VN MediagidsJob Cohen over Elsschot
11.04.2009
Uitwassen van de hebzucht
De liefde voor Willem Elsschot heeft voor de burgemeester van Amsterdam ook actuele dimensies: over hebzucht schreef hij historische woorden. Job Cohen over Madoff en Boorman, Korthals, Kaas en Fortis.

'Aan het lezen van literatuur kom ik eigenlijk alleen maar toe in vakanties.' Dat was in de loop der jaren voor mij een staande frase geworden. Sinds een paar jaar heb ik daar wat op gevonden, of liever gezegd: mijn secretaresse heeft er wat op gevonden. Want in de zomer en rond Kerstmis maakt zij ruimte in mijn agenda om voor een uitgeverij luisterboeken in te spreken. Zo heb ik in de afgelopen jaren De uitvreter van Nescio voorgelezen en Het grijze kind van Theo Thijssen. Twee schrijvers die mij na aan het hart liggen, net als Multatuli en Willem Elsschot.
Van Elsschot mocht ik onlangs Lijmen/Het Been als luisterboek inspreken en voor komende zomer staat Kaas op het programma. Kortom: hoe langer ik burgemeester van Amsterdam ben, hoe belezener ik word.
Eikels
Laat mij een kort verhaaltje vertellen. Op een dag verscheen er een man in een dorp. Hij wilde eikels kopen en was bereid daar één euro per stuk voor te betalen. Omdat er veel eikenbomen in het dorp stonden, begonnen de dorpsgenoten snel eikels te verzamelen. De man kocht ze een week later allemaal voor een euro per stuk.
Hij zei dat hij een week later zou terugkomen en dan vijf euro per stuk zou betalen. Opnieuw begonnen de dorpsgenoten eikels te verzamelen, alhoewel er veel minder over waren. De man verscheen inderdaad een week later, betaalde de beloofde vijf euro per stuk en verklaarde een week later opnieuw te verschijnen en dan twintig euro per stuk te betalen.
Bij het dorp was geen eikel meer te vinden, maar toevalligerwijs kwam er net op dat moment een andere man met een grote zak eikels naar het dorp. De dorpsbewoners kochten de hele zak voor vijftien euro per eikel.
U begrijpt het al: de eerste man kwam niet meer opdagen. De dorpsbewoners waren hun geld kwijt, en het enige dat overbleef was een grote hoeveelheid eikels.
Moderne handelsgeest
Juist toen de kredietcrisis afgelopen najaar in alle hevigheid was losgebarsten, was ik in het kerstreces het laatste stuk van Lijmen/Het Been aan het inspreken. Al voorlezend, realiseerde ik mij de actualiteit van die tekst. Elsschot zei over dit werk: 'In Boorman heb ik de moderne handelsgeest willen uitbeelden. Boorman bedriegt de mensen, neemt wat hij krijgen kan, speculeert op de domheid der reclamezieke zakenlui, alles omdat de mensen hem daartoe in de gelegenheid stellen, omdat iemand als hij in een kapitalistische maatschappij eenvoudig niet anders kan. Boorman moet bedriegen, zoals een bankier interest moet vragen. En een notaris die zijn hypotheken zo maar weggeeft, nou, die kan net zo goed heel zijn fortuin aan de armen geven en gek worden.'
Terwijl Lijmen en Het Been nog vers in mijn hoofd zaten, werd bekend dat de Amerikaanse belegger Bernard Madoff ervan werd verdacht beleggers voor tientallen miljarden dollars te hebben opgelicht. Hij opereerde volgens de split-strike conversion strategy - een holle term die Boorman bedacht zou kunnen hebben en waarvan Elsschot zeker had gesmuld. Ook al ontgaan mij de finesses van Madoffs transacties, in elk geval heeft het er alle schijn van dat hij in staat was mensen te bepraten en te doen betalen. Hij gaf, als ik de kranten mag geloven, de garantie van een rendement van tien procent per jaar. Dan moesten de klanten ook geen moeilijke vragen stellen. Menig ervaren belegger trapte erin, zelfs de Fortis Bank Nederland dreigt met een miljard het schip in te gaan. Elk jaar een rendement behalen van tien procent kon Madoff uiteraard nooit waarmaken, maar dat verborg hij door de beloofde winsten uit te betalen met het geld dat werd binnengebracht door nieuwe klanten. Zoiets kan lang goed gaan, maar het kaartenhuis stort natuurlijk een keer in, ofwel omdat er onvoldoende nieuwe gelukzoekers bijkomen, ofwel omdat klanten plotseling hun geld opeisen. Een klassiek piramidespel. Maar zó bont heeft zelfs Boorman het nooit gemaakt.
