George Pelecanos: 'Het leven is lang'
Hij is een thrillerschrijver van naam en een van de bedenkers van de hyper-realistische televisieserie The Wire. George Pelecanos wil de wereld laten zien zoals hij is, en niet zoals de mensen hem graag willen zien. ‘Ik kan uren met de bus meerijden, alleen maar om te horen hoe anderen praten.’
‘Yeah. I did it,’ zegt de man, op een toon die zelfs in de verste verte niets weg heeft van een bekentenis. Behalve twee koude ogen heeft hij weinig opvallende uiterlijke kenmerken. Hij speelt met zijn trouwring, die hij een halve centimeter over zijn vinger heen en weer beweegt, zonder een spoor van zenuwen overigens.
Hij somt op. ‘Ik heb Wallace vermoord. Dat viel me zwaar, moet ik zeggen. Hij was nog een tiener. Ik heb Stringer Bell vermoord. Ik heb op Frank Sebotka geschoten. Hij is later ook door mijn hand gestorven. En ik schoot op Snoop. Nee, Omar niet. Dat was iemand anders. Ik kan me heel goed voorstellen dat mensen hebben gehuild bij zijn dood. Hij was de enige met een morele code.’
De man die op deze typerende kurkdroge toon spreekt, is George Pelecanos, sinds de jaren negentig thrillerschrijver van naam uit Washington. Aan het begin van deze eeuw kwam hij David Simon tegen op een begrafenis. De twee heren kenden elkaar voor die tijd alleen maar van reputatie. Pelecanos gaf Simon een lift naar huis. Ze raakten aan de praat. Simon vertelde over een politieserie waaraan hij werkte voor de televisiezender HBO. Een serie die nou eens voor één keer de werkelijkheid van het stadsleven zou moeten vertellen. En aangespoord door zijn enthousiasme wilde George Pelecanos, als was het een op handen zijnde drugsdeal of een plan voor een bankoverval, meteen in.
Aldus geschiedde. Hij werd niet alleen een van de producers van The Wire, vooral in Europa bestempeld als de beste televisiereeks ooit gemaakt. Pelecanos maakte ook nog een ‘deal’ met Simon: hij zou bij elk seizoen het scenario van de voorlaatste aflevering voor zijn rekening nemen. ‘De andere schrijvers hadden daar flink de pest over in. Want in de op een na laatste aflevering komt alles bij elkaar. Personages worden neergeschoten of om zeep geholpen.
‘Stuff like that vind ik, en ik niet alleen, heerlijk om te schrijven. Ik houd van conflict. Meer nog dan in de schietpartij zelf ben ik geïnteresseerd in de rit naar de stad en de binnenkomst in de saloon. Spanning die tergend langzaam wordt opgebouwd. Niet het geweld zelf.’ Hij praat verder alsof de reeks, misschien niet eens alleen voor dit moment, samenvalt met het echte leven. ‘De dingen die ik heb moeten doen…
In het eerste seizoen wordt Wallace, een van de corner kids, doodgeschoten door zijn vrienden. Die scène was ontzettend moeilijk te schrijven. Het filmen zelf bleek eveneens afschuwelijk. De sfeer op de set was ondraaglijk, dat herinner ik me nog heel goed. We hielden van Wallace! Een lieve jongen.’ George Pelecanos schudt zijn hoofd. ‘En dan zo aan zijn einde komen.’
Vijf seizoenen hield The Wire het vol. Niet zonder problemen. ‘Na elk jaar moest David Simon die lange gang bij HBO door om de bazen te vragen of we nog één keer verder mochten. Met The Wire haalden we in de Verenigde Staten namelijk nog geen kwart van de kijkcijfers van The Sopranos. Daar is een reden voor. Ik wil niet zeggen dat de serie te slim was voor veel mensen, al zou het daar best eens op neer kunnen komen. Maar er speelt nog iets anders: The Wire had een voornamelijk zwarte cast in een serie die geen komedie is. Of daarom The Sopranos populairder was? De Amerikaanse bevolking bestaat voor twaalf procent uit zwarten. Ik hoor regelmatig van mensen uit mijn kennissenkring dat ze geprobeerd hebben naar “mijn serie” te kijken. Het is ze niet gelukt, zeiden ze, because they didn’t wanna go there. Dat is een code. Het betekent dat ze niet wilden afdalen in het getto. Europeanen hebben daar veel minder moeite mee. Maar, hé, het is ook niet hun achtertuin natuurlijk.’
