Hoe gaat het eigenlijk echt met de integratie in Nederland?
29-11-2008
Door Binnert de Beaufort
Met het lozen van Ella Vogelaar heeft de PvdA definitief de nieuwe flinkheid in het integratiedebat omarmd. In hoeverre is dat terecht? Hoe gaat het eigenlijk écht met de integratie in Nederland?
Ex-PvdA-minister Ella Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie was nog maar net kalltgestellt door haar eigen partij of ze klom al strijdlustig in de pen om de politiek en dan vooral de PvdA in een opiniestuk in NRC te kapittelen. ‘Door, uit vrees “soft” te zijn, geen oog te hebben voor de begrijpelijke woede van migranten over hun tweederangspositie, bemoeilijken politici identificatie met Nederland’, schreef Vogelaar. En: ‘Met zijn herhaalde oproep om niet te praten over de toon van het integratiedebat, maar over de inhoud, slaat Wouter Bos de plank mis.’
Nu heeft Bos zich wel degelijk uitgelaten over ‘de toon’ van het integratiedebat. De PvdA-leider verkondigde in maart dit jaar dat die toon – in ieder geval waar het zijn eigen partij betreft – een stuk feller mag zijn. Volgens Bos zou er juist méér gepolariseerd moeten worden. Verdrietige uitspraken voor Vogelaar die bij haar aantreden juist had aangekondigd dat er mínder gepolariseerd moest worden. Met het lozen van Vogelaar heeft de PvdA definitief de nieuwe flinkheid in het integratiedebat omarmd.
Het oorlogszuchtige spoeddebat dat de Tweede Kamer een maand geleden hield over Marokkaanse probleemjongeren in de wijk Oosterwei in Gouda moet Bos daarom ook als muziek in de oren hebben geklonken. Het was de retoriek van de overtreffende trap: met vuisten op tafels slaan, opvoedkampen, vliegende brigades, stadsmariniers, het leger, alles werd uit de kast getrokken om maar een einde te maken aan de Marokkaanse furie die het land in haar greep zou hebben. In de weken na het debat verzochten zowel de hoofdcommissaris van de regiopolitie Hollands-Midden als de burgemeester van Gouda de Haagse politiek haar toon te matigen. Zó rampzalig was het nu ook weer niet gesteld met de beroemde Zuid-Hollandse kaasstad. Het ging zelfs beter in Oosterwei dan een paar jaar geleden.
Hoe gaat het nu écht? Staan de onhandelbare Marokkaans-Nederlandse pubers uit Oosterwei inderdaad symbool voor de falende integratie van allochtonen in Nederland? Hoe gaat het eigenlijk met die integratie?
VVD-Tweede Kamerlid Stef Blok was in 2003 en 2004 voorzitter van de tijdelijke Kamercommissie die onderzoek deed naar het integratiebeleid van de overheid. De conclusies van de commissie-Blok luidden dat het integratiebeleid een verwaarloosbare invloed had op de integratie van allochtonen in Nederland, én dat het goed gaat met die integratie.
Blijkbaar waren dat de ‘verkeerde’ conclusies, want de bevindingen van de commissie-Blok werden Kamerbreed met hoon en verontwaardiging overladen. De toenmalige fractievoorzitters van de VVD en het CDA, Jozias van Aartsen en Maxime Verhagen, vonden al twee weken vóór publicatie van het onderzoek dat de integratie van allochtonen ‘volledig mislukt’ was. Ook na de publicatie volhardden zij in dat standpunt.
Blok: ‘Integratie was in 2004 een gevoelig onderwerp. Juist daarom had onze commissie besloten om het zo wetenschappelijk mogelijk aan te pakken.’ Dat het beleid van de overheid geen invloed heeft op de integratie van migranten betekent volgens Blok niet dat het met die integratie maar niet wil vlotten. ‘Ik kan niets anders constateren dan dat de integratie alleen maar toeneemt. Het opleidingsniveau van allochtonen stijgt al jaren, net als hun acceptatie van de democratie en de waarden die zij vertegenwoordigt.
