Afbeelding bij Joe Jackson: ‘Ik schaam me voor mijn oude teksten’

Joe Jackson: ‘Ik schaam me voor mijn oude teksten’

19-01-2008
Door Sander Donkers en David Kleijwegt

Ooit werd hij gezien als de nieuwe ‘angry young man’. Joe Jackson, meer dan dertig jaar popsurvivor, lacht erom. Zijn nieuwe cd Rain ademt rijpheid en wereldwijsheid. ‘De Sex Pistols, die waren boos en rebels. Ik wilde gewoon muziek maken.’

Als deze maand zijn nieuwe cd Rain verschijnt, is het precies dertig jaar geleden dat Joe Jackson zijn eerste platencontract tekende. In een wereld waar vluchtigheid regeert, mag je dat een opmerkelijke prestatie noemen. En tevens een goed moment om eens terug te kijken op drie decennia waarin vele muziekstijlen en tijdgeesten de revue passeerden. Althans, dat vonden wij.
Joe Jackson (53) vindt klaarblijkelijk van niet. Hij zucht: ‘Oh God, don’t tell me this,’ en staart stoïcijns voor zich uit. Hij roert eens in zijn koffie. Wij doen hetzelfde. Daarna kijken we alledrie hoe de draaikolkjes in onze kopjes langzaam tot stilstand komen. Dat duurt best lang.

Kan hij zich de dag dat hij zijn handtekening zette nog voor de geest halen? Jackson knikt. En de opwinding die daarbij kwam kijken? ‘Tuurlijk.’ En, uhm, hoe was dat dan? ‘Opwindend,’ gromt hij. Daarna treedt er een oorverdovende stilte in en daalt een grauwsluier neer op het tafeltje in het café van het American Hotel. De ongezelligheid bereikt een indrukwekkend niveau.

Opgewarmde rebel
Misschien is Jacksons weerbarstigheid ook wel begrijpelijk. Dertig jaar in het vak, en nog altijd herinnerd worden, in elk geval door het grote publiek, om een handvol songs die stammen uit de eerste paar jaar – ‘Is She Really Going Out With Him’, ‘Sunday Papers’, ‘Look Sharp’, ‘Fools in Love’, ‘It’s Different For Girls’. En laat er nou uitgerekend tussen die liedjes een aantal zitten dat Jackson tegenwoordig het schaamrood op de kaken bezorgt. Voorbeelden? ‘We hoeven toch alsjeblieft niet het hele repertoire uit te kammen?’ zegt hij korzelig. En dat is, voor alle duidelijkheid, geen vraag.

‘Ik schaam me vooral voor sommige teksten uit die periode,’ zegt hij. ‘Wat niet onlogisch is, wanneer je bedenkt dat ik de meeste van die songs al een paar jaar had vóór ik ze opnam. Ze zijn dus meer dan dertig jaar oud. Ik was nog geen twintig toen ik ze schreef. Iedereen heeft wel schrijfsels uit die tijd waarvan ze nu ineen zouden krimpen. Maar ik heb ze op de plaat gezet, en dan kan je ze niet meer terug­nemen. Sterker: door de meeste mensen word ik nog altijd op die schrijfsels beoordeeld. Terwijl ik zelf vind dat ik pas de laatste paar jaar goede teksten ben gaan schrijven.’

Het geheim, zegt hij, is geduld. ‘Ik was nogal een workaholic in die jaren. Er moest elk jaar een nieuwe plaat komen. De vraag was niet: is dit liedje echt goed? maar: volstaat het? Dat lag aan mezelf. Ik vind het flauw om te wijzen naar een platenmaatschappij die druk op je zou leggen. Geen platenbaas heeft ooit een pistool tegen iemands hoofd gehouden en gezegd: maak nu deze plaat. Dat is echt onzin. Ik heb gewoon te veel platen gemaakt, voornamelijk in de jaren tachtig. Niet dat er een complete ramp tussen zit, maar ze hadden beter kunnen zijn als ik iets meer tijd had genomen.’