George Pelecanos typeert The Wire als een anti-cop show. Hij doceert: ‘De gemiddelde politieserie gaat zo: er wordt een misdaad begaan en vijftig minuten later is die opgelost. Dat is een grote leugen natuurlijk. In de Verenigde Staten wordt niet meer dan veertig procent van de misdaad opgelost, dus ga maar na. Het is een leugen, maar het is wel precies wat wij allemaal willen zien. Ach, op televisie zwaait elke agent driftig met zijn revolver, in werkelijkheid trekt de grote meerderheid tijdens hun loopbaan nooit hun piece. Zelfs arrestaties hebben vaak niet de adrenalinekick die wordt verondersteld. In The Wire heeft politieagent McNulty op een zeker moment eindelijk drugsbaas Avon Barksdale te pakken. Er vindt geen grote confrontatie plaats. McNulty heeft zelf ergens een tekst die luidt: “Ik dacht dat dit goed zou voelen.” Het is een anticlimax.’
Officer friendly
Tegen het eind van The Wire zei Pelecanos de serie vaarwel om zich verder te richten op zijn romans. Maar televisie en film – zijn naam staat op de aftiteling van vroege films van de broers Coen, zoals Barton Fink – blijven aantrekkelijk: met David Simon zal hij Treme schrijven, een reeks over muzikanten in New Orleans ná Katrina. Ook de gedroomde verfilming van zijn eigen pulproman, Shoedog zou eind dit jaar wel eens kunnen beginnen.
Maar het schrijven van romans zal altijd een constante in zijn leven blijven. Opmerkelijk voor iemand die in zijn tienerjaren nauwelijks las. Hij heeft het gevoel dat hij nog steeds beter wordt. Eerlijker. ‘Als schrijver moet je de wereld presenteren zoals die is, en niet zoals de mensen hem graag willen zien, of zoals lezers hem graag willen ervaren. Dat is nogal een verschil. De meeste schrijvers die populair zijn, de bedenkers van de luchthavenromannetjes, presenteren de wereld zoals mensen hem graag willen zien. In het slothoofdstuk wordt de orde altijd hersteld. In wezen zijn zij hetzelfde als de cop shows waar we het net over hadden. Als je mijn boeken uit hebt, weet je één ding zeker: de orde, wat dat dan ook mag behelzen, zal niet hersteld zijn.’ Hij laat een stilte vallen. ‘Dat is het. Dat is het precies.’ Hij kijkt voor zich uit en prevelt: ‘Nu heb ik even helemaal niets meer te zeggen.’
Krankjorum
Zijn eerste boeken waren vermakelijk, zegt hij zelf, maar allesbehalve geweldig. Hij schreef in de eerste persoon. Je hoefde geen helderziende te zijn om te weten dat hoofdpersoon Nick Stefanos een summier vermomde George Pelecanos was. ‘Ik schreef over wat ik wist, wat ik had meegemaakt. Ik had ook weinig anders om op af te gaan. Telkens wanneer ik research wilde doen, en me aanmeldde bij de politie om daar inzicht te krijgen in het echte werk, kreeg ik officer Friendly mee die een ommetje en een praatje met me maakte. Moet ik nog vermelden dat ik daar niets mee kon? Toen ik vroeger wilde weten hoe het was om drugs te verhandelen, ging ik gewoon naar een plek waar dat gebeurde en ik hing er rond, al had ik er feitelijk niets te zoeken. Volslagen krankjorum natuurlijk, maar destijds was het de enige manier om achter iets te komen.’
Nu heeft Pelecanos drugdealers, en misschien wel dezelfde als toen, in zijn mobiele telefoon staan. Dat komt door de nog altijd groeiende status van zijn schrijverschap, meent hij, maar zeker ook door The Wire. Ja, het is een feit: tegenwoordig ként hij drugsdealers. George Pelecanos zegt het zonder trots en kijkt onbewogen bij de mededeling. Dat past bij een keurig getrouwde middelbare man met drie kinderen die net over de grens van D.C. woont, in een mooi huis in Silver Spring. Dit is nu eenmaal zijn werk. ‘Ik kan een drugdealer ontmoeten voor een kop koffie en met hem praten zoals ik nu met jou praat. And I get the straight dope, want de mensen weten dat ik mijn bronnen bescherm, dat ik nog nooit iemand verraden heb. Die vertellen het verder: als je met Pelecanos praat, zal je vertrouwen niet worden beschaamd.’
Voor zijn laatste roman The Way Home, recent in Nederland verschenen als De weg naar huis, bracht hij vele, intensieve bezoeken aan een jeugdinrichting in de buurt van Washington, de stad waar al zijn boeken zich afspelen. ‘Ik zou niet over zoiets belangrijks willen schrijven zonder er naartoe te gaan, zonder die jongens te spreken. Dat zou getuigen van gebrek aan respect. Bovendien: ik heb weinig fantasie. En een plot bedenk ik nooit van tevoren. Het gaat mij in mijn romans steeds meer om de mechaniek achter een verschijnsel te laten zien. Hoe werkt zo’n jeugdinrichting?
