’
Zij: ‘Ik heb hamertenen. Maar niet doorvertellen, hoor.’
Zoals bovenstaande dialoog illustreert: de jongen en zijn Kaat gebruiken hun geest niet, ze blijven dicht bij wat ze kennen: hun lichaam. Dat mag. Hamertenen kunnen 
tenslotte uitermate vervoerend zijn, zoals alles op dit ondermaanse, maar niet in Overeems monotone weergave van lege, saaie levens, waartoe hij te weinig afstand houdt.

Madonna-fan
Frans van Deijl ziet daarentegen kans om in zijn ironisch-realistische zedenschets De Jonge Minnaar, waarin hij het circus van de liefde met al zijn variëteiten via de onthechte blik van Alexander beziet, juist die afstand op te heffen. Doordat hij Alexander keer op keer afstand laat nemen, bijvoorbeeld als hij wederrechtelijk in Martines dagboek neust en zichzelf daar als ‘droppie’ te boek ziet staan, slaagt hij erin een samenzweerderige band met de lezer te smeden: wij tegen de rest van de wereld, die gevuld is met idioten. ‘Droppie, las hij terug, en hij vond dat een vreselijke kwalificatie, al was het minder catastrofaal dan “scheetje”.’

Het zit ’m in bovenstaande zin in termen als ‘kwalificatie’ en ‘catastrofaal’, die de gewezen stewardess en Madonna-fan Martine nooit zou gebruiken. En tegelijk haalt hij zijn aanbedene naar beneden door haar een verschrikkelijk woord als ‘scheetje’ in de mond te leggen. Onterecht, want ook voor haar zijn er grenzen. Maar aldus lukt het Van Deijl op sluiks-geraffineerde wijze op de vierkante millimeter de lezer deelgenoot te maken en onvrijblijvend te betrekken bij Alexanders klotsende gevoelsgamma. En partij te laten kiezen, als een samenzweerder. Alexander mag tenslotte een antisociale lijp zijn, maar iemand die ‘scheetje’ zegt, verdient helemaal geen sympathie – dat spreekt.

Aldus komen we in de ogenschijnlijk wonderlijke situatie terecht dat een schrijver als Overeem die hyperrealistisch en natuurgetrouw over mensen schrijft, minder waarachtig portretteert dan de ironicus Van Deijl. Diens karikaturen zijn pas van vlees en bloed.

Ten slotte. De psychostyliste van de meno-pauze-generatie Joyce Roodnat prijkt zowaar op de achterflap van De Jonge Minnaar met een echte blurb: ‘Frans van Deijl durft wel, zeg.’
Helaas ontbreekt nadere informatie, zodat we niet te weten komen wat dat brutaaltje Van Deijl allemaal wel niet durft.

In ieder geval dorst hij een volwaardige roman te schrijven – die staat.

Vincent Overeem, ‘Misfit’, De Bezige Bij, 254 p., € 17,90
Frans van Deijl, ‘De jonge minnaar’, Contact, 174 p., € 16,95

 

Door Jeroen Vullings / 03 juli 2008 / ()