Tegelijkertijd zie je dat allochtonen nog steeds percentueel vaker in aanraking komen met justitie of vroegtijdig hun school verlaten. Daar doen de grote verbeteringen weinig aan af. Maar bedrijven merken dat goed opgeleide allochtonen steeds vaker solliciteren. Werkgeversorganisaties en de detailhandel staan veel dichter op de samenleving dan de politiek en vervullen een belangrijke rol in de integratie van migranten en hun nazaten.’
Secularisatie
Naast het onderzoek van de commissie-Blok verschenen de afgelopen tien jaar vele andere onderzoeken naar de integratie van migranten en hun nazaten. Het Sociaal Cultureel Planbureau komt sinds 1998 bijna jaarlijks met een ‘rapportage minderheden’ en in 2004 publiceerde het bureau het onderzoek Moslims in Nederland.
Maurice Crul
Eerder dit jaar verscheen het onderzoek Tweede generatie. Last of kapitaal voor de steden? van de Amsterdamse politicoloog Maurice Crul. Deze onderzoeken laten allemaal zien dat er onder allochtonen al zeker tien jaar hard wordt geïntegreerd (zie kader). Het opleidingsniveau stijgt, de werkloosheid neemt af, de acceptatie van de democratie neemt toe. Er tekent zich een nieuwe ‘allochtone middenklasse’ af die wegtrekt uit de oude wijken om zich te vestigen in typische middenklasse-enclaves als Almere en Nieuwegein. Maurice Crul: ‘Eenderde van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders heeft in één generatie het hoger onderwijs bereikt.
Dat is spectaculair. Maar tegelijkertijd is er een net zo grote groep die achterblijft. Die polarisatie binnen migrantenkringen is opvallend.’ Crul constateert in zijn onderzoek dat ook de secularisatie onder moslims toeneemt: ‘Bijna alle hoogopgeleide Turkse en Marokkaanse Nederlanders die wij hebben geïnterviewd, gaan niet naar de moskee. Tien procent van alle Turkse en Marokkaanse Nederlanders van de tweede generatie noemt zich zelfs niet religieus. De scheiding tussen kerk en staat wordt door de overgrote meerderheid van Turkse en Marokkaanse Nederlanders van de tweede generatie als vanzelfsprekend beschouwd – waarmee ik dus niet zeg dat de rest behoort tot de taliban.’
Paul Scheffer
Oude obstakels
In januari 2000 gaf publicist Paul Scheffer met zijn geruchtmakende essay ‘Het multiculturele drama’ de aftrap voor ‘het integratiedebat’. Het pamflet liet zich lezen als een afrekening met een politieke en intellectuele cultuur die zich decennialang had gekoesterd in politiek correcte dogma’s ten aanzien van migranten die de Nederlandse identiteit bewust had laten verstoffen en die weigerden de pijnpunten van de multiculturele samenleving te benoemen en aan te pakken. Scheffer schetste een zwart beeld van een nieuwe onderklasse van kansloze migranten die generaties lang zouden bivakkeren in de marge van de samenleving: slecht opgeleid, crimineel, met een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en zonder noemenswaardige kennis van de Nederlandse normen en waarden, gevangen in een cultureel-religieus keurslijf.
Zijn de oude obstakels die een open en eerlijk debat onmogelijk maakten nu opgeruimd, of zijn ze slechts ingeruild voor nieuwe? Wat wordt er gedaan met de positieve resultaten van wetenschappelijke onderzoeken over de integratie van migranten en hun nazaten? Spelen die onderzoeken überhaupt een rol in het integratiedebat?
