Frank Furedi: ‘We voeden onze kinderen op als idioten’

10 juni 2006
Leestijd:

De Britse dwarsdenker Frank Furedi weet als geen ander de zenuwen van de moderne samenleving te treffen. In zijn boek ‘Waar zijn de intellectuelen?’ richt hij zijn pijlen op de elite. Die helpt het onderwijs om zeep en verbergt achter een quasi democratische ideologie minachting voor de gewone mens. ‘Zelfs in elitescholen worden kinderen behandeld als domme wezentjes.’

‘Ik ben verbijsterd dat intellectuelen het debat over het onderwijs niet aangaan. Hoeveel van hen laten hun stem horen over wat er gebeurt met kinderen op school en op de universiteiten? Regelmatig krijg ik e-mailtjes van mensen die zeggen, “heel goed, Frank, ik ben blij met wat je doet”, maar zelf ondernemen ze niets.’

In de krappe werkkamer van Frank Furedi op de universiteit van Kent loopt de temperatuur hoog op. Deze maand verschijnt de Nederlandse vertaling van Furedi’s pamflet Where Have All the Intellectuals Gone? Daarin geeft de hoogleraar sociologie de elite ervan langs. Die durft het niet aan om culturele standaarden hoog te houden, heeft het onderwijs om zeep geholpen en verkondigt een schijnbaar democratische ideologie (‘iedereen moet kunnen meedoen’) waarachter juist minachting voor de vermogens van de gewone mens schuilgaat.

Als de intellectuelen dan al verdwenen zijn, zelf is Furedi er zonder meer een. Sinds de publicatie van Culture of Fear (1997) is hij niet uit de media weg te branden. In dat spraakmakende boek schetste hij hoe een cultuur van angst en bescherming de samenleving in een ijzeren greep houdt en we sidderen onder diffuse, telkens verschuivende angsten. Niet minder stof deed hij opwaaien met Paranoid Parenting (2001), waarin hij analyseerde hoe de opvoeding vandaag de dag in het teken staat van de vrees de tere kinderziel te kwetsen. Op menig gevoelig teentje stapte hij opnieuw met Therapy Culture (2004), een aanklacht tegen het ‘therapeutische ethos’ en het emotionalisme dat het publieke leven doordrenkt.

Een schare bewonderaars volgt Furedi’s altijd provocatieve werk gretig. Maar felle tegenstanders als Guardian-columnist George Monbiot zien in hem een oude marxist die een draai van honderdtachtig graden naar rechts heeft gemaakt. Hij zou behoren tot een club rondom het in 2000 opgeheven tijdschrift LM – tot midden jaren negentig Living Marxism – die nu een ruig neoliberaal individualisme predikt en campagne voert ‘voor het broeikaseffect, het klonen van mensen en vrijheid voor ondernemingen’. De bende van Furedi zou zijn tentakels tot ver in het Britse establishment hebben uitgestoken en via een netwerk van organisaties als Sense on Science, The Institute of Ideas en de website spiked-online haar gedachtegoed verspreiden.

Furedi mag dan naar rechts opgeschoven zijn, voor zijn revolutionaire verleden schaamt hij zich allerminst. Wanneer ik hem vertel dat ik in Nederland tevergeefs heb gezocht naar sporen uit zijn marxistische tijd, rijdt hij me als een man die het gevaar niet schuwt naar zijn huis in Faversham. Daar drukt hij me vol trots enkele nummers van het tijdschrift LM in handen, een blad dat volgens Furedi uitdrukking gaf aan klassieke, emancipatoire idealen. In de gang hangt de beeltenis van de Hongaarse communist Lukács. Op zijn werkkamer pronkt het verzamelde werk van Marx en Engels.

Furedi’s ouders ontvluchtten Hongarije in 1956. Ze zetten koers richting Canada, dat in hun verbeelding halfweg lag tussen het oude Europa en de nieuwe wereld van Amerika. Daar groeide Furedi op, studeerde geschiedenis en kwam in de jaren zeventig in aanraking met de radicale studentenbeweging. Hij belandde op een zwarte lijst en kwam geen Canadese universiteit meer binnen. In Londen vond hij een promotieplaats. Halverwege de jaren zeventig richtte hij er de Revolutionary Communist Party op.

