VN MediagidsLucien Leuwen - Stendhal

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Recensie 01.09.2007

Door

Het mechanisme van de liefde

01-09-2007
Door Allard Schröder

Met Lucien Leuwen schreef Stendhal een politieke zedenschets van de Juli­monarchie. De spanning tussen het verlangen naar het geluk en het inzicht dat het misschien wel on­bereikbaar is, maakt Lucien Leuwen een getourmenteerd personage.

‘Liefde is zoiets als wat men aan de hemel de melkweg noemt, een fonkelende opeenhoping van duizenden kleine sterren, waarvan elk op zich vaak nog een nevel is. In de literatuur hierover lezen we over vier-, vijfhonderd kleine opeenvolgende, vrij moeilijk te identificeren emoties, waaruit deze hartstocht is samengesteld en die dan ook nog de minst fijne vertegenwoordigen en ook nog vaak de verkeerde omdat ze bijzaak in plaats van hoofdzaak zijn.’

Zo staat het in een ‘Eerste poging tot voorwoord’ dat Stendhal in 1822 voor De l’amour heeft geschreven, een boek dat een wetenschappelijke theorie van de liefde probeerde te zijn. Het citaat bevat zowel een hopeloze als een hoopvolle vaststelling. Hopeloos omdat een melkweg veel te vormeloos is om er ooit je weg in te kunnen vinden, hoopvol omdat er in die bijna oneindige veelheid van emoties kennelijk nog wel een rangorde van hoofd- en bijzaken bestaat, die de verliefde met inzicht in zijn aandoening nog kansen biedt.

In de roman Lucien Leuwen, in 1894, tweeënvijftig jaar na de dood van de auteur, verschenen, maar nu pas voor het eerst in het Ne­der­lands vertaald, is die melkweg van ontelbare sterren verbluffend helder aanwezig. Als romans al ergens over gaan, dan gaat deze roman voor een belangrijk deel hierover – al is er natuurlijk ook nog wel iets anders in gaande.

Cynische toon
Het decor van Lucien Leuwen is de wereld van wat de Julimonarchie wordt genoemd. Na de val van Napoleon in 1813 hadden de Bour­bons de troon teruggekregen, die ze in juli 1830 weer verspeelden toen de reactionaire en in geloofszaken steile Karel X na een door hem geprovoceerde opstand gedwongen werd afstand te doen van de troon ten gunste van zijn minderjarige kleinzoon Hen­drik V. Intussen hadden de liberalen in het parlement de voor verlicht versleten Louis-Phi­lip­pe tot koning uitgeroepen. De nieuwe vorst was een Bourbon van het huis Orléans en eerder door Karel X tot voogd van diens kleinzoon benoemd. De tegenstanders van Louis-Philippe ter rechterzijde, de ultra’s of de legitimisten, zoals ze ook werden genoemd, waren te vinden onder de hoge clerus en een groot deel van de adel en hun meelopers. Ze eisten de terugkeer van Karel X of de troonsbestijging van de door hem aangewezen opvolger. De aanhang van de nieuwe koning werd le juste milieu genoemd, ‘het juiste midden’, een vaak corrupte vergaarbak van succesvolle burgers en opportunistische adel. Ter linkerzijde daarvan stonden de republikeinen of, nog erger, de radicale Saint-Simonisten, die zowel door de legitimisten als le juste milieu werden verfoeid en door de overheid scherp in de gaten werden gehouden.

Met zo’n achtergrond is Lucien Leuwen onvermijdelijk ook een politieke roman, die echter vanwege de satirische en soms cynische toon van het tweede deel nooit had kunnen worden gepubliceerd in de periode van zijn ontstaan, de Julimonarchie. Het bewind van Louis Philippe zou pas in 1848 het loodje leggen, zes jaar na de dood van de schrijver. Stendhal zag ook wel in dat zijn roman op korte termijn geen enkele kans maakte te worden uitgebracht. Toch heeft hij pas in 1836, vier jaar nadat hij eraan begonnen was, het werk eraan gestaakt; twee van de aanvankelijk drie voorziene delen waren toen al min of meer voltooid.