Ido de Haan, hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht, constateert dat ‘onderzoekers die materiaal aanleveren voor het integratiedebat bijna allemaal als “politiek partijdig” worden afgeserveerd.’ Wetenschappers zouden ‘linkse’ belangen dienen en hun onderzoeken zijn dus bij voorbaat suspect. De Haan: ‘Jan Willem Duyvendak werd in 2004 snoeihard aangepakt vanwege zijn onderzoek naar het integratiebeleid van de overheid dat hij had verricht in opdracht van de tijdelijke Tweede Kamercommissie Blok. Het rapport moest wel niet deugen want Jan Willem was voorzitter geweest van de commissie die het verkiezingsprogramma van GroenLinks had voorbereid.’
Het rapport over de Nederlandse identiteit van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) van 2007 was eenzelfde lot beschoren. De Haan: ‘De WRR vond een zoektocht naar de Nederlandse identiteit niet zinnig aangezien het alleen maar zou leiden tot een statisch beeld van onze geschiedenis en samenleving. Onmiddellijk werd de WRR verweten dat zij te ver af stond van “wat er leefde onder het volk”.’
Ook politicoloog Maurice Crul ziet het succes van de tweede generatie Turkse en Marokkaanse Nederlanders die hij heeft onderzocht nauwelijks terug in het integratiedebat: ‘Nu krijgt het half lége glas bovenmatig veel aandacht. Als onderzoeken al een rol spelen in het debat, zijn het de negatieve gegevens over allochtonen die eruit worden gelicht.’
D66-voorman Pechtold herkent Cruls waarneming: ‘Wetenschappelijke onderzoeken wijzen allemaal op een sterke toename van het opleidingsniveau van moslims in Nederland, op toenemende secularisatie, op het bruisende ondernemerschap onder jonge allochtonen. Maar de Kamer debatteert liever vijf keer over de boerka. Een randverschijnsel binnen het integratiedebat.’
Crul: ‘Ik denk dat het debat van begin af aan is bepaald door het multiculturele drama van Paul Scheffer. Sindsdien overheerst de gedachte dat de integratie volledig is mislukt. Cijfers die het drama bevestigen – hogere schooluitval, criminaliteit – krijgen de meeste aandacht bij zowel politiek als media. De moord op Theo van Gogh heeft die negatieve aandacht versterkt. Het integratiedebat kreeg sindsdien ook nog eens een emotionele lading.’
Te negatief
Scheffer baseerde zijn droevige conclusies in zijn essay ‘Het multiculturele drama’ op de ‘rapportage minderheden 1999’ van het SCP. Sociaal-geograaf Ewald Engelen – samen met Jan Willem Duyvendak en Ido de Haan, schrijver van het boek Het Bange Nederland, pleidooi voor een open samenleving, concludeert dat Scheffer ‘zeer selectief winkelt’. ‘Uit de verschillende onderzoeken die zijn gedaan naar integratie kun je inderdaad de conclusie trekken dat het beroerd is gesteld met migranten en hun nazaten, vooral als je hun situatie afzet tegenover die van autochtonen. Maar dezelfde onderzoeken laten ook zien dat de integratie van migranten snel toeneemt.
Ik twijfel niet aan Scheffers integriteit. Maar hij is zich steeds meer gaan gedragen als een profeet met een beschavingsoffensief. Sinds de moord op Theo van Gogh wordt hij ook steeds meer als een profeet beschouwd. Zijn zwartgallige essay leek plotseling samen te vallen met de realiteit.’ Volgens Engelen dreigen Scheffers ‘goede bedoelingen’ een averechts effect te hebben. ‘De nadruk die Scheffer legt op de nationale identiteit leidt ertoe dat migranten als kleuters worden aangesproken, die aan de hand van de autochtone elite de heilzame Nederlandse cultuur moeten worden binnengeloodst. Dat hiermee de kloof tussen migrant en Nederland alleen maar groter wordt, ziet hij niet. En zijn boodschap vindt ook nog overal weerklank. De politieke elite was blind, maar hij heeft ze de ogen geopend.’