Keken uw ouders, die het communisme juist onvlucht waren, niet vreemd op?
‘Een gevleugelde uitdrukking binnen onze familie was: bloed is dikker dan water. Strijd over politiek hoorde erbij, zolang we maar een gevoel voor goed en kwaad hielden en met elkaar konden leven. Mijn ouders vonden dat ik te radicaal was en waren daar ongelukkig mee. Maar aan de andere kant waren ze trots dat ik politiek betrokken was en niet gewoon een carrière nastreefde. Mijn vader vond: we zijn op aarde gekomen om iets goeds te doen, niet om achterover te leunen en de dingen te laten gebeuren. Hij was zeer actief in de revolutie. Ik zat op één lijn met hem: we haatten het systeem in Oost-Europa. Bij de inval in Praag heb ik gedemonstreerd. Ik ben nooit een aanhanger van een sterke bemoeienis van de staat geweest, maar Marx’ visie op de geschiedenis, op de rol van mensen in het veranderen van hun omstandig­heden, fascineerde me. Ik werd gedreven door een libertair sentiment, vermengd met een sterk gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Toen ik zes jaar oud was, zag ik dat een oude zigeunervrouw in elkaar werd geslagen. Ik riep: blijf van haar af. Klasgenootjes vertelden dat verder en ik werd van school getrapt. Ik ben altijd een humanist geweest, net als mijn rechts georiënteerde familie. Mensen beweren dat ik van heel links naar nogal rechts ben opgeschoven. Zo voel ik het zelf niet. In de klassieke betekenis van het woord ben ik links gebleven. Maar veel van de eigenschappen die links definieerden, zijn verloren gegaan.’

Na het nu in het Nederlands verschijnende Waar zijn de intellectuelen? schreef Furedi al weer een nieuw boek, Politics of Fear. Daarin analyseert hij de uitputting van de politieke verbeelding. Langs de hele breedte van het politieke front ziet hij ideeënarmoede. De publieke sfeer is gedepolitiseerd, terwijl privézaken als identiteit en levensstijl juist onderwerp van de politiek zijn geworden. De begrippen links en rechts hebben nauwelijks betekenis meer. Traditioneel was de Verlichting het mes dat links van rechts scheidde. Links omhelsde de idealen van rede, vooruitgang en universalisme. Rechts verdedigde de traditie en was bang voor de wetenschap. Nu lijken de rollen af en toe omgedraaid. Aan het slot van Politics of Fear pleit Furedi voor een tweede Verlichting. Wil hij de traditioneel linkse Verlichtingsidealen in ere herstellen?

‘De geschiedenis herhaalt zich nooit. Wel is het aan ons beslissingen te nemen over wat we uit onze erfenis willen behouden en wat we achter willen laten. Ik verkies het om de meeste idealen uit de Verlichting met mij mee te nemen. Volgens haar vijanden is er een lijn te trekken van de achttiende-eeuwse Verlichtingsdromen naar de holocaust. Ik zou juist zeggen dat het onvermogen te leven naar de belofte van de Verlichting de-structieve gevolgen heeft. Alle bewegingen die een rol hebben gespeeld in de verschrikkingen van de twintigste eeuw waren met heel hun hart tegen de Verlichting. Ze waren tegen de geest van het wetenschappelijke experiment en het rationalisme. In plaats daarvan keken ze op een mystieke, geperverteerde manier naar de wereld.

Dingen redelijk en rationeel verkennen is moeilijker dan gewoon stoom afblazen. De Verlichting belooft je niets. Er is nooit een idioot geweest die heeft gezegd dat ze tot lineaire vooruitgang zou leiden. Alles wat ze beweert, is dat er een potentieel is voor het veranderen van onze omstandigheden en het oplossen van onze problemen. Wat we nodig hebben, is een kritische politieke cultuur die onze vergissingen bijstelt en onze successen promoot.’

