'Juni' - Gerbrand Bakker

Gerbrand Bakker weet zijn succesroman Boven is het stil niet te evenaren met zijn streekgebonden familiedrama Juni. Maar al valt de schrijver met deze roman in eigen gier, in zijn unieke eenmanszaak valt wel degelijk veel aangenaams te halen.

Lekker bord Bambix

Dat waren nog eens tijden, in 1969. Op 20 juli van dat jaar zette Neil Armstrong als eerste mens voet op de maan, en - ook niet onbelangrijk - Hare Majesteit (Juliana) bezocht de gemeente Wieringerwaard op 17 juni. Ja, toen was die parel van Noord-Holland, waar de schrijver Gerbrand Bakker op 28 april 1962 ter aarde kwam, nog een heuse gemeente. In het rampjaar 1990 ging Wieringerwaard jammerlijk op in de gemeente Anna Paulowna, die slokop.

Dat ik bovenstaand feit memoreer, is - het moet gezegd - de verdienste van Gerbrand Bakker. Ik heb uit zijn derde roman Juni zo veel opgestoken over het edele leven der plattelanders, over inheemse gewassen, dito struiken ('huislook hangt als overkokende melk uit de dakgoot'), betrouwbare agrarische werktuigen, ik ben kortom zodanig vergast op couleur locale, dat ik de wereld der gehuchten, dorpen en vergeten gemeentes, waar het nietige nog geëerd wordt en de mensen nog hun bescheiden plaats kennen, nu toch een beetje met bakkersoog bezie.

Juni bestrijkt veertig jaar tijd. De roman begint op 17 juni 1969, als koningin Juliana Wieringerwaard aandoet, en eindigt op diezelfde junidag op dezelfde plaats in 2009, wanneer ten volle blijkt tot welke noodlottige gebeurtenissen dat bezoek heeft geleid. Bakker begint en eindigt zijn roman met het bezoek van Juliana in 1969. Die twee hoofdstukken vormen het hoogtepunt van Juni.

De 'Juul' zoals we die uit de historische overlevering menen te kennen, de eigenzinnige, menselijke vorstin die het af kon zonder kouwe kak, komt gloedvol tot leven. Ze denkt het hare van de attenties haar toebedacht, als een broodjesmaaltijd met plaatselijke notabelen, (altijd ossenstaartsoep) en twee kittige dwerggeitjes. In het slothoofdstuk lijkt ze een glimp van besef te hebben van wat er zich voor ramp in het dorp voltrokken heeft, maar al te veel tijd om daar bij stil te staan, om letterlijk en figuurlijk pas op de plaats te maken, heeft ze niet.

Rampspoed
Gerbrand Bakker des te meer: in de tussen de beide Juliana-hoofdstukken gelegen 242 pagina's zoomt hij omstandig in op het wedervaren van een door rampspoed bezochte boerenfamilie. Het gaat om het gezin Kaan ('de Kaantjes'), bestaande uit vader, schoondochter, drie zoons, een kleindochter en een moeder - die kennelijk te veel magisch realisme gelezen heeft, want ze gaat op het stro op de zoldering zitten en daar blijft ze zomaar zitten communiceren met haar familie.

Alsof ze een personage van Gabriel García Márquez is dat in het verkeerde boek is terechtgekomen. Tevens vraagt Bakker veel aandacht voor de plaatselijke bakker, die een 'schraal gezicht' heeft. Dat zit zo: de bakker heeft het gedaan. Hij was degene die met zijn moderne bakkerswagen de tweejarige Hanne overreed op de schone dag dat Hare Majesteit haar opwachting maakte bij het Polderhuis. Kleine Hanne was erbij, en bakker Blom ook: hij maakte een foto van het koninklijk bezoek om deze unieke gebeurtenis te vereeuwigen. Maar de dag bleef niet mooi toen Hanne onder zijn wielen kwam. Het was een ongeluk, maar dat verzachtte de pijn uiteraard niet: noch voor Hannes familieleden, noch voor bakker Blom. Allemaal knap lullig. Maar nog erger is wat Bakker (Gerbrand) van dit universele, ruraal gesitueerde leed maakt in zijn amorfe streekroman.

Draad kwijt
Wat er mis is: reliëf ontbreekt ten enenmale in het middendeel. Daardoor is vaak met de grootste moeite uit te maken wie er nu weer aan het woord is, of op wie anderszins gefocust wordt. Het getal aan personages is niet bijster groot, maar waarschijnlijk wel te fors voor Bakker. In zijn beste boek, de succesvolle boerenroman Boven is het stil (2006) concentreerde hij zich op twee hoofdpersonages: een vader en een zoon. Dat was overzichtelijk, maar in Juni wordt tijdens lezing de behoefte steeds dringender aan zo'n fijn stamboompje met familieleden, zoals vaak opgenomen in dikke Russische familieromans. Zonder zo'n lijstje raak je in Juni de draad volledig kwijt. Bakker heeft kortom zijn familiale personages niet uit de verf laten komen en naar het waarom van dat gebrek aan afstand is het gissen. Misschien stonden ze hem te nabij en verklaart dat waarom ze, als op een familiefeestje waar binnenstaanders over binnenstaanders rebbelen, van hem geen nadere contouren krijgen - vanuit de gedachte dat ze toch al bestaan. Een andere verklaring voor het feit dat buitenstaanders als de bakker en koningin Juliana wel een smoel krijgen, zie ik niet.