Verveling
De handeling wordt gedragen door de tweeëntwintig jaar oude bankierszoon Lucien Leuwen, die ergens in het begin van de jaren dertig van de negentiende eeuw van de prestigerijke École Polytechnique werd gejaagd wegens – vermeende – republikeinse sympathieën. De schrijver houdt zich wijselijk op de vlakte omtrent het precieze jaar. ‘Het was ten tijde van een van die roemruchte dagen in juni, april of februari 1832 of 34.’ Leuwen is een intelligente, maar ook wat naïeve estheet die zich immuun acht voor de liefde. Zijn invloedrijke vader, de meest raadselachtige personage uit de roman, regelt voor hem een positie als tweede luitenant bij het zevenentwintigste regiment lansiers, dat in Nancy zal worden gelegerd, toentertijd een kleine stad, die vanuit Parijs gezien de diepste provincie betekende en die door Stendhal wordt beschreven als een bedompt en deprimerend oord waar zelfs de bomen een treurig bestaan leiden. Als Leuwen in vol ornaat met zijn regiment de stad binnenrijdt, valt zijn oog op een mooie jonge vrouw die de intocht uit haar raam gadeslaat. Hij let even niet op en valt voor haar ogen van zijn regimentspaard in de modder. Meteen koopt hij een peperduur raspaard om Nancy te tonen dat hij wel degelijk een goede ruiter is. Inderdaad blijft hij niet onopgemerkt en de adel van Nancy, voornamelijk bestaand uit verstokte legitimisten en hun meelopers, vraagt zich af wie die elegante jongeman toch is.

Intussen verveelt Leuwen zich gruwelijk, waarmee we bij een van hoofdthema’s van de schrijver zijn aanbeland: l’ennui, de verveling. Het is een bijna onaardse zielstoestand die vele gezichten heeft, maar grofweg kan worden samengevat als zo’n beetje alles wat in de weg staat van het geluk – le bonheur – die bijna extatische zielstoestand waarnaar al de romanhelden van Stendhal steevast op zoek zijn. L’ennui, dat zijn ook de onlustgevoelens, de ontevredenheid over het eigen onvermogen ooit het geluk te kunnen bereiken, dat wil zeggen: bemind te worden door de aanbeden geliefde en geheel in haar op te gaan. In Stendhals eerste roman, Armance, uit 1827, komt de hoofdpersoon dicht bij zijn doel, maar pleegt toch zelfmoord in de wetenschap dat hij het geluk nooit in al zijn volmaaktheid zal proeven. De spanning tussen het verlangen naar het geluk en het inzicht dat het misschien wel onbereikbaar is, maken Stendhals helden, en dus ook Lucien Leuwen, getourmenteerde personages, die door de auteur, ouder en wijzer dan zij en enkele illusies armer, met milde spot worden beschreven. Natuurlijk, Leuwen is een fat, die soms twee uur over zijn toilet doet en overdreven gevoelig is voor al het grove, lelijke en platvloerse in de wereld, dat een bron van onlust en dus van verveling voor hem is en hem in gezelschap soms geheel doet dichtslaan omdat hij fysiek niet in staat is ermee te communiceren.

Blozen en zuchten
Zodra Lucien toegang krijgt tot de salons, de plek waar het Frankrijk van de Restauratie zijn veldslagen levert, en met een charmeoffensief de harten van de kleinsteedse haute volée van Nancy verovert, vraagt hij zich af of hij een van de dames aan wie hij is voorgesteld, zal proberen te veroveren, tot hij Bathilde de Chasteller ontmoet, dezelfde jonge vrouw die hem vanuit haar raam in de modder heeft zien vallen.

Stendhal heeft daarmee zijn hoofdpersonages in stelling gebracht. Een steenrijke, fraai geüniformeerde jongeman uit Parijs – maar niet van adel – met vooruitstrevende denkbeelden die hij eigenlijk beter voor zich kan houden, wordt in een provinciegat verliefd op een jonge, mooie en rijke weduwe, die samenwoont met haar vader, een oude reactionaire markies die doodsbang is dat hij bij de eerstvolgende revolutie wél zijn hoofd zal kwijtraken. Deze Bathilde de Chasteller is even vroom als kuis en behoort zoals alle adel in Nancy tot de legitimistische partij. Leuwen kent haar als een gestalte achter het raam, zij hem als de officier op het mooie paard, die vaak aan dat raam voorbij rijdt.