Scheffer reageert gepikeerd: ‘Ik heb het in mijn laatste boek Het Land van aankomst juist niet over een vast omschreven “nationale identiteit” maar over “natievorming”, dat wil zeggen een zelfbeeld in ontwikkeling. Zo schrijf ik in mijn boek: “De integratie is nooit voltooid, omdat telkens nieuwe verlangens worden opgenomen in de verbeelde gemeenschap.” Veel van mijn critici uit de universitaire wereld maken het zich nogal gemakkelijk. Veel beweren, maar weinig citeren.’
Dat hij een eenzijdig negatief beeld zou schetsen van de integratie van allochtonen, vindt hij onzin: ‘Twee maanden na mijn essay “Het multiculturele drama” heb ik een uitvoerige repliek geschreven aan mijn critici waarin ik ze op een aantal punten gelijk heb gegeven. Een citaat uit die repliek: “Er zijn inderdaad veel succesvolle migranten die een intrinsiek aandeel hebben verworven in de Nederlandse samenleving. Dat is belangrijk, want al voelen ze een affiniteit met het land van herkomst, toch is hun vereenzelviging met Nederland opvallend.”’
Maar die succesgevallen kunnen volgens Scheffer niet worden weggestreept tegen de groep waarmee het niet goed gaat: ‘Onmiskenbaar is er vooruitgang bij de tweede generatie vergeleken met de eerste. Het algehele beeld is echter gemengd. De veel geciteerde hoogleraar economische sociologie Justus Veenman schreef al in 1999 dat “de achterstand van allochtone jongeren op autochtone jongeren niet of nauwelijks is goedgemaakt”, omdat de autochtone jongeren het ook beter doen dan voorgaande generaties. Hij constateert “het gevaar van een intergenerationele overdracht van achterstand”. Zoals u ziet, is het iets ingewikkelder dan mijn geachte critici willen doen geloven.’
Veenman laat weten dat ook wat hem betreft Scheffer, tegenwoordig bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam, voor zijn essay en repliek ‘selectief heeft gelezen én geciteerd’ en daardoor een ‘te negatief beeld’ heeft geschetst van de integratie van allochtonen in Nederland.
Demonische lafaard
In het boek Het bange Nederland constateren de schrijvers dat het publieke debat – en in het bijzonder het integratiedebat – wordt gegijzeld door angstbeelden.
De Haan: ‘Het eerste angstbeeld vormen de buitenlanders die onze samenleving van buiten bedreigen. Ten tweede heb je het beeld van de “linkse kerk”, kosmopolieten en intellectuelen die zich als een soort vijfde colonne buiten “het volk” hebben geplaatst om hun eigen belangen te dienen. Sinds Pim Fortuyn zijn politici als de dood voor “het volk”. Luisteren naar “het volk” is een nieuw politiek correct credo geworden.’ Politici hebben ‘het volk’ volgens De Haan zeer streng afgebakend: ‘Het zijn de autochtone burgers in de oude wijken wier zorgen lang niet serieus zijn genomen door “de linkse kerk”.’ De vermeende afstand van de linkse kerk tot ‘het volk’ zou er de oorzaak van zijn dat ‘links’ maar niet wil inzien welke rampen ons allemaal boven het hoofd hangen.
De Haan: ‘Vooral Job Cohen, burgemeester van Amsterdam, wordt vaak naïviteit verweten als het gaat om het gevaar van de islam.’ Cohen lijkt dan ook binnen het politiek correcte discours van ‘flink rechts’ te zijn uitgegroeid tot een haast demonische lafaard, de ‘opperpriester van de linkse kerk’ – hoewel de Amsterdamse burgervader onlangs bij rechts punten heeft gescoord door nadrukkelijk de Marokkaanse etniciteit te benoemen van jongeren die ambulancepersoneel lastigvallen in zijn stad.
De Haan ziet hoe de ‘linkse kerk’ een nieuw politiek correct dogma is geworden binnen het integratiedebat: ‘De linkse kerk, en dan met name de PvdA, zou de grote kracht zijn achter de idee-fixe van “integratie met behoud van eigen cultuur”. Maar in de jaren tachtig – toen de PvdA niets eens in de regering zat – en begin jaren negentig heerste er van links tot rechts een politieke consensus over het idee van integratie met behoud van eigen cultuur. Socioloog Han Entzinger, een prominent PvdA-lid, waarschuwde als enige al in de jaren tachtig voor de problematische kanten van integratie met behoud van eigen cultuur.’
