Julia - Otto de Kat

Neergedaald uit een oude wereld

26-01-2008
Door Jeroen Vullings

Een weemoedig liefdesverhaal uit de roerige jaren dertig: dat is al vaker verteld. Maar Otto de Kat weet in Julia met zijn manier van vertellen de lezer vol in het hart te raken.

Vroeger zal nooit dood zijn voor Otto de Kat. Niet alleen omdat zijn boeken doorgaans in een voorbij en exotisch aandoend verleden spelen, dat met gevoel voor ingehouden nostalgie tot leven gewekt wordt. Maar ook omdat de lectuur van zijn eerdere titels Man in de verte, De inscheper en nu zijn meest lijvige roman Julia het verlangen doet oplaaien de betere vooroorlogse schrijvers weer ter hand te nemen: romantici als J.J. Slauerhoff en Arthur van Schendel, Forum-schrijvers Du Perron en Ter Braak, de eenling S. Vestdijk. Niet uit behoefte aan authenticiteit na lezing van een epigoon – de schrijver De Kat kan op eigen benen staan –, maar omdat die verwante auteurs zijn schrijverschap merkbaar gevoed hebben, waardoor een zeker eerbetoon altijd doorklinkt in een De Kat-boek – als een autonoom mechanisme, of hij dat nu wil of niet. Wat zijn proza bij de lezer op formidabele wijze aanricht, is: het verlangen in die tijd, in die lectuur te blijven, nadat de laatste pagina gelezen is.

Zo langzamerhand staat De Kat met zijn hommage aan zulke schrijvers vrijwel alleen in de Nederlandse literatuur; jongere auteurs zoeken hun ijkpunten meestal internationaal of in de filmcultuur. Dat weet De Kat: hij is geen naïef auteur. Het lijkt mij dan ook geen toeval dat al op pagina negen van Julia de chauffeur Van Dijk, employé van de net overleden, hoogbejaarde industrieel Chris Dudok, rondkijkt in zijn werkgevers studeerkamer met de blik van iemand van nu: ‘Boeken zo ver het oog reikte in deze kamer, stapels op tafeltjes, muren rond het grote raam volgepakt, antieke boekenmolen in een hoek, gek werd je ervan. Veel grijze, bruine, donkerrode, donkergroene kaften, sombere letters op de ruggen. Ter Braak, las hij langzaam, Vestdijk, Du Perron, Nijhoff, Marsman, een kerkhof van onbekende namen.’

Vervolgens voert De Kat ons in Julia mee naar de tijd waarin zulke namen nog niet het kerkhof bevolkten: 1938 in het Duitse Lübeck is het jaar waar het in Dudoks leven om draait. Toen, als fabrikantenzoon om internationale ervaring op te doen, tewerkgesteld op een Duitse machinefabriek, ontmoette hij de jonge Duitse Julia Bender, die daar ook werkte. Love at first sight, maar het veroveren van Julia gaat stapje voor stapje. Dat wordt bemoeilijkt doordat zij de zuster is van een bij het naziregime in ongenade gevallen toneelspeler; in hun ogen is zij dan direct een communist. Uiteindelijk geeft ze hem het advies, na de Kristalnacht, paradoxalerwijs hún nacht, naar zijn eigen land te vertrekken, zonder uitstel. Dat doet hij.

Geruisloos
Na dat jaar in Lübeck zou hij haar nooit meer terugzien, maar ze blijft zijn leven bepalen. Relaas van een bestaan verpest door noodlot, nazisme en gemiste kansen. Daarmee zijn we deep down De Kat-terrein. ‘Portret van een verloren leven, zijn leven,’ luidt immers een achteloos aandoend zinnetje in De inscheper, gesteld in De Kats karakteristiek terughoudende bewoordingen. De Kat schrijft fictie die leest als non-fictie, steevast over ontwortelden zonder talent voor duurzaam geluk. Alsof we een urgente biografie van een volstrekt onbekende lezen. Dat bereikt hij door de authenticiteit die hij zijn personages geruisloos verleent.

Stuurs, zoals het een beetje criticus betaamt, zou ik nu aan al die genretypering kunnen toevoegen: Julia is ook een liefdesdrama met een vleugje ‘Larrios’ van Slauerhoff, dat in zijn soort vaker verteld is. We hebben al de verhalen van F.C. Terborgh, die een trage Slauerhoff was, waarom nu nog eens zo’n verhaal uit de koker van De Kat?