Op een bal spreken ze elkaar voor het eerst. Vier hoofdstukken lang laat Stendhal de details van hun ontmoeting zien en de verwarring die die bij hen teweeg brengt. Op deze momenten moet de lezer onwillekeurig aan Marcel Proust denken, die hier niet eens zo ver weg is. Overigens zijn het vrij onbeduidende gebeurtenissen en gesprekken die beschreven worden; we krijgen ze niet alleen uit het gezichtspunt van Leuwen, maar ook vanuit het hoofd en vooral het hart van Bathilde. Altijd weet de lezer meer van de protagonisten dan zij van elkaar. Stendhal laat daarbij zien hoe die melkweg aan emoties van de liefde die liefde ook danig in de weg kan zitten, omdat de gelieven aan hun signalen steevast een verkeerde interpretatie geven of er gewoon blind voor zijn of omdat de vormen die de negentiende-eeuwse provincie in acht neemt het openlijk tonen van die emoties domweg verbiedt. Het is immers de tijd die buiten Frankrijk ook wel Biedermeier wordt genoemd, de tijd van de steelse blikken, het blozen, het zuchten, de vapeurs. Dat de salon als een slagveld kan worden gezien, blijkt ook uit de strategische manoeuvres van de gelieven en hun rivalen, uit het positie kiezen en de nauwkeurige terreinverkenningen en uit de terugtrekkende bewegingen na een tactische blunder.

Als steeds is Leuwen het slachtoffer van zijn eigen overgevoeligheid, overal ziet hij zichzelf falen. Als hij in een opwelling Bathilde een kus op de hand geeft, is haar verschrikte blik genoeg om hem in de zwartste neerslachtigheid te dompelen en hem te laten overwegen zich terug te trekken in een klooster, een wel erg drastische reactie, maar niet ongewoon voor de naïeve en toch ook wat geëxalteerde Leuwen. Bathilde de Chasteller vergaat het overigens niet veel beter, ze schaamt zich voortdurend voor haar gevoelens en is bang dat iedereen ziet dat ze een erg groot zwak voor Leuwen heeft.

Nu begint het ook tot de salons van Nancy door te dringen dat het tweede luitenantje met al zijn geld en zijn verkeerde politieke loyaliteit – als militair dient hij immers de Juli­mo­nar­chie – wel erg veel aandacht aan Ba­thil­de de Chas­tel­ler besteedt. Deze bemiddelde schoonheid hadden sommige jonkers voor zichzelf gereserveerd. De zaken dreigen verkeerd uit te pakken voor Leuwen, maar het ingrijpen van de lokale chef van de legitimis­ti­sche partij voorkomt erger. Door diens toedoen is Leuwen getuige van een valse onthulling over het verleden van madame de Chas­tel­ler. Verpletterd door wat hij gezien meent te hebben, keert Leuwen gedesillusioneerd, maar nog altijd verliefd, terug naar Parijs.

Het mechanisme van de liefde heeft Stend­hal altijd bezig gehouden, zowel in de praktijk als in de theorie. Het eerste deel van Lucien Leuwen als een paradigma van zijn opvattingen. Maar is het wel zo gefingeerd? Ik wil de vrouwen in Stendhals romans niet vergelijken met die in zijn leven, en zelfs als ik dat zou doen, zou ik merken dat zo’n vergelijking uiteraard maar ten dele opgaat. Vast staat dat zijn jarenlange onbeantwoorde liefde voor Mathilde Dembowski voor hem altijd een bijna levende werkelijkheid is gebleven. De Mathilde uit Le rouge et le noir heeft zo in de Bathilde van Lucien Leuwen een opvolgster gevonden. Naast de onbereikbare geliefde is er dan altijd de wat oudere vertrouwelinge die ook met meer dan alleen genegenheid naar de held kijkt, een rol die in Le rouge et le noir vertolkt wordt door madame Renan en later in La chartreuse de Parme door de flamboyante Gina Sanseverina. Ze is het contrapunt van de aanbedene, geen tegenspeelster omdat ze haar rol niet kan overnemen. In La chartreuse de Parme wordt Gina van vertrouwelinge bijna geliefde, het ene moment dat dit had kunnen gebeuren, is omgeven met een zwaar incestueus parfum dat echter al gauw weer verwaait. Ook in Lucien Leuwen is er plaats voor een dergelijke vrouwenfiguur, zij het dat de schrijver haar nu over verschillende dames heeft verdeeld.