VVD-Kamerlid Stef Blok: ‘Zowel voor links als rechts was kritiek op de multiculturele samenleving lang taboe. Frits Bolkestein heeft dat taboe midden jaren negentig doorbroken door als eerste openlijk ook culturele oorzaken te benoemen voor de problemen van de multiculturele samenleving.’ Werd Bolkestein destijds nog voor ‘fascist’ uitgemaakt wegens zijn inbreng, inmiddels lijkt de ‘culturele verklaring’ een monopolie te hebben gekregen in het integratiedebat. Femke Halsema: ‘Was het in de jaren tachtig taboe om culturele oorzaken te zoeken voor de achterstand van migranten, nu word je vierkant in je gezicht uitgelachen wanneer je beweert dat sociaal-economische omstandigheden óók een rol spelen.’ Ook de PvdA heeft zich inmiddels het dogma toegeëigend dat leert dat vooral culturele oorzaken de achterstand en de vermeende moeizame integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving verklaren. PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem stelde onlangs nog in een interview met NRC Handelsblad triomfantelijk vast dat PvdA’ers die menen dat vooral sociaal-economische oorzaken een rol spelen ‘een marxistisch achterhoedegevecht’ leveren binnen de partij.
Kijkcijferkanonnen
De vermeende islamisering van Nederland – en de kwalijke rol die de ‘linkse kerk’ daarin zou spelen – lijkt inmiddels een prominent subthema binnen het integratiedebat. ‘Allochtonen’, ‘moslims’ en ‘Marokkanen’ worden binnen dat debat veelal als synoniemen gebruikt. De vraag hoe het féítelijk is gesteld met de integratie van allochtonen dan wel moslims – hun prestaties in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, hun mening ten aanzien van de rechtstaat en de democratie – is van minder belang.
Laila Berrich, advocaat bij de ondernemingsrechtpraktijk van NautaDutilh en medeoprichter van het Nederlands-Marokkaanse juristennetwerk (NMJ): ‘Ik krijg sterk de indruk dat het voor de media veel interessanter is om een orthodoxe imam uit te nodigen die homoseksuelen van flats wil werpen dan een liberale, hoogopgeleide en geïntegreerde moslim. Wij zijn saai. We zijn tevreden met ons leven, gaan op in de massa. Geen kijkcijferkanonnen.’
Ook rechtsgeleerde en islamcriticus Afshin Ellian constateert dat het goed gaat met de integratie van moslims in Nederland: ‘Het opleidingsniveau stijgt, veel moslimstudenten seculariseren razendsnel en steeds meer moslims accepteren de scheiding tussen kerk en staat. Maar ik denk dat de toenemende integratie en emancipatie van moslims de verdíénste is van het gepolariseerde debat. Juist de felheid waarmee het debat wordt gevoerd, dwingt moslims om kritisch na te denken over de islam. Polarisatie dwingt je tot het maken van een keuze. De polarisatie van het debat over islam en integratie heeft de emancipatie van moslims in Nederland de afgelopen jaren bevorderd.’
Bang voor boerka’s
Femke Halsema vindt dat gepolariseerde debat helemaal geen noodzaak: ‘Dat polarisatie goed is voor de emancipatie en integratie van moslims is een wijsheid uit het ongerijmde. Net zo goed als de bewering dat de afwezigheid van polarisatie de emancipatie en integratie zou versterken. De emancipatie en integratie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders is een langlopend proces dat al vóór het huidige integratiedebat is begonnen. Je ziet dat migranten in westerse samenlevingen altijd integreren, maar niet per se binnen één à twee generaties.’