Ik praat met de jongens daar om beter te leren begrijpen hoe zij denken, niet om spannende verhalen te weten te komen. Hun mentaliteit heb ik verwerkt in De weg naar huis, niet hun biografie. De jongens in het boek zijn volledig verzonnen. Het zaadje van het boek, de oorspronkelijke reden waarom ik het heb geschreven, kwam voort uit een bezoek aan een cel van een jongen die er niet eens was. Ik had rustig de kans even rond te kijken. Man, het was zo klein en zo mismoedig. En hier, dacht ik, woont een jongen van veertien, vijftien? Hier wordt niemand beter van. Zo is het begonnen.’
De weg naar huis heeft weer alle kenmerken van een Pelecanos, onmiddellijk herkenbaar aan het danig uitgebeende taalgebruik. Het verhaal drijft op de levensechte personages en de fantastisch geschreven dialogen. Op het laatste is Pelecanos nog het trotst. ‘Het moet lijken of je luistervink speelt bij al die mensen. Dan ben ik geslaagd.’ Hij haalt even adem. ‘Dit,’ zegt hij, met een priemende vinger wijzend op de walkman waarmee dit gesprek wordt opgenomen. ‘Dit doe ik alleen maar omdat het moet. Ik vind het vreselijk om te moeten praten over mezelf. Maar hoe weten mensen anders dat ik besta?
‘Ik ben een luisteraar. Ik ben de man die aan het hoekje van de bar zit, stilletjes. Ik kan uren met de bus meerijden, alleen maar om te horen hoe anderen praten. Ik durf te zeggen dat ik een goede luisteraar ben. Ik was ooit verkoper van damesschoenen. Die ervaring komt me hier goed van pas. Je veronderstelt dat een verkoper een vlotte babbel moet hebben. Nee, de beste verkopers zijn goede luisteraars. Ze weten dat het niet om hen gaat maar om die ander.’ Hij lacht. ‘Er is niets veranderd.’
Te simplistisch
Komende herfst keert George Pelecanos terug naar de jeugdgevangenis, om les te geven. Hij zal er met de gedetineerden een van zijn beste boeken lezen, Harde revolutie, dat zich afspeelt in de tijd dat Martin Luther King werd vermoord. ‘Je zou kunnen zeggen dat ik geschiedenisles geef, verpakt in de vorm van mijn roman. Er is in Amerika hoegenaamd geen interesse in geschiedenis, maar ik heb de hoop dat ik tot deze jongens kan doordringen met een emotioneel verhaal over die tijd.
Alleen al het eerste hoofdstuk laat zien hoe zwarten eind jaren vijftig leefden in D.C. Ik denk niet dat ze dat weten. Ik denk niet dat ze weten hoe het voelde om op straat nigger te worden genoemd. Ik weet zeker dat ik niet al die gasten in de inrichting zal bereiken. Maar eentje is genoeg. Eén jongen die later boeken zal willen lezen.’
Vanzelfsprekend imiteert het leven de kunst en andersom. Maar in de boeken van George Pelecanos, die toch vooral de harde werkelijkheid wil beschrijven, is de kans daarop nog veel groter. In De weg naar huis komt ook een schrijver voor, een ex-jeugdgevangene die gebruik maakt van het pseudoniem J. Paul Sampton. Na zijn celstraf heeft hij het ‘gemaakt’. Maar als hij een lezing komt geven in de jeugdinrichting wordt het een regelrechte afgang. ‘Wat hij fout doet?
Zijn boodschap is te simplistisch. Hij redeneert precies hetzelfde als alle conservatieven in de Verenigde Staten. Het is per slot van rekening het land van de enorme mogelijkheden. Kijk naar mij, zegt de schrijver, ik kan veranderen, dus jullie ook. Ik draag nu dit mooie pak, terwijl ik net als jullie van de straat kom. Ik ben een rolmodel. Geloof me, dat is het laatste wat die jongens willen horen.
Hun blik is ontzettend beperkt. Dat heeft deels te maken met hoe de hersenen van jongens op die leeftijd werken. Ze denken dat niemand kan begrijpen wat zij doormaken. Maar ze horen wel steeds hetzelfde verhaal: “Dit is Amerika, je kunt zijn wie je wilt zijn.” Maar de waarheid is: niet iedereen kan zijn wie hij wil zijn. Het voornaamste dat ik ze te zeggen heb, is een nuchtere constatering: het leven is lang. Het gezegde luidt life is short, ik weet het, maar ik denk juist dat het tegenovergestelde klopt. Ook ik heb de meest vreselijke dingen uitgehaald in mijn jeugd. Ik weet nog dat ik dacht: ik heb het volledig verknald. Zo voelen die jongens zich nu ook. Maar het slijt, zaken gaan voorbij. Het leven is lang: het is in elk geval iets om aan vast te houden.’
‘De weg naar huis’ van George Pelecanos, Vertaald door Ankie Klootwijk en Ernst de Boer, is verschenen bij Anthos, 336 pagina’s, € 19,95