Levensgenieter
Bevatte het eerste deel van de roman veel liefde en een beetje politiek, in het tweede deel is het omgekeerd. Het voorwoord geeft al aan dat het Stendhal te doen is om een politieke zedenschets van de Julimonarchie, opgehangen aan de handel en wandel van een destijds bekende minister in zijn nadagen.

Op aandringen van zijn vader wordt Leuwen de naaste assistent van de minister van binnenlandse zaken, de graaf de Vaize, die een cocktail aan vervelende eigenschappen bezit: achterdocht, ijdelheid, opvliegendheid, omkoopbaarheid. Aanvankelijk zijn ook nu de salons weer het slagveld, in het bijzonder die van de ambitieuze parvenue madame Grandet. Hoewel Flaubert Lucien Leuwen nooit heeft kunnen lezen, is dit personage – een van die kleine mensen die van de grote wereld dromen – in sommige opzichten een voorloopster van Emma Bovary.

Het Frankrijk van de Julimonarchie was een politiestaat en bezien vanuit het standpunt van het hedendaags fatsoen staat Leuwen dan ook aan de verkeerde kant. Al in Nancy moet hij met zijn regiment verhinderen dat geknecht werkvolk zich probeert te organiseren. Hoewel in zijn hart liberaal, achtte Leuwen het zijn plicht aan zijn vader bij het leger te dienen, zoals hij ook trouw aan een afspraak met zijn vader de minister zal dienen. Een dergelijk plichtsbesef is een typische eigenschap van Stendhals helden. Zo sputtert Leuwen ook niet tegen als hij door de minister wordt ingezet om in Caen te voorkomen dat een partijganger van zijn chef zijn parlementszetel zal verliezen aan iemand van wie de bewindsman in de kamer wel eens heel veel last zou kunnen krijgen. Onderweg in Blois wordt Leuwen door de menigte ontmaskerd als een agent van de minister en met modder bekogeld. Halsoverkop verlaten Leuwen en zijn assistent, de cynische vrijdenker Coffe, de stad. De vernederingen en het vuile werk dat hij moet opknappen, brengen Leuwen van zijn stuk. ‘Ik ben een kind,’ zegt hij met tranen in de ogen tegen Coffe. ‘Zeker niet,’ antwoordt deze koeltjes, ‘je bent (...) een van de bevoorrechte mensen van deze eeuw en je hebt nooit iets onaangenaams hoeven doen.’ Niettemin blijft de hele missie Leuwen als een steen op de maag liggen.

De verkiezingen in Caen zijn een van de hoogtepunten van de roman. Ze zijn vormgegeven op een manier die volstrekt modern aandoet. Tot op het laatste moment blijft het spannend of alle machinaties resultaat zullen hebben. Leuwen en Coffe zijn eigenlijk al te laat om nog iets recht te kunnen zetten, bovendien denkt de plaatselijke prefect dat zijn politieke dagen geteld zijn wanneer Leuwen succes heeft met zijn manipulaties en rijdt hem daarom waar hij kan in de wielen. Leuwen bedenkt een list. Als de kandidaat van de prefect zijn stemmen bij die van de legitimisten doet, is er misschien nog een kans het tij te keren. Van een legitimistische afgevaardigde zal de minister geen last hebben. Leuwen koopt de stemmen van de plaatselijke leider van de legitimisten, een bisschop, maar verliest desondanks de verkiezing – hij komt slechts twee stemmen tekort.

In Parijs is men uiteraard niet blij met de uitslag. Achter zijn rug wordt Leuwen bespot. Zoveel onverdiende oneer schiet zijn vader in het verkeerde keelgat. De bankier zet nu alles op alles om de graaf de Vaize ten val te brengen. Vanaf dat moment wordt Leuwen père voor even de hoofdpersoon van de roman. Deze militante levensgenieter – hij had een broertje dood aan ‘vervelende mensen en vochtige lucht’ – organiseert in de Kamer van afgevaardigden met zijn oratorisch talent een claque en begint te intrigeren.

De roman dreigt nu een beetje aan spankracht te verliezen. De kwestie van madame de Chasteller is bijvoorbeeld nog steeds niet opgelost. Ofschoon Stendhal zich voorneemt om Leuwen nog eens naar Nancy te laten gaan teneinde daar het een en ander recht te zetten, blijft het bij voornemens – de bladzijden die in het voorlaatste hoofdstuk van het manuscript ervoor waren gereserveerd, zijn helaas blanco gebleven.

