VN MediagidsMijn ergste vakantie: Dooie Chinezen in Suriname
18.08.2009
22-08-2009
Door Karin Amatmoekrim
Tegenwoordig weet Karin Amatmoekrim dat ze, als ze naar Suriname gaat, geen tochtjes meer met haar vader moet maken. ‘Dit bos was niet onschuldig mooi. Het was machtig en boos en allesverslindend.’
Vakantie is: niet naar Suriname gaan. Dat geldt althans voor de Surinamer in het algemeen, en voor mij in het bijzonder. Een Surinamer die teruggaat, doet dat namelijk vaak om familie te bezoeken. Heel fijn en gezellig, met als nadeel dat je die familie aan het einde van die vakantie weer achter moet laten. Dat is pijnlijk. En dus is Suriname voor de Surinamer geen echt vakantieland.
Een Nederlander kan daarentegen best op vakantie naar Suriname. Mooi weer, goedkoop en je kan er gewoon je moerstaal blijven praten. En dan is er natuurlijk de ongekend rijke natuur, die veel toeristen trekt. Mij trekt dat nou juist helemaal niet. Ik hou namelijk niet van een ongekend rijke natuur. Ik hou niet van avontuurlijk. Tegenwoordig weet ik wat te doen en vooral wat te laten, als ik naar Suriname ga. Ik moet, allereerst, geen tochtjes meer met mijn vader maken.
Mijn vader woont in Paramaribo. Hij is het best te omschrijven als een kruising tussen Crocodile Dundee en Jackie Chan. Als taekwondo-master van de zevende dan is hij zo ongeveer het vleesgeworden negatief van mij, de meest a-sportieve persoon die zijn wereld kent. ‘Als ik de tram pak, neem ik eerst een taxi naar de halte,’ zei ik eens, om uit te leggen hoe weinig ik beweeg. Hij vond het niet grappig.
Naast dat absurd sportieve, houdt mijn vader ook van jagen. Hij schiet op alles wat hij kan eten. Krokodillen noemt hij waterkip. Leguanen zijn boomkip. En hij eet net zo goed rode ibissen, of apen. Het wilde binnenland maakt Suriname voor hem het mooiste land ter wereld. Alleen al bij de gedachte om tussen hemelshoog opgeschoten bomen te staan, het groen ritselend van leven, lopen mij de rillingen over de rug. Ik vind mijn eigen tuintje al eng.
Toen ik mijn verloofde voor het eerst meenam naar Suriname, dacht mijn vader dat het leuk zou zijn om hem ‘de prachtige natuur van ons land te laten zien’. Al mijn innerlijke alarmbellen ten spijt, stemde ik in. Het was een onvoorstelbaar slechte beslissing.
Toen we de Land Rover inlaadden met koelboxen vol ijsblokjes, flessen Jack Daniels en boodschappentassen vol eten, dacht ik nog dat ik onderweg was naar een ruw-romantische picknick in een tropisch groen paradijs. Maar toen de weg ophield en we tot drie keer toe vast kwamen te zitten in modderig zand, en ik moest uitstappen om te helpen duwen (verloofde: ‘Ik zei toch dat je die slippertjes niet moest aantrekken!’), wist ik: dit komt niet goed.
We kwamen uiteindelijk aan op een verlaten plantage langs de rivier. Rondom een klein, kaal stukje grond stond een handvol vervallen huisjes. De stilte was er overweldigend. Ik moest toegeven dat het prachtig was. Het groen van de bossen. De stilte, de geur. Ik liet mijn blik langs de imposante, traag stromende rivier gaan. Toen zag ik iets geks. Een houten kerktoren, op een steenworp afstand van waar wij stonden, stak hulpeloos uit het dichterbij kruipende groen van het oerwoud. Mijn vader merkte mijn blik op.
‘Oude kerk van de slaven,’ lichtte hij toe. Het silhouet van een kerk, overwoekerd door ongenadig hongerige planten. Vermolmd hout, raamkozijnen zonder glas, griezelig als lege oogkassen. Dit bos was niet onschuldig mooi. Het was machtig en boos en allesverslindend. Ik geloof dat mijn fantasie op dat moment met me aan de haal ging, met visioenen van bosgeesten en eeuwenoude winti’s, toen mijn vader aankondigde dat hij en mijn verloofde zouden gaan vissen. Of ik ondertussen het eten wilde maken. Koken? Waar dan? Hij wees naar een van de houten krotten. Maar had ik dan geen water nodig, vroeg ik paniekerig – op zoek naar een way out. ‘Water haal je natuurlijk uit de rivier,’ antwoordde hij ongeduldig. Hij drukte me zijn jachtmes en een in folie verpakte kip in de handen (‘Maak je geen zorgen, hij is al geplukt’).
Dat wat hij de keuken noemde, was een klein vertrek in het houten krotje. Het was er snikheet. Een van insecten doortrokken tafel moest dienen als aanrecht. Ik stamelde dat ik geen snijplank had om de kip op te snijden. Hij liep naar buiten, brak een stuk van de veranda af, en overhandigde het me. Toen vertrok hij, mijn verloofde in zijn kielzog. Ik vervloekte ze allebei. En daar ging ik, de stadsmens, rijst wassen met bruin rivierwater. Zwetend boven de uien op mijn geïmproviseerde snijplank.
Dapper, ja, maar net toen ik me probeerde te herinneren hoe mijn moeder me had geleerd om kip in stukken te snijden, lang voordat ik op mezelf woonde en de voorgesneden kipfilet van Albert Heijn ontdekte, en juist toen ik me over de walging heen had gezet van de klauwen en ingewanden die een nauwkeurige poelier in plastic zakjes onder de buik van de vogel had vastgezet, draaide ik het beest op zijn rug en rolde zijn kop pardoes uit het gat waar zijn nek had gezeten. Ik gilde het uit. Het geluid deed me beseffen dat er verder niemand was, op heel die godvergeten oude plantage niet, en ik schreeuwde nog wat harder.