Hoe kunnen we de politieke verbeelding nieuw leven inblazen?
‘De sleutel is een nieuwe visie op de mens. Als ik denk dat jij slecht, egoïstisch of incompetent bent, vind ik alle aanvallen op jouw vrijheid van meningsuiting geoorloofd. We hebben nu een ongekend negatief mensbeeld. Al die wetten tegen het terrorisme, al die pogingen om mensen hun burgerrechten af te pakken, hebben dan zin. We zien mensen als extreem zwak, psychologisch de weg kwijt, getraumatiseerd, niet in staat zichzelf te redden, behoeftig aan iemand die hun handje vasthoudt. Die visie op de mens hangt samen met de mislukking van de politiek, de teleurstelling over de Verlichting, over de sociaal-democratie en het liberalisme. We geloven dat ze niet in staat gebleken zijn hun belofte waar te maken. Diep geworteld is de overtuiging dat alles wat mensen aanraken in modder verandert. Dat zien we heel sterk in de ideologie van de milieubeweging. Een begrip als “ecologische voetafdruk” betekent dat ieder menselijk handelen als een aanslag op de natuur wordt opgevat. Het is in onze samenleving haast een religie geworden om mensen als destructief te zien. Daarom willen we zo graag grenzen stellen aan het menselijke handelen. Dat sijpelt overal doorheen, van gezondheidspolitiek tot milieuwetgeving, van ons onderwijssysteem tot kleine dingen als de angst kinderen te belasten met competitieve sporten, omdat die hun faalangst zouden vergroten.’

Niet voor niets toont de enige foto in Furedi’s werkkamer een groepje jongens in judopak, onder wie zijn zoon. Maar hij mag dan wel zeggen dat we de mens graag zien als een zwak wezen dat zichzelf niet kan redden, tegelijkertijd is toch het idee alomtegenwoordig dat je verantwoordelijk bent voor je eigen leven? Furedi vindt dat maar schijn. ‘Als iemand krachtig pretendeert te zijn, is wantrouwen zijn deel. Zelfbedrog, denken we meteen. Het is een mythe dat we in neoliberale tijden leven waarin we het robuuste individu verheerlijken. In iedere Hollywood-film zie je pathetische personages die psychisch gedesoriënteerd zijn. Hoewel we met de mond belijden dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven, is “zoek hulp” het credo. Voor de kleinste emotionele problemen heb je hulplijnen. De traumateams staan altijd klaar om toe te snellen. De notie van eigen verantwoordelijkheid bestaat wel, maar het is een zwak besef. Veel sterker is het idee “je bent echt niet in staat voor jezelf te zorgen”.

Wat de overheid nu doet, is niet de kwetsbaren helpen, maar ze cultiveren. Er is een econoom, Richard Layard, die beweert dat de staat tienduizend sociaal werkers en therapeuten meer moet aanstellen. Dat is van burgers patiënten maken. Precies wat er steeds meer gebeurt. Kijk naar Nederland. Je gaat mij niet vertellen dat al die mensen die volgens de statistieken langdurig arbeidsongeschikt zijn, werkelijk niet kunnen werken. De staat kan óf zorgen voor de kleine minderheid die echt hulp nodig heeft, wat een goede zaak is, óf de halve wereld in kwetsbare mensen omtoveren en kwetsbaarheid als een natuurtoestand zien. Dat is wat ze nu doet. Eens in de zoveel tijd constateert Den Haag dan geschrokken hoeveel arbeidsongeschikten er zijn. Financiële calculaties leiden op zo’n moment tot een kleine aanpassing van de wet. Maar aan de premissen verandert niets.’

Hoezo is het een mythe dat we in neoliberale tijden leven? Schrijdt de liberalisering van de markt onder invloed van Europa niet in rap tempo voort?
‘Al meent iedereen dat het neoliberalisme heerst, er is haast geen mens die het intellectueel koestert. In de dagen van Enron heeft het kapitalisme een imagoprobleem. Boeken met titels als In Praise of Capitalism bestaan nauwelijks. Neem British Petrol. Die adverteren met “BP: beyond petroleum”. Ze profileren zich als een vriendelijke, groene organisatie. In de mission statements van grote ondernemingen lees je nooit: onze missie is winst te maken. Het lijken wel de verklaringen van religieuze organisaties in plaats van kapitalistische bedrijven.