De vraag die vanzelfsprekend rijst, is: hoe hebben bijvoorbeeld boekhouders en accountants naar eer en geweten dergelijke praktijken jarenlang kunnen laten passeren? Door een deugdelijke jaarlijkse financiële verantwoording moet de naakte waarheid toch aan het licht komen, zou men zeggen. Van boekhouden heb ik geen kaas gegeten, maar het inzicht dat Elsschot ons in Het Tankschip daarover biedt, is glashelder: 'Van activa maak je evenmin passiva als van een meisje een jongen, want het is voldoende dat broekje uit te trekken.'
Kortom, er werd en wordt bedrogen bij het leven. Elsschot had er ongetwijfeld het nodige over gelezen, en zeker bij de grote Multatuli. Ik zeg de grote Multatuli en daarin heb ik Elsschot aan mijn zijde, die hem een 'een ware Prometheus in ons taalgebied' heeft genoemd. 'Uit zijn as,' zo schrijft hij, 'is de hele moderne Nederlandse litteratuur opgeflakkerd. Zijn cultus is ons aller heilige plicht.'
Als bijdrage aan die cultus citeer ik graag uitvoerig die ware Prometheus, en wel zijn idee 451, honderdvijftig jaar geleden geschreven, in 1864 om precies te zijn:
Welnu, waar zyn de kapitalen des Volks? Waartoe worden ze gebruikt? De bezitting der kapitalisten steekt in papier, in schuld-brieven. En de voornaamste handel bepaalt zich tot 'weddingschap op hausse of baisse'.
Wie roode, geele of blauwe Grieken koopt, wedt dat die papieren zullen stygen. Wie ze verkoopt - tenzy gedrongen door nood, en dit maakt de zaak niet schooner - wedt dat Griekenland zal achteruit-gaan. En waarop bazeert zich dat wedden? Op 't bestudeeren der omstandigheden van dat land? Op kennis van zaken?
Volstrekt niet. Een gril, een luim, een niets, beweegt den effectenspeler tot koop of verkoop, en evenmin als de dwazen te Homburg of te Spa, weet hy reden te geven van z'n zet. Doch aan zoo'n speelbank is iets openhartigs by de zaak.
De speculant op rouge of noir zegt, na voordeelig spel: ik heb gewonnen. Onze effectenluî zeggen, zeer onzedelyk liegende: 'ik heb verdiend!'
Is 't handel eindelijk, de oproepingen die we dagelyks vinden van 'voorname' huizen aan 't publiek, om geld te schieten tot ondernemingen, waartoe men hoogstwaarschynlyk Publiek's geld niet behoeven zou, wanneer ze zoo voordeelig waren als die 'voorname' huizen dat afschetsen?
Daarby behooren dan: namen. De kommissaris is kommandeur van de een of andere kroon. Een der directeuren is staatsraad in zekere - of onzekere - dienst. De raad van toezicht schittert van sterren en titels. Maar als later de geloovige geldschieter zich aanmeldt by een van die heeren, om dividend, om rente, om inwisseling a pari zelfs, van het verstrekte, dan blykt er dat de heeren die de oproeping teekenden, de onderneming wel patrocineerden, maar volstrekt niet garandeerden. Het antwoord ligt voor-de-hand, al spreekt men 't dan liever niet uit: 'Myn goeie man... dit begrypt ge toch... als de zaak zoo goed ware geweest als we zeiden... zou ik niet uw geld, maar m'n eigen geld daartoe gebruikt hebben!'
Onlangs las ik een dusdanige oproeping in de nieuwsbladen. Eenige heeren met velerlei titels - de vrome ex-burgemeester van Amsterdam stond boven aan - raadden de lezers aan, geld te schieten in eene internationale logement-opzettery.
Oorlog is een zegening
Het is het oude liedje van de hebzucht, van greed zoals de Engelsen zeggen, een kardinale ondeugd, een hoofdzonde die altijd en overal bij iedereen op de loer ligt. De hebzucht zit nu eenmaal in de menselijke natuur ingebakken en we moeten dan ook niet verrast zijn over de gevolgen wanneer wij de hebzucht ongebreideld haar gang laten gaan.
De Griekse mythologie verhaalt van koning Midas die, nadat hij van de god Dionysos een wens mocht doen, wilde dat alles wat hij aanraakte in goud veranderde. Zo geschiedde. Voedsel werd hard in zijn mond en wijn veranderde in vloeibaar goud zodra Midas het aanraakte. De koning smeekte de goden hem zijn hebzucht te vergeven. En in de bijbel staat dat Jezus heeft gezegd: 'Het is makkelijker dat een kameel door het oog van de naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat'.
Hebzucht speelt ook in Elsschots Pensioen een rol: het verhaal van de jongeman Verstappen die een kind verwekt, vervolgens naar het front wordt gestuurd en in krijgsgevangenschap aan de longpest sterft. Zijn weduwe en zoontje hebben recht op zijn pensioen, maar zijn moeder eigent het zich toe. De familieleden weten ervan, maar grijpen niet in: zij azen erop het opgebouwde kapitaal na het overlijden van moeder te erven.