Wellicht is hetzelfde aan de hand bij het dramatische gegeven - Hannes overlijden - dat maar geen drama in de tekst wordt. Voor de direct betrokkenen is dat uiteraard een onverteerbaar drama, voor anderen die over zoiets in de krant lezen ook bepaald geen lolletje. Maar stel je de reactie van zo'n buitenstaander eens voor als die krant 242 pagina's lang over dat ongeval en de verrotte levens van de nabestaanden gaat. Geschreven door iemand die in geschrifte niet in staat blijkt tot een ontroerende tekening van de betrokkenen noch tot een panoramische blik op zo'n gemeenschap. Op zeker moment is de lezer dan wel door z'n respectvol geduld heen. Tevens ontbreekt iedere vorm van spanning in Juni, zowel op het niveau van de (kabbelende) intrige als in de taal.

Van dood vergeven
Zo'n titel met een algemene strekking als Juni gebiedt ons vanzelf het verhaal in wijdere betekenis te zien. De roman heet immers niet 17 juni 1969, vernoemd naar die specifiek noodlottige dag voor de Kaantjes. Door zijn roman Juni te noemen, naar een maand die voor ieder mens jaar na jaar weerom zal komen tot Magere Hein met zijn zoevende zeis daar een eind aan maakt, suggereert Bakker dat zijn personages nooit zullen loskomen van een drama als Hannes overlijden. Juni bewaarheidt dat: het leven gaat voor de getroffenen door, al is het geen vrolijk leven meer; de bakker blijft brood rondbrengen, maar hij fluit er nooit meer bij. 't Kan verkeren, wist de vrolijke Bredero al.

Gerbrand Bakker zegt het hem na in het morose, van dood vergeven Juni. Niet alleen de pimpelmeesjes sneven, ook zeult een simpele met een zak steentjes voor op het lijkje en het is een groot komen en gaan op de lokale begraafplaats. Er wordt herdacht bij het leven, zoveel is overduidelijk. Ten teken daarvan laat Bakker zeker driemaal vet knipogen naar het bijbelse Eben Haëzer (gedenksteen uit Samuël 7, vers 12, betekenis: 'Steen der hulp'). Eerst:
'''Eben Haëzer.''
''Wat betekent dat, mama?''
''Je weet dat ik niet weet wat dat betekent.''
Dan:
'''Wat betekent Eben Haëzer''?
''Huh?''
''Laat maar.'''
Nog eens:
'''Eben Haëzer? Zo heet toch dat huis van Kager?''
''Ja, maar wat betekent het?''
''Geen flauw idee. Moet het iets betekenen?"
"'k Vroeg het me af."'

Nostalgiebehoefte
Nee, Bakker is geen John Steinbeck en een ambitieuze stap vooruit na Boven is het stil is Juni niet. De gediplomeerde hovenier Gerbrand Bakker die drie jaar geleden vanuit het niets het pakhuis der Nederlandse letteren kwam binnendrentelen, daar een eigen hoekje betrok met uitzicht op de makkiaanse klei onzer voorvaderen, alwaar het sinds dokter Vlimmen nogal stil is, valt thans, met zijn derde roman, helaas in eigen gier.

Nu gebeurt dat wel vaker met een roman die een eerder succesnummer direct opvolgt, dus er is nog toekomst voor een trage werker als Bakker, die zich misschien heeft laten opjutten. Bakkers door diens uitgever als tweede roman aangemerkte Perenbomen bloeien wit (2007) was een bewerking van de jeugdroman waarmee hij in 1999 debuteerde. Juni is dus de roman die direct volgt op Boven is het stil.

Het Bakker-universum kunnen we zo langzamerhand wel in kaart brengen via enkele basisgegevens als het jonggestorven gezinslid, een ander familielid dat naar boven gaat, en prominente, maar onbezwaarde homoseksualiteit. Belangrijker is dat Gerbrand Bakker lezen inhoudt: even de wereld uitdoen. Zijn proza beantwoordt aan een nostalgiebehoefte. Hij schrijft over een gewestelijk Nederland dat niet meer of nauwelijks nog bestaat, maar waar menig lezer vandaan komt, of weet te komen via de eeuw van zijn vader. Zijn personages zijn met schuldgevoel bezwangerde mensen die vanuit gebrek aan daadkracht of eerbied voor wat hoort, niet uit hun leven hebben gehaald wat erin had kunnen zitten.

Wezenloos ouwehoeren
Juni mag dan literair een mislukking zijn, ook nog vanwege de onscherpe en daardoor onwaarachtige dialogen, door de onge-motiveerde registerwisseling tussen volwassen en kinderlijke taal en door de vele losse draadjes in het verhaal; 'nostalgici' kunnen weer hun lol op. Ik bemerkte dat ik dit boek kon waarderen zoals ik het jaarlijkse Tour de France-spektakel uitzit: in plaats van op de renners of Bakkers wezenloos ouwehoerende personages, richtte ik mij op het voor-bijflitsende decor. Juni leest zo bezien als een uitstapje naar het Nederlands Openlucht-museum in Arnhem, waar het aangenaam toeven is. In welke hedendaagse roman tref je tenslotte nog een bord Bambix aan, een ruw emaillen badkuip, bokkenpootjes, wentel-teefjes, rijstepap met bruine suiker, een 'trilbonkende' duikplank en een fles met lobbige advocaat? Zulke waar haal je bij eenmanszaak Bakker.

Gerbrand Bakker, ‘Juni’, Cossee, 272 pagina’s, € 19,90

Door Jeroen Vullings / 09 juni 2009 / ()