Bovendien is neoliberalisme eigenlijk een onzinwoord. Ik geloof niet dat er iets als de vrije markt bestaat, die is er nooit geweest. In een beschaafde samenleving heb je een markt in combinatie met een overheid die de sociale goederen levert die elke civil society nodig heeft: onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur. Maar de interventie van de staat heeft op dit moment vooral een remmend karakter. In Engeland dicteert de overheid wat er op dinsdag onderwezen moet worden in de eerste klas, we hebben een nationaal curriculum. Als het World Trade Center in elkaar stort, mag je er met de kinderen niet over praten, omdat je het programma moet afwerken.

Ik zou willen dat de staat meer verlicht, meer progressief en op de toekomst gericht was. Nu heeft de bemoeienis van de overheid de neiging fnuikend te zijn voor het nemen van risico’s en het experimenteren. Neem het voorzorgprincipe, dat zo populair is in jullie land: het zekere voor het onzekere nemen om risico’s te vermijden. Dezelfde mensen die dat voorstaan, zijn kritisch als Bush zegt dat we Irak van de kaart moeten bombarderen voor het geval ze massavernietigingswapens bezitten. Maar dat is het voorzorgprincipe ten voeten uit! Zo werkt het bij het aan banden leggen van wetenschap en technologie ook. Het maakt elk mogelijk technisch probleem tot een morele crisis. Dat zagen we prachtig bij de millenniumbug.’

U stelt dat het verlangen naar zekerheid en veiligheid alom is. Tegelijkertijd lijkt iedereen op zoek naar kicks en gevaren.
‘We blijven mensen die, vooral als ze jong zijn, graag risico’s nemen. Als je leven voorspelbaar en formuleachtig is, wil je eruit breken. Jonge mensen nemen drugs, brengen tatoeages aan of snijden zichzelf. Anderen doen extreme sporten. Ik zie dat als reacties die veel meer gereguleerd zijn dan je denkt. Angst is een perspectief. In de jaren dertig waren we allemaal bang voor werkloosheid. In de jaren vijftig was het de bom. In de Middeleeuwen de pest. Zo’n angst die ons verenigt, hebben we niet meer. Op maandag kun je bang zijn voor obesitas, op dinsdag is het de vogelgriep, op woensdag terrorisme, op donderdag klimaatverandering en ga zo maar door. Misschien is de angst voor terrorisme nu wel groot, maar mij vallen vooral die banale, vage angsten op. Ouders die bang zijn om hun kinderen dingen te laten doen. In crèches zie je lijsten hangen met eindeloze instructies. John mag geen pinda’s eten. Mary is allergisch voor stof. Allemaal alledaagse angsten die weinig exact zijn. Toen ik hier eind jaren zeventig mijn baan kreeg, stond er altijd een rij van vijftig studenten te liften. Niemand nam de bus. Je stapte in de auto bij een vreemde. Geen mens doet dat nog. Ik kan je vertellen dat liften in Canterbury een weinig gevaarlijk experiment is. Met de vogelgriep is het niet veel anders. Misschien zijn er honderdvijftig mensen aan gestorven in een paar jaar. Een zwaan sterft in Schotland en iedereen pist in zijn broek.’

Furedi’s boek over de politiek in het teken van de angst kwam voort uit zijn nu in het Nederlands verschijnende aanklacht tegen het tamme intellectuele leven en de verdomming van het onderwijs. Eigenlijk was hij twee andere boeken aan het schrijven: Invitation to Terror, over wat het idee van terrorisme betekent in ons leven. En: Three Wars that Changed the Way We Think. Dat moet een sociale geschiedenis van het begrip ‘politiek correct’ worden. Maar na voltooiing van zijn boek over de intellectuelen voelde Furedi een aandrang te doordenken hoe het gebrek aan een levendige intellectuele cultuur zich weerspiegelt zich in de uitputting van de politieke verbeelding. ‘Je kunt niet verwachten dat er grote politici zijn wanneer er nauwelijks een zoektocht is naar grote ideeën. Politics of Fear was dus het uitvloeisel van iets fundamentelers.’