Keukenmeidenzin
Stendhal heeft in een brief aan Balzac beweerd dat hij tijdens het schrijven van La chartreuse de Parme elke dag twee à drie bladzijden uit de code civil, het Franse burgerlijk wetboek, las om de natuurlijkheid van zijn toon niet kwijt te raken. Stijl telt zwaar bij hem. Vreemd genoeg is Lucien Leuwen stilistisch gezien niet werkelijk een eenheid, wat aan zijn onvoltooide staat te wijten is. De toon van het tweede deel is zakelijker en droger dan die van het eerste deel.

Het romantische landschap, het sentimentele landschap zo men wil, is anders dan bij menige andere schrijvende tijdgenoot opvallend afwezig, behalve misschien in die uitspanning op het land waar twee hoornisten op verzoek Mozart spelen – voor de rest wordt de fysieke wereld, Nancy, Caen in een, twee zinnen neergezet. Aan Parijs wordt amper een woord vuil gemaakt.

De roman is grotendeels opgebouwd uit gesprekken en zelfgesprekken, waarin Stend­hals personages lucht geven aan allerlei analyserende, berekenende, verklarende, zoekende, angstige, hoopvolle of teneergeslagen overwegingen. Daarbij heeft hij zijn hoofdpersoon een bijna wetenschappelijke belangstelling voor het gedrag van mensen gegeven. Leuwen bekijkt en ontleedt ze als een zoöloog, zoals Stendhal hem ergens laat zeggen, waarbij de zoöloog in kwestie natuurlijk de schrijver zelf is. De handeling wordt dus niet met knaleffecten ten tonele gevoerd – al is het laatste hoofdstuk van deel één wel weer hoog romantisch –, het gaat om details, een gebaar, een blik, hoe men zich kleedt, hoe men spreekt – vooral dat laatste. Pompeus taalgebruik en gewichtigdoenerij kunnen rekenen op spot. Regelmatig geeft de schrijver commentaar op zijn eigen stijl. Soms ironisch in de tekst – ‘Die nacht ging de slaap aan haar oogleden voorbij zoals de mensen die kunnen schrijven het zouden zeggen’ – veel vaker nog in opmerkingen in de marge. Bijvoorbeeld: ‘Zal ik deze keukenmeidenzin laten staan? Ja, vanwege zijn duidelijkheid.’ Of: ‘Dat wordt zo niet gezegd maar het moet wel zo geschreven worden, voor de duidelijkheid.’

Deze opmerkingen zullen we niet lezen in de Nederlandse vertaling. De roman is dan wel voltooid in de zin dat hij een einde heeft, maar voor een groot deel bestaat hij uit werk in uitvoering, met veel varianten, invoegingen en soms moeilijk leesbare correcties. De edities van deze roman willen nogal eens verschillen omdat niet altijd even duidelijk is wat erin hoort en wat niet. De Nederlandse vertaler, Leo van Maris, heeft gekozen voor een sobere aanpak. Zijn tekst is die welke Henry Debraye in de jaren twintig van de vorige eeuw heeft gepubliceerd, echter zonder diens uitgebreide noten. Daarvoor kan men ook terecht bij de volgens sommigen wat al te avontuurlijke edities van Henri Martineau of bij de nieuwe, filologisch meer verantwoorde van Michel Crouzet die dit voorjaar bij Le Livre de Poche is verschenen.

Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft Van Maris een degelijke en precieze vertaling afgeleverd, alleen hadden de aantekeningen wel wat royaler gemogen. Je kunt niet verwachten dat iemand nog weet wat de affaire-Caron inhield of wat voor dans een cotillon was. Hoewel Van Maris’ Nederlands een enkele keer misschien wat stijfjes overkomt, kunnen we verguld zijn met zijn prestatie, want die mag er zijn.

Stendhal: ‘Lucien Leuwen’. Uit het Frans vertaald door Leo van Maris. Atlas, 605 pagina’s, € 34,90
Stendhal: ‘Lucien Leuwen’. Bezorgd en van aantekeningen voorzien door Michel Crou­zet. Le Livre de Poche, 957 pagina’s, € 15,40





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?