Ook in Het Tankschip beschrijft Elsschot de hebzucht, een verhaal over het ontduiken van belasting en het speculeren dat het tankschip meer waard wordt mocht de oorlog uitbreken. Het is een hilarisch verhaal. Ik volsta hier met de twee slotzinnen. 'Op de oorlog, Frans, want oorlog is een zegening. En het kapitalisme heeft toch zijn goede kant, is 't waar of niet?' Zo zijn het steeds weer de uitwassen van de hebzucht die Elsschot even genadeloos als meesterlijk blootlegt.
Verdomd moeilijk
Elsschot lezen is in de eerste plaats een groot literair genoegen. Hij heeft een ongeëvenaarde ingetogen stijl en hij schrijft een virtuoos, strak en zakelijk proza. Tegelijkertijd moet je met regelmaat verschrikkelijk lachen, zoals bij de passage over de veiling van het oud papier van mevrouw Lauwereyssen. Dan denk ik aan het satanische genoegen dat het schrijven ervan hem moet hebben geschonken én aan de grote inspanning die hij zich moet hebben getroost om het zo hyper-uitgeknobbeld op papier te krijgen. 'Schrijven is verdomd moeilijk,' zo vertrouwde hij Carmiggelt ooit toe. Elsschot heeft zijn wijze van werken en redeneren schitterend beschreven in de Ontleding van de inleiding tot Tsjip; verplichte kost voor wie de pen ter hand neemt. In tien bladzijden doet hij verslag van de totstandkoming van een inleiding van slechts anderhalve bladzijde. Hij geeft daarmee een kijkje in de keuken van het ambacht dat schrijven heet. Elsschot wikt en weegt de woorden, proeft ze op zijn tong, let op de logische volgorde der dingen, keurt te veel effectbejag af en als een zin onvoldoende betekenis heeft, rust hij niet tot hij de juiste woorden gevonden heeft.
Schrijven is, volgens Kees van Kooten, 'blijven zitten tot het er staat.' Ik weet niet hoe lang Elsschot heeft gezeten, maar zijn werk stáát. Het is zo compact - er staat nergens een woord te veel - dat hij veel zitvlees moet hebben gehad. En ook hier lijkt Elsschot zich rekenschap te geven van wat Multatuli in zijn (Duizend en Enige Hoofdstukken Over) Specialiteiten schrijft: 'Het kan niet te dikwyls herhaald worden dat zuiverheid van uitdrukkingen - ook vooral omdat daartoe veel arbeid vereist wordt - 'n kenmerk is van moraliteit. Wie zich niet bekommert over de juistheid van 'n woord, geeft blyk van onverschilligheid voor de zuiverheid zyner denkbeelden, en neemt het dus niet zeer nauw in het onderscheiden van goed en kwaad.'
Mystificaties
Bijzondere auteurs leveren bijzondere citaten, die altijd van pas komen. Bij Elsschot natuurlijk 'tussen droom en daad…', maar ook: 'ik word op 't oogenblik van uit Gent verneukt door een kerel, die Korthals heet en die 't lijk van mijn schoonzuster in zijn bezit heeft.' Om maar niet te zwijgen van de Korthals XIV en de Korthals XV - al moet ik als gewezen staatssecretaris onder een minister van die naam wel oppassen in welk gezelschap ik citeer. En nog één: het zojuist genoemde 'schrijven is verdomd moeilijk'.
Intussen ben ook ik gefascineerd door het leven dat Alfons de Ridder leidde. Hoe is het toch mogelijk dat zo'n sensitief en fijnzinnig man zijn Fine zeven jaar voor Walter laat zorgen, terwijl hijzelf vrolijk verder leeft en studeert? Voor zijn met trots op zijn briefpapier vermelde 'Licentiaat van de Hogere Graad in de Handels-, Consulaire- en Coloniale Wetenschappen' heeft Fine een hoge prijs betaald. En wie komt ermee weg om - zoals hij zo vaak deed - aan het einde van de middag een brief te gaan posten om vervolgens doodleuk na negenen pas weer thuis te komen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is?
En dan is er die merkwaardige en trieste mystificatie van De Ridder in Villa des Roses als Richard Grünewald. Nadat het kamermeisje Louise door Grünewald is bezwangerd, laat zij abortus plegen. Hij gaat er vervolgens met een andere dame vandoor, beantwoordt de post van Louise niet, zelfs niet haar laatste wanhoopsbrief. Louise gaat terug naar haar oude dorp. Dat is het einde in Villa des Roses. Maar wij weten dat in werkelijkheid De Ridder tot vijftig jaar na dato meermalen - uit wroeging - geprobeerd heeft contact met haar te zoeken.