U vraagt zich af waar de intellectuelen zijn gebleven. Zijn ze niet overal in de media? U zelf bijvoorbeeld, wordt u niet gehoord?
‘Meer dan vroeger. En als er niemand naar me luistert, is het mijn eigen fout. Ik spreek veel in het openbaar. Van die presentaties voor een algemeen publiek leer ik meer dan van sessies in een academisch milieu. Ze maken je duidelijk wanneer je niet helder bent en er een sprong zit in je logica.

In Groot-Brittannië zijn intellectuelen geobsedeerd door hun eigen, beperkte vocabulaire. Ze kunnen zelfs met elkaar niet praten. Ze verschuilen zich achter hun eigen woorden, lezen elkaars werk niet eens. Het intellectuele leven is zeer gefragmenteerd en heeft geen taal waarmee het een verbinding met het publiek kan leggen. Haast geen intellectueel spreekt zich uit over wat er gebeurt aan de universiteiten, waar men het spoor volledig bijster is. In plaats van een plek waar je de verwerving van kennis nastreeft, is het een diplomafabriek geworden. Het lijkt erop dat we de pedagogie van de lagere school op universiteiten hebben ingevoerd. We denken dat studenten niet slim genoeg zijn om uitgedaagd te worden. Toen mijn zus op haar achttiende van het gymnasium in Hongarije kwam, wist ze meer dan iemand die nu een universiteit afrondt.’

Iedereen bezingt toch het belang van goed onderwijs en de kenniseconomie?
‘Kennis zien we als een instrument. Zoals we behoefte hebben aan voedsel, hebben we kennis nodig. We vatten het op als een in kwantitatieve maten te vangen middel. Maar kennis komt juist tot stand door de intellectuele verkenning van problemen die je in de meest onverwachte richtingen kan voeren. Zelfs aan de universiteiten moet je precies vertellen wat je gaat doen en welke resultaten je ermee beoogt om subsidie te krijgen voor onderzoek. Bij al het onderzoek dat ik vanaf mijn promotie heb verricht, ben ik nooit uitgekomen waar ik verwachtte. Het hele proces van ontdekken en experimenteren is iets waar we ons heel ongemakkelijk bij voelen.’

U wilt de verdomming keren. Slaagt u daar zelf in aan de universiteit?
‘Veel studenten hebben nog steeds idealen en een verlangen iets te leren. Zij vinden het mooi wat ik doe. Hier op mijn eigen afdeling heb ik geboft met mijn collega’s. Toch krijg ik regelmatig kritiek. Er wordt nu van ons verwacht dat we al onze collegeaantekeningen op het internet zetten, om de studenten te helpen bij de voorbereiding van hun tentamens. Dat vind ik zo onacademisch, dat doe ik gewoon niet. Zo nu en dan hoor ik dan collega’s: Furedi is een rechtse reactionair. Terwijl ik juist een man van de Verlichting ben: ik neem de studenten serieus, behandel ze niet als kinderen maar als redelijk volwassenen individuen die heus wel een boek kunnen lezen.

Soms praat ik met politici die bij een glas wijn tegen me zeggen: je hebt gelijk, Frank. Maar als ze een politieke rol spelen, voelen ze zich beschroomd om te stellen dat het onderwijs de lat hoger moet leggen. Als je het onderwijssysteem bekritiseert, is de eerste vraag waarom je de docenten en studenten die zo hun best doen kwetst. Het is bijna een “no go area”. De elite heeft een nieuw politiek vocabulaire, waarin “inclusion” een sleutelwoord is. Iedereen moet kunnen meedoen.’

