VN MediagidsJeroen Brouwers: ‘Ik oefen nog steeds’
Profiel 09.04.2005
Vijfenzestig is Jeroen Brouwers geworden. Een tentoonstelling alsmede feestelijke publicaties zetten die gebeurtenis luister bij.
Op Koninginnedag bereikt Jeroen Brouwers de pensioengerechtigde leeftijd; op 20 april 1940 kwam hij in Batavia ter wereld. Gerekend vanaf zijn eerste literaire publicatie in boekvorm is hij thans tevens eenenveertig jaar schrijver. Voorwaar geen geringe prestaties, constateren we, het beeld indachtig van de schrijver, behept als hij is met een piepende en gierende ademhaling, ten gevolge van difteritis op eenjarige leeftijd. Dan nog al die verhalen, ook door hemzelf in de wereld gebracht, over drank, pillen en een wrakke fysieke constitutie: het is kortom een klein wonder dat Brouwers nog onder ons is. Dat ook hij uiteindelijk de weg van het vlees zal gaan, weet hij als geen ander.
In zijn essayistisch werk verkeert hij liefst onder de doden, zelfmoordenaars, literaire halftalenten wier nagedachtenis hij veilig stelt voor de eeuwigheid. Maar gelukkig, Brouwers leeft nog, ondanks de talrijke aanzeggingen zijnerzijds dat zijn dagen geteld zijn. Een karakteristiek citaat, ‘De schemer daalt.’
Om het heuglijke feit van ’s schrijvers recht op de roze strippenkaart luister bij te zetten, organiseerde het Letterkundig Museum een aan de auteur gewijde tentoonstelling: te zien van 8 april tot en met 11 september. Ter gelegenheid daarvan verschijnt, traditiegetrouw, een begeleidend Schrijversprentenboek. De auteur daarvan is de Vlaming Johan Vandenbroucke en de titel luidt Jeroen Brouwers. Het verhaal van een oeuvre.
Vandenbroucke? Jawel, de auteur van de thematische verhalenbundel Verzonnen vrouwen uit 1998, een debuut waar ik destijds wel iets in zag. De schrijver was toen, getuige zijn aan hem ontleende motto al ín Jeroen Brouwers, en daarna raakte hij zodanig nog meer ín zijn idool, dat hij het fictie schrijven liet voor wat het is. Zijn eigen lier aan de wilgen gehangen, om voltijds apologeet te worden.
Gewoonlijk is een Schrijversprentenboek een sympathieke gelegenheidsuitgave, maar Vandenbroucke wilde meer. Maar wat? Handig pretendeert hij geen biografie te schrijven, maar ‘een biografisch portret van de schrijver op basis van zijn teksten’. Dat vrijwaart hem van de noodzaak van de echte biograaf om met anderen dan met de gebiografeerde te verkeren, bijvoorbeeld met de velen met wie Brouwers in de loop van zijn leven gebrouilleerd raakte. Een begrijpelijke keuze van Vandenbroucke, daar zo’n Schrijversprentenboek immer opgehangen wordt aan leven en werk van de onderscheiden auteur. Jammer echter voor de literatuurgeschiedenis, want op deze manier is Jeroen Brouwers. Het verhaal van een oeuvre half werk. Met een grote kennis van zaken, merkbaar enthousiasme en een vlotte pen, gewapend met citaten uit zelfs de meest obscure Brouwers-publicaties, schept Vandenbroucke consequent een tweeledig beeld van Brouwers: dat van de mens Brouwers, vanaf de geboorte in exotische contreien tot op het heden van de seniorenkorting, en dat van de schrijver Brouwers, van zijn debuut Het mes op de keel (1964) tot de laatste, met literaire bric-à-brac gevulde aflevering van zijn eenmanstijdschrift Feuilletons, getiteld De schemer daalt (2005). Even consequent laat hij mens en schrijver alinea na alinea samenvallen. Uiteindelijk ‘bewijst’ hij daarmee het gelijk van zijn vertrekpunt: Brouwers ís zijn oeuvre.
Leuk voor de consistentie van het boek, maar van een dergelijke verteltechnische trouvaille vallen we niet van onze stoel: leven en werk gaan nu eenmaal vaker zo’n onlosmakelijke eenheid aan bij (neo)romantische schrijvers, die bij voorkeur putten uit autobiografische bron. Spannender, al kenden we die grotendeels uit Brouwers’ eigen geschriften, is de beschrijving van Brouwers’ lange, moeizame strijd om schrijver te worden.
Ja: schrijver wórden. Die uitdrukking gebruiken is natuurlijk vloeken in de kerk van de literatuur, maar nu eenmaal van toepassing op Jeroen Brouwers. Van Harry Mulisch komt de intimiderende wijsheid: iemand die schrijver wil worden, is geen schrijver. Je schrijft tenslotte niet, aldus Mulisch, omdat je schrijver wilt worden. Nee, je schrijft omdat je iets wilt vertellen. Degene die iets wil worden, is het dus nog niet.