Zo zijn er vele mystificaties. Martinus Nijhoff heeft er in 1952 bij de viering van Elsschots zeventigste verjaardag al op gewezen. Hij sprak daarbij over de proloog van Dwaallicht waarin een zekere Laarmans, de 'ik' van het verhaal, 's avonds wordt aangesproken door drie Indische matrozen die hem de weg vragen onder vertoon van een sigarettendoosje waarop een adres staat gekrabbeld. Om het geschrevene beter te kunnen ontcijferen, begeeft Laarmans zich naar de verlichte kiosk van de krantenverkoopster. Ik citeer: '"Kom binnen, Mijnheer Verbruggen," zegt mijn krantenvrouw, "hier ziet u beter." Zij neemt mij al dertig jaar voor een ander en nu is het de moeite niet meer waard haar nog te zeggen dat ik Laarmans heet. Als de dag gekomen zal zijn dat ik geen kranten meer koop, laat haar dan gerust een traan plengen op Verbruggen.'
Nijhoff wijst er op dat hier vier personen een rol spelen. Ene Verbruggen, maar die blijkt op zijn beurt Laarmans te zijn, die weer het alter ego is van Elsschot. En Elsschot is weer de schuilnaam van Alfons de Ridder. Een viermanschap van wie slechts drie personen in zekere zin naspeurbaar zijn: Verbruggen, Laarmans en De Ridder. Elsschot, die zo van Van de Vos Reinaarde hield, is de persoon die ons als een vos steeds weer ontglipt.
Wat de hebzucht betreft, blijft het fascineren hoe Elsschot dit fenomeen aan de kaak stelde en ridiculiseerde, terwijl tegelijkertijd De Ridder uit de Lemméstraat er dagelijks middenin zat. Zo spelen Elsschot en De Ridder in het toneelstuk van hebzucht en altruïsme hun geheel eigen rol. Het ene ogenblik is hij de cynicus, het andere ogenblik houdt hij het niet droog en schiet hij vol, bijvoorbeeld wanneer hij in besloten kring nieuw werk voorleest aan vrienden die het voorlezen daarom van hem moeten overnemen. Hij is een 'vat vol tegenstrijdigheid', net als zijn held Multatuli.
Zaken doen met Amsterdam
De rode draad door mijn verhaal vormt natuurlijk de hebzucht. De hoofdpersoon van Kaas, Frans Laarmans, is slechts klerk bij de General Marine and Shipbuilding Company en lijdt aan een minderwaardigheidscomplex. Hij laat zich door zijn beter gesitueerde vriend bepraten om in zaken te gaan en tekent bij de firma Hornstra in Amsterdam een contract om voor die firma kaas te gaan verkopen als algemeen en officieel vertegenwoordiger voor België en het Groothertogdom Luxemburg. Het wordt een fiasco. Laarmans blijkt geen ondernemer.
Mevrouw Ida de Ridder heeft eens geopperd dat haar vader in Kaas de literatuur als onderwerp heeft, waarbij de hoeveelheid kaas staat voor diens nog onverkochte boeken, en zij voert voor haar theorie aan het in 1942 door hem toegevoegde hoofdstuk vijftien. Anderen, zoals Jan van Hattem, menen dat het thema van Kaas de reclame is en wel de onmogelijke positie waarin De Ridder verkeerde in de vennootschap met Léonce Leclercq.
Laat mij in alle bescheidenheid een derde mogelijkheid voorstellen - en ik geef haar Vic van de Reijt in welwillende overweging voor zijn Elsschot-biografie, waar ik reikhalzend naar uitzie. Ik baseer mij daarbij eveneens op het bij de derde druk toegevoegde hoofdstuk XV. Daarin wordt op het Departement van Handel gepleit voor verlaging van invoerrechten op kaas en gaat het over percentages. Ik ben geen bankier en ik kan mij vergissen, maar toch: heeft Elsschot in Kaas eigenlijk niet willen waarschuwen voor het gevaar waaraan een Belg ten prooi kan vallen wanneer hij zaken doet met een firma uit Amsterdam? En in het vervolg daarvan: heeft ex-Fortis-topman Maurice graaf Lippens Kaas eigenlijk wel gelezen?
Dit is een bewerking van de tekst die Job Cohen vorige maand uitsprak bij het Benefietdiner van het Willem Elsschot Genootschap te Antwerpen.

Job Cohen leest voor uit De uitvreter

Job Cohen leest voor uit Het grijze kind

Job Cohen leest voor uit Lijmen het been
Vrij Nederland verloot 30 exemplaren van het luisterboek Lijmen/Het Been, voorgelezen door Job Cohen. Wilt u hierop kans maken? Klik dan hier.
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