Tegenwoordig neemt hij die tijd. ‘Ik ben mijn eigen editor geworden, en behoorlijk streng. Ik had met mezelf afgesproken dat ik gewoon géén nieuwe plaat zou maken, tenzij ik tien geweldige songs had waar ik heel trots op was.’ En dat duurt even. Voor een deel, zegt Jackson, is componeren voor hem een ambachtelijke zaak. Schaven, schaven, paar maandjes wegleggen, en weer schaven. Niet toevallig noemt hij klassieke Amerikaanse songschrijvers als Gershwin, Cole Porter en Hogey Carmichael als grote inspiratiebronnen. Maar hij wil ook niet helemaal afscheid nemen van het magische element dat soms om de hoek komt kijken bij het schrijven van een liedje. ‘Soms kan ik je gewoon echt niet vertellen waar een idee vandaan komt. Plotselinge inspiratie heeft wel degelijk iets magisch. Op deze plaat gebeurde dat bijvoorbeeld bij “Place in the Rain” en “Wasted Time”. Opeens stonden er hele stukken op papier, en ik dacht alleen maar, waar kwam dat nou vandaan? Dat bezorgde me een enorm geluksgevoel.’

In andere gevallen, zoals bijvoorbeeld ‘Good Bad Boy’, weet hij het juist precies. ‘Dat nummer bedacht ik toen ik stond te joggen in een Londense sportschool. Daar draaien ze video’s met het geluid uit. Zonder de afleiding van de muziek deed me dat opeens sterk denken aan de nazipropaganda van Leni Riefenstahl – ieder­een is net twintig, mooi, slank, fit en aan het dansen. Het middelpunt van zo’n filmpje is steevast een jonge gast die de rebel moet voorstellen, die rock ’n’ roll moet verbeelden, maar van wie je in één oogopslag ziet dat het volstrekt geforceerd is. En ik bedacht dat het idee van de rebelse rocker inmiddels al een halve eeuw oud is, en al vijftig keer opnieuw opgewarmd in de magnetron.’

Te veel toekomst
Tijdens deze promotietournee is hem herhaaldelijk gevraagd of ‘Good Bad Boy’, over de prefab-rebel van de eenentwintigste eeuw, bedoeld was als bittere aanklacht. Dat ontkent hij ten stelligste: ‘Ik vind zulke figuren lachwekkend, meer niet. Ik word er niet kwaad van.’ Toch is de vraag niet zo vreemd. De stem van Joe Jackson, met die lichte sneer, klinkt nu eenmaal ironisch, soms op het sarcastische af. Daarbij, uit de mond van een muzikant die groot werd in de meest rebelse periode van de rockmuziek, krijgt zo’n tekst vanzelf een extra lading. Ooit was híj het, die werd gezien als de nieuwe angry young man.

Die opmerking tovert voor het eerst een flauw lachje op het uitgestreken gezicht – een verrassend groot gezicht overigens, met clownswangen, een hoog voorhoofd en een opmerkelijk dikke onderlip. ‘Het woord “angry”,’ zegt hij, ‘heeft de neiging om lang te blijven kleven. En dus interpreteert men vervolgens al je liedjes op die manier. “Sunday Papers” was bedoeld als grap, net als “Is She Really Going Out With Him”. Maar ze zeiden: he’s all pissed off, want hij kan geen meisje krijgen.’ Jackson haalt zijn schouders op en kijkt naar zijn broekspijpen, die iets te kort zijn – alsof hij wilde benadrukken dat hij, als een van de zeer weinige pop­muzikanten, in werkelijkheid veel langer is dan je zou vermoeden.

‘De Sex Pistols,’ gaat hij verder, ‘die waren boos en rebels. Ik niet, ik wilde gewoon muziek maken. Misschien dat ik niet erg beleefd overkwam, een beetje irritant zelfs, maar dat kwam omdat ik nogal snel in de verdediging schoot. Toen mijn eerste plaat Look Sharp! uitkwam, voelde het alsof ik het Romeinse Colosseum werd in geduwd, compleet met wilde beesten en een keizer die over mijn lot zou bepalen. Ik stond al vanaf mijn zestiende op het podium, had heel veel verschrikkelijke optredens gedaan, rottijden beleefd, maar wel volgehouden. Ik voelde me al een veteraan, terwijl ik pas tweeëntwintig was. En zelfvertrouwen had ik niet. Wat ik wél had, was wanhoop. Het onwrikbare gevoel: ik moet dit doen, want ik kan toch niks anders.’