Dat klinkt apodictisch en sluitend, zoals alle redeneringen van Mulisch, maar hét tegenvoorbeeld vormt Jeroen Brouwers. Nooit, zelfs niet in zijn kommervolle beginjaren waarin hij als journalist werkte en onder de eigen maat moest opereren, heeft hij iets gepubliceerd zonder een loodzwaar besef van het literaire pantheon waarin hij wil huizen. Niet dat hij altijd kon voldoen aan de door hem zelf zo hoog stelde kwaliteitslat, maar juist uit zijn latere loochening van zijn jeugdwerk of vroege, om den brode geschreven boekjes, als die over de ‘lyrische straatmus’ Edith Piaf, blijkt hoezeer hij in de ban was van dat te verwerven Schrijverschap. Aldus toont Vandenbrouckes boek via Brouwers’ ploeterende wedervaren de van iedere vorm van glamour verstoken achterkant van het schrijversbestaan.
Brouwers’ droom: schrijven om als schrijver geboekstaafd te zijn, deel uit te maken van die keur der uitgelezenen, zélf tot de literaire historie te gaan behoren. En zoals dat vaker gaat: als je maar lang genoeg volhoudt, dan word je de rol die je speelt. Bijkomend geluk, begrijpen we uit dit Schrijversprentenboek, is dat Brouwers op de juiste tijd, op de juiste plaats, met de juiste mensen is opgetrokken. Ook dat is, om met de innig door Brouwers bewonderde Mulisch te spreken, een kwestie van talent.
Hoe we het wenden of keren, het is na lezing van Jeroen Brouwers. Het verhaal van een oeuvre moeilijk om níét onder de indruk te raken van Brouwers’ levensfeiten en inspanningen. Op driejarige leeftijd werd hij door de Japanners naar het vrouwenkamp Tjideng gevoerd, waar hij tot zijn zesde verbleef. Daarna werd hij op zijn tiende naar een ultrakatholieke kostschool gestuurd. Dat ervoer hij als verraad van zijn ouders, met name van zijn moeder. Over de helse kostschooljaren zou hij later zeggen: ‘Ik heb geen kampsyndroom (…), ik heb een kostschoolsyndroom.’ Daarna vervulde hij zijn dienstplicht bij de marine, werkte hij in de journalistiek, en leurde hij met zijn literaire werk – de afwijzingsbrieven van uitgevers stapelden zich op. Uiteindelijk werd zijn debuut door het Vlaamse uitgevershuis Manteau uitgegeven, alwaar hij niet veel later in dienst trad als secretaris van directrice Angèle Manteau. Vriendschap met de legendarische Julien Weverbergh volgde, kennismaking met het hart van de Vlaamse literatuur, enfin, de rest is literatuur.
In het laatste hoofdstuk van zijn Brouwers-hagiografie schiet Vandenbroucke wat door in zijn liefdesverklaring aan dit ‘eerlijk en integer mens’: ‘Die Brouwers deugt.’ Maar daarvoor heeft hij goddank iets minder particuliers gezegd: dat zovele schrijvers ín Brouwers zijn of zijn geweest.
Zijn lijst van door de Zutendaalse heremiet aangeraakten bestaat uit Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Joost Zwagerman, Benno Barnard, René/ Renate Stoute, Peter Verhelst, Luuk Gruwez, Eriek Verpale, Guido van Heulendonk, Ronald Giphart, Paul Mennes, Stefan Brijs, Christophe Vrekeman, Dimitri Verhulst. (Vandenbroucke vergeet daarbij Rob Schouten nog.) Brouwers heeft dus school gemaakt, is de impliciete stelling in dit Schrijversprentenboek. Geen enkele andere schrijver heeft zoveel jonge auteurs beïnvloed. Hij zou volgens Vandenbroucke niet alleen een ‘stimulator’ zijn voor velen, maar zelfs een ‘literaire vader’.
Voor de waarom-vraag gesteld wordt, eerst dit: Brouwers is de cartograaf van zijn eigen schrijverschap. De levenslange feitjesverzamelaar, de dossieraanlegger, de hartstochtelijke boekhouder van literaire anekdotiek wérd zijn onderwerp van studie. Jeroen Brouwers ís literaire historie geworden. Hij leeft in literaire historie. Als een der weinigen – Gerard Reve, Geerten Meijsing, A.F.Th., Grunberg – heeft hij niet alleen een oeuvre geschapen, maar als onderdeel daarvan ook zijn schrijverschap ontworpen. Pathos en grote gebaren horen daarbij. Niets mag gewoontjes zijn. Tekenend is de kennismaking met Brouwers’ latere uitgever Theo Sontrop, die destijds De Arbeiderspers bestierde. Sontrop zei bij die gelegenheid: ‘Ik ben er geil op om je werk uit te geven.’ Een ander zou denken: vlieg op, kleine idioot, met je rare praatjes. Maar Brouwers vond het gewéldig.