Het hielp, en ik kreeg mezelf weer een beetje in de hand. Dus, zoals het een goede dochter betaamt, deed ik uiteindelijk wat mijn vader had gevraagd. Toen de mannen terugkwamen, had ik een matig smakelijke bruine bonen met kip en rijst gemaakt. Waar ik zelf niets van at, omdat ik alleen nog maar aan die kop en ingewanden kon denken. Wat mij betreft had het avontuur hier kunnen eindigen. Leuk zo’n heel andere wereld, ja, zo kan het ook – I get it. En nu als de sodemieter terug naar de bewoonde wereld met airconditioning en zonder beestjes. Maar zo makkelijk kwam ik er natuurlijk niet vanaf. We bleven een nachtje slapen.
‘En weet je wat heel bijzonder is?’ vroeg mijn vader ’s nachts toen we bij het licht van een olielampje zaten te drinken (en levend werden verslonden door muskieten zo groot als Amsterdamse stadsmussen). ‘Dat hier nooit iemand komt. Terwijl het zo’n prachtige plek is. Heerlijk, hè, die stilte.’ Ik voelde al wat er zou komen, maar vriendlief was minder scherp en vroeg waaróm er dan niemand kwam. Ik zette me vast schrap voor het antwoord dat ik meer vreesde dan alle onthoofde kippen en krioelende beestjes bij elkaar. ‘Het spookt hier,’ antwoordde mijn vader. ‘Het is natuurlijk een plantage geweest. Dus je hebt de gekwelde slaven die hier terug blijven komen.’ Ik voelde de aanwezigheid van de oude kerk achter mijn rug branden. Ik wist zeker: als ik nu omkijk, zie ik dingen die ik van mijn leven niet meer zal vergeten.
‘Maar er zijn natuurlijk ook die Chinezen,’ ging mijn vader verder. ‘Chinezen?’ reageerde mijn lief nieuwsgierig. Ik wilde hem schoppen. ‘Ja.’ Mijn vader liet een strategische stilte vallen. ‘Er was hier een goudmijn, precies daar, achter de kerk.’ Hij wees achter me. Natuurlijk draaide ik me niet om. ‘De mensen uit deze streek wisten dat hier goud zat, maar niemand kwam het delven. Vanwege die geesten, natuurlijk. Ze wisten: als je dingen uit deze grond haalt, loopt het niet goed met je af.
Maar daar hadden de Chinezen niks mee te maken. Ze openden een mijn.’ Mijn vriend zat op het puntje van zijn stoel, ongeduldig wachtend op de rest van het verhaal. Ik schonk mezelf maar alvast een dubbele whisky in. ‘Aanvankelijk ging het goed. Ze vonden veel goud, en verdienden er ontzettend veel geld mee. Op een gegeven moment werkten er meer dan dertig Chinezen in die mijn. En op een dag, niet zo heel lang geleden, toen alle mijnwerkers aan het werk waren – geen van hen was buiten om te eten of te roken – stortte de mijn in. Zonder aanleiding. Gewoon. Ingestort. Het schijnt dat ze niet allemaal meteen dood waren. Reddingswerkers hebben dagenlang stemmen gehoord: gegil, gejammer. Maar hoe ze ook groeven, ze kwamen er niet bij. De grond had zich gesloten en liet zich niet meer openen. Tot de dag van vandaag hebben ze geen van die lichamen kunnen bergen. Ze liggen er dus nog steeds, die Chinezen. Ze zeggen dat je ze ’s nachts hoort klagen. Daarom komt er hier niemand.’
Hij stond op. Lief en ik keken hem sprakeloos aan. Hij gaapte langdurig. ‘Nou ja, mooi verhaal. Ik ga naar bed. Welterusten!’
Hebben we die nacht geslapen? Natuurlijk niet. Mijn vader bond zijn hangmat tussen twee bomen en liet ons in het huis slapen. We zetten de luiken open om iets van een briesje te vangen, maar de nacht bleef klam en heet. Door de open ramen vlogen van tijd tot tijd vleermuizen naar binnen die rakelings over onze gezichten scheerden. Ik hield mijn ogen dicht, bang als ik was om in de spooknacht een Chinees te zien oplichten. Toen eindelijk de ochtend aanbrak, bekende ik mijn vader dat ik dit nooit, maar dan ook nooit meer wilde doen. Hij vond me een watje, maar legde zich erbij neer dat zijn dochter niet uit hetzelfde hout gesneden is. Desalniettemin is mijn vader een risicofactor waarmee bij elk bezoek aan Suriname rekening gehouden dient te worden. Laatst was ik er weer. Hij wilde me mee uit nemen. ‘We gaan niet jagen, hoor,’ zei hij geruststellend. ‘Ik weet dat je niet graag de stad uit gaat.’ Het werd dit keer een etentje met een Chinese vriend van hem. ‘Hij heeft een heel bijzonder gerecht gemaakt, speciaal omdat jij er bent.’ ‘Wat dan?’ vroeg ik, enigszins gealarmeerd. ‘Hond,’ antwoordde hij eenvoudig. ‘Je vindt het vast lekker.’
Karin Amatmoekrim (Paramaribo, 1976) emigreerde in 1981 naar Nederland en groeide op in IJmuiden. Ze debuteerde in 2004 met de roman ‘Het knipperleven’. Begin dit jaar verscheen ‘Titus’ (Prometheus).
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