Politicoloog Maurice Crul ziet wel degelijk de gevolgen van het gepolariseerde integratiedebat: ‘De studenten die ik heb geïnterviewd voor mijn onderzoek hebben hun onschuld verloren. Tien jaar geleden had je een voorhoede die leefde in een roes: wij gaan de kansen grijpen die Nederland ons biedt, wij gaan de samenleving een ander beeld van onze gemeenschap tonen, wij willen een voorbeeld zijn voor onze jongere neefjes en nichtjes. De studenten van nu zijn realistischer. Ze beseffen dat ze een stigma met zich meedragen, dat veel Nederlanders negatief over Marokkanen en Turken denken, dat ze drie keer harder moeten werken om succes te behalen. Ze gaan daar ook vrij professioneel mee om. Ze onderhouden goede netwerken die bedoeld zijn om elkaar vooruit te helpen.’
Sociaal-geograaf Ewald Engelen is somber gestemd: ‘De angst voor de islam wordt niet alleen gevoed door een paranoïde groepje rechts-conservatieve populisten. Ook de politieke elite bezondigt zich eraan. Nederlanders worden continu bang gemaakt met boerka’s, met de dreiging voor een aanslag door onheilspellende berichten van de Nationale Cöordinator Terrorismebestrijding, met moslims die maar niet de Nederlandse identiteit willen accepteren. Maar wanneer je de angst voor de islam aanwakkert, creëer je vanzelf je eigen vijand omdat moslims zich dan steeds meer van de samenleving zullen afkeren.’
Integratie in Nederland: De cijfers
Demografie
Het kindertal van eerste generatie Turkse en Marokkaanse
vrouwen (gemiddeld 2,7) ligt hoger dan dat van autochtone vrouwen (1,7). Het kindertal van de tweede generatie benadert steeds meer dat van autochtone vrouwen. (Jaarrapport integratie 2007, SCP)
Onderwijs
De doorstroming van allochtone jongeren naar de hoogste sporten van de onderwijsladder verloopt opmerkelijk voorspoedig. Binnen één generatie is er al sprake van een grote opwaartse onderwijsmobiliteit. Vooral onder de Turkse en Marokkaanse bevolking. (Rapportage minderheden 1999, SCP)
Religie
Grootschalige surveys in 1998, 1999 en 2002 geven een represen-tatief beeld van religieuze verandering en diversiteit binnen de
Turkse en Marokkaanse minderheden. Het voornaamste resultaat van beide studies is een brede trend naar secularisatie, in de zin
van een afname van de geloofspraktijk bij de jongeren en de
hogeropgeleiden. Van de jongere generaties Turken en Marokkanen zegt nog hooguit één derde elke vrijdag de moskee te bezoeken, tegenover een kleine helft van de oudere generaties. (Moslims in Nederland 2004, SCP)
Arbeidsmarkt
Niet-westerse allochtonen hebben op diverse terreinen nog achterstanden op autochtonen en westerse allochtonen, maar deze worden geleidelijk wel kleiner. Zo is hun situatie op de arbeidsmarkt verbeterd. Dat geldt voor de tweede generatie veel sterker dan voor de eerste generatie. Ook de inkomenspositie van niet-westerse allochtonen is licht verbeterd en op het gebied van scholing is enige vooruitgang geboekt. Tegelijkertijd blijft de positie van niet-westerse allochtonen kwetsbaar, vooral bij economische tegenwind. (Jaarrapport integratie 2008, CBS)
Cultuur
Afstand tussen bevolkingsgroepen hoeft niet fysiek te zijn, maar kan ook de vorm aannemen van verschillen in normen en opvattingen en gedragsmatige verschillen. In dat opzicht is eerder sprake van toenadering, vooral doordat de tweede generatie zich meer op de Nederlandse samenleving oriënteert. De afstand tot het herkomstland wordt groter. Beheersing van de Nederlandse taal en deelname aan het onderwijs spelen daarin een belangrijke rol. (Jaarrapport integratie 2008, CBS)
Terug naar de tekst