Waarom oefent Brouwers zo’n aantrekkingskracht op jonge schrijvers uit? Waarom is hij zo’n stimulerend voorbeeld voor al degenen die zelf schrijver willen wórden? Dat is niet alleen verklaarbaar vanwege Brouwers’ kennelijk charismatische persoonlijkheid en de stilistische zuigkracht van zijn werk. Het zal er ook mee te maken hebben dat zelfs zijn zwakste teksten een belofte inhouden. De belofte van literatuur, die hij tot in iedere vezel belichaamt.
Waar ik op doel is de sensatie een echte schrijver aan het werk te zien. Herkenbaar aan zijn gedrevenheid ondanks het onderwerp. In De schemer daalt staat een schitterend stuk over literaire petite histoire: Brouwers gaat daarin op speurtocht naar een vergeten schrijfster, Marie Messens. Op veertigjarige leeftijd is ze door zelfmoord om het leven gekomen; ze leidde een wat zonderling, geïsoleerd bestaan. Maar ook zij waagde ooit de grote gooi naar de literatuur, in dezelfde tijd als Brouwers. En anders dan in zijn geval had de literaire kritiek nog een paar aardige woorden over voor haar debuut. Brouwers blaast in zijn essay levensadem in dit schrijnende vergeten leven en dito werk. Daarmee geeft hij dat niet opeens een groot literair belang. Het is niet zo dat Messens een miskend auteur was. Het gaat om zijn eredienst, zíjn volvoerde obsessies (Literatuur! Zelfmoord!).
Hoe waar in dat licht is Brouwers’ uitspraak: ‘Ik heb geschreven, dat is alles.’ Of die andere beroemde: ‘De vorm, – er is in de literatuur geen andere waarheid.’ In de catalogus bij een verkooptentoonstelling van Brouwersiana signaleert hij dat er voor zijn werk niet genoeg interesse is, om er goed van te kunnen leven, terwijl er voor zijn manuscripten een heviger interesse bestaat. ‘Het zou mij liever zijn geweest als men mijn boeken had gekocht in plaats van zich te vergapen aan de embryonale stadia van hun ontstaan.’
Waarom zouden die manuscripten zo begeerd zijn? Niet uit liefde voor de inhoud, zoals Brouwers zelf al aangeeft, maar uit fascinatie voor de wording van een schrijverschap. Dat wordt helemaal duidelijk als Brouwers daarna loslaat dat de ‘gebruikssporen’ op de manuscripten (koffiespetters, jenevervlekken, dode vliegen) de meeste aandacht trekken. ‘Voor de ontstaansgeschiedenis van de tekst bestaat nauwelijks belangstelling.’ Gaat het te ver om te stellen dat Brouwers in de ogen van zijn bewonderaars de ultieme cursus zelf-schrijver-worden personifiëert? Het paradoxale daarbij is dat hoe vaker Brouwers te kennen geeft dat schrijven niet zaligmakend is, des te gretiger hij als voorbeeld gezien wordt. Juist zijn zelfrelativering, tegen de achtergrond van dat grootste oeuvre natuurlijk, maakt hem zo aanraakbaar. Kenmerkende Brouwers-uitspraak: ‘Ik oefen nog steeds.’ Wie durft, of kan het zich veroorloven om zoiets na te zeggen?
Toch, als we een tiende van al zijn jammerklachten en bittere verzuchtingen serieus nemen, doemt daaruit al het beeld op van een totaal verpest leven. Het bestaan was voor de niet met enige levenslust gezegende Brouwers al geen lolletje, maar het schrijven bleek in zijn beleving niet minder dan een vloek. Hij is daardoor getekend, gedoemd, verdoemd. ‘Schrijven is als gangreen – het vreet en verteert, holt uit, vernietigt. Niet alleen de schrijver, maar zijn hele omgeving, zijn vrouw, zijn huishouden. De schrijver is de ziektedrager, die aan schrijven alles ondergeschikt maakt.’ Komt de verlossing dan van de literatuur? Ach: ‘Literatuur is niet een kathedraalgelijk heiligdom, het is een addernest, een krabbenmand, een tros nijdige horzels. Een binnenzee vol piranha’s. Een nest bunzingen.’
Het was het allemaal niet waard, evalueert Brouwers in 1986: ‘Wáár in de tijd is het idee in mij opgekomen dat ik schrijver zou willen worden? Ik zou naar dat tijdstip terugwillen, om daar mijzelf te ontmoeten en dat idee met een vuurwapen uit mijn kop te schieten. Wat heb ik mij in godsnaam ooit van “schrijver-zijn— voorgesteld?’
Achter die wanhoopskreet steekt een diepdoorvoeld inzicht, want ook na het recente succes van Brouwers megaseller Geheime kamers zegt hij: ‘Altijd probeer ik het beste boven te halen dat erin zit, maar ik word moe. Ik oefen al veertig jaar hetzelfde vak uit, kan ik nu nog niet met pensioen.’ En: ‘Als ik nou mijn leven zou kunnen overdoen – wat God verhoede! – dan zou ik alsnog componist willen worden. Literatuur is de mus onder de kunsten.’
Acht romans heeft hij geschreven en er komt er nog één. Beweert hij. Maar de lezer weet beter: zolang Brouwers leeft, blijft hij oefenen.
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