Eenmaal op gang lijkt Jackson meer plezier te beleven aan het ophalen van herinneringen dan hij aanvankelijk deed vermoeden. ‘Van de late jaren zeventig herinner ik me vooral dat alles vies was en niemand geld had. Alles leek in elkaar te storten. Het No Future van de Sex Pistols, dat was in die tijd een gevoel dat werkelijk in de lucht hing. Terugkijkend is dat natuurlijk alleen maar silly. Toekomst is er altijd.’ De flauwe glimlach wordt een brede. ‘In Berlijn vond ik laatst een boek over punk in de oude DDR, met de titel Too Much Future. Wat een vondst! Dat was hun werkelijkheid: een toekomst die niks anders is dan het heden waar nooit iets aan zal veranderen.’

Wereldwijsheid
Joe Jackson mag zijn nukken hebben, en de buitenwereld mag denken dat hij ‘angry’ is, zelf is hij meer dan tevreden met het verloop van zijn carrière, en met de positie waarin hij zich tegenwoordig bevindt. Hoeveel zangers en bands uit het eind van de jaren zeventig zijn er niet volstrekt vergeten? ‘Ik heb mazzel gehad,’ zegt hij. ‘Rond mijn dertiende ontdekte ik dat ik een talent had. Dat was een fantastische gewaarwording, en ik nam me voor om me daar zo stevig mogelijk aan vast te klampen.’ Hij begon melodietjes te krassen op een aftandse viool, en zeurde bij zijn ouders om een piano. ‘Daar hadden we geen geld voor. Maar stomtoevallig wilden onze buren van hun piano af, en kon ik die gratis krijgen. Als ik dat geluk niet had gehad, was alles anders gelopen.’

Vanaf dat moment was Jackson niet meer weg te slaan achter de piano, en maakte hij een bewuste keuze voor een leven als muzikant. ‘En ik besefte toen dondersgoed dat ik daarmee ook koos voor een leven in armoede. Dat maakte me niet uit, want armoede was alles wat ik kende als kind. Ik dacht dat er toch niets voor me in het verschiet lag wat me meer succes zou brengen. Daarom; ik heb nu al veel meer gekregen dan ik ooit had verwacht, want ik verwachtte helemaal niks.’

In dertig jaar heeft hij nooit de naam en repu­tatie weten te verwerven van een tijdgenoot als Elvis Costello. Ook dat zou misschien iets te maken kunnen hebben met zijn stem, die – als we eerlijk zijn – niet het toonbeeld van wendbaarheid is. Desondanks kan Jackson nog altijd bogen op een hondstrouw publiek van veertigers, dat zich ooit samen met hem afvroeg of ‘zij’ nu werkelijk met ‘hem’ uitging, en dat hem sindsdien op de voet is blijven volgen.

Rain, gemaakt met zijn oude ritmesectie, zal die mensen niet teleurstellen. De rijpheid en wereldwijsheid die in de tien liedjes aan de oppervlakte komen, hebben ook zo hun charme. ‘Trying to find Chinatown,’ zong hij op zijn grootste succes, de plaat Night and Day uit 1982 – en dat was indertijd de waarheid. De Joe Jackson van nu kent zijn weg niet alleen in New York, maar ook in Londen en zijn huidige woonplaats Berlijn – thank you very much. Wat de muziek betreft, lijkt de twijfel verdwenen en de wanhoop niet langer noodzakelijk als drijfveer. ‘Jullie waren eerder zo vriendelijk om aan te stippen dat ik dit al een tijdje doe,’ zegt hij smalend. ‘Wel, ik denk dat ik er een stuk beter in ben geworden.’

Joe Jacksons ‘Rain’ (Ryko/Rough Trade) verschijnt op 29 januari. Op 7 en 8 maart treedt hij op in Paradiso, Amsterdam

Door Sander Donkers / David Kleijwegt / 15 januari 2008 / ()