Omdat sommige verhalen niet vaak genoeg verteld kunnen worden, is mijn eerste, primitieve antwoord als liefhebber van slauerhoffiaans proza. Het tweede is: omdat De Kat het vertellen van zo’n weemoedig liefdesverhaal evenveel belang geeft als de intrige. Omdat hoe het verteld wordt dit proza meer spanning geeft dan wat er verteld wordt.

Van meet af aan weten we dat we in Julia de ware toedracht van de gebeurtenissen in 1938 gaan horen. Er is een grote kans dat die toedracht verband houdt met Dudoks zelfmoord op hoogbejaarde leeftijd: waarom anders zo lang gewacht? De spanning die uitgaat van zo’n antwoord wérkt, alleen al doordat de hoofdstukken die vlak voor Dudoks verscheiden spelen, voor de lezer slechts als opwarmertje dienen voor we weer mee mogen, in een volgend hoofdstuk, terug naar 1938.

Dat effect bereikt De Kat uiteraard door zijn spel met contrast. Er was voor Dudok één (mis)vormende periode in zijn leven, het jaar 1938, en daarna werd zijn leven een kwestie van uitdienen. Het is hachelijk om als romancier zo op één troef te vertrouwen, in het besef dat de lezer de kroniek van Dudoks vlakke restleven ook als vlak zal ervaren, maar De Kat komt er fraai mee weg.

De grote vraag is natuurlijk waarom die 1938-stukken in Julia zo’n indruk maken. Het was natuurlijk een tumultueuze periode in de geschiedenis, met die oprukkende naziterreur. Een blik van binnenuit in een totalitaire samenleving is ook niet te versmaden. Maar als gezegd, het is het hoe dat suspense creëert.

Dol op rozen
In Julia is een alwetende verteller actief, maar dan wel een die zich slechts – indirect – manifesteert in het naadloze samenspel van verschillende vertelstemmen. Een waarin de personages met hun dialogen en gedachten tot ons komen. Zoals bij de totstandkoming van het eerste afspraakje van Chris en Julia, als zij zegt: ‘Ik zal een roos op m’n hoed spelden, kan je me herkennen.’ Hij reageert aldus: ‘Uit duizenden, Julia, en ik ben dol op rozen op een hoed, doe het.’
De tweede vertelstem is die waarin de verteller met de wijsheid der jaren afstand neemt en via een originele metafoor de handeling naar een hoger niveau tilt waardoor de psychologische tekening van Chris en Julia meer reliëf krijgt. Na de hierboven geciteerde dialoog schrijft hij: ‘Pingpongbal van haar kant, badmintonshuffle van de zijne. Snel contra traag en toch niet zonder effect op beiden.’

En dan de laatste stem, een panoramische, waarin van binnenuit voelbaar gemaakt wordt wat het betekent om in dat tijdgewoel te leven. De dreiging die in een volle zaal uitgaat van een klein groepje SA-mannen, het stampen van de laarzen, de openlijke, bijna bedaarde intimidatie door de Gestapo, op die manier raakt De Kat de essentie van een bestaan onder terreur. Zo trotseert een acteur, Julia’s broer Andreas, de nazibonzen in de zaal. Hij zou bij het applaus voor ze moeten buigen, maar hij kijkt over ze heen, ‘neergedaald uit een oude wereld die verloren is gegaan. De kracht van de niet uitgesproken vervloeking, Andreas’ woordloze klacht, zijn appèl aan wie nog een hart had.’

Julia is een zwaar geregisseerde roman, maar slechts in enkele passages, als De Kat te uitleggerig wordt en ons wijst op parallellen in het verhaal of overbodige achtergrondinformatie geeft, merk je dat hinderlijk. In het leeuwendeel van de roman merk je De Kats regie juist doordat je daar geen last van hebt. Knap aan Julia is ook dat De Kat met de onverwissel­bare afstand die hem als romancier typeert, de lezer vol in het hart weet te raken.

Otto de Kat, ‘Julia’, G.A. van Oorschot,
192 pagina’s, € 17,50

Door Jeroen Vullings / 22 januari 2008 / ()