Als je weet dat de meeste mensen de taal van het journaal niet begrijpen, is het dan niet wijs het woordgebruik te vereenvoudigen?
‘Volgens die logica zouden we kinderen op school les moeten geven in hun taal, niet in de onze. Dat is iets dat werkelijk al begint te gebeuren. Ik zie het aan mijn eigen zoon van tien. Die komt met stompzinnige boeken thuis die ik zou hebben weggegooid toen ik vier was. Als ik op de leraar afstap en hem vraag waarom hij geen behoorlijk boek te lezen geeft, is het antwoord: dat is veel te intimiderend. Ik ben niet verbaasd dat die kinderen als ze zestien zijn een heel magere woordenschat hebben en moeite hebben met begripsvorming. De politiek van ‘iedereen moet kunnen meedoen’ begint op heel jonge leeftijd. Als we kinderen opvoeden als idioten, krijgen ze later grote problemen bij het omgaan met complexe kwesties.’

De elite durft geen maatstaven aan te leggen, schrijft u. Is het probleem niet veeleer dat ze niet weet hoe? Hoe toon je aan dat Shakespeare belangrijker is dan Dan Brown?
‘Het begint met Shakespeare gewoon te lezen en erover te discussiëren. Helpt Shakespeare een veertienjarige jongen die een baan zoekt? Als je zo’n vraag stelt, zijn we op de verkeerde planeet. Dan is Dan Brown waarschijnlijk net zo relevant. We zijn niet meer gewoon te debatteren over de esthetische integriteit van een boek of kunstwerk. De vraag is louter of iets politiek relevant is. Je behandelt het alsof het een kranten­artikel is, of een ideologische verklaring. Het gaat niet langer over de artistieke integriteit, maar over hoe het in jouw wereldbeeld past. Ik houd er niet van, want er komen te weinig zwarten in voor of het gaat allemaal over rijke mensen. Trotski’s lievelingsauteur was Céline, een rechtse, reactionaire man. Marx dacht dat Balzac de beste schrijver was van de wereld, terwijl Balzac in hart en nieren een sociaal-conservatief mens was. Het probleem is niet dat we geen criteria meer hebben om artistieke kwaliteiten te beoordelen, maar dat het debat is gestopt. Jij zegt dat iets grootse literatuur is, ik zeg dat het rotzooi is, en het gesprek is beëindigd. Terwijl de dialoog broodnodig is, want dan komen we tot een consensus, op zijn minst over wat de verschillende standpunten zijn. En misschien kunnen we elkaar wel van gedachten doen veranderen.’

Vecht u niet tegen oude vijanden? Overal wordt gepraat over selectie aan de poort en worden elite-instituten opgericht.
‘Ik vrees van niet. In Engeland zijn er nieuwe elitescholen. Maar die zijn elitair in de snobistische zin van mensen buitensluiten, niet in de betekenis van uitdagend. Zelfs in die scholen worden kinderen behandeld als domme wezentjes die hulp moeten krijgen. In plaats van liefde voor het leren, cultiveren ze er een instrumentalistische visie op kennis. Wat jij een tegenbeweging noemt, is zeer minimaal. Op dit moment zijn we nog doordrenkt van de filisterij van de laatste twintig jaar. De dominante intellectuele tendensen van nu zijn net zo regressief als het postmodernisme was. Er heerst een nieuwe misantropie, een diep wantrouwen over de mens en zijn kenvermogen. De stemming is tegen kennis, tegen wetenschap, tegen experimenteren. Als je veel kennis hebt, maakt dat de mensen nog machtiger. En als ze meer macht hebben, is hun impact op de aarde nog groter, is de redenering. Nu de politiek aan het eind van haar Latijn is, lijkt iedereen, van de conservatieven tot New Labour, groen te worden.’

Een goede zaak toch, als we allemaal milieubewust worden?
‘We zijn mens geworden door ons af te scheiden van de natuur. Er is niets natuurlijks aan het op een fiets stappen. In onze poging dichter bij de natuur te komen, stellen we onze eigen menselijkheid ter discussie. We zien onszelf steeds meer als vernietigers van de wereld. Die boodschap van de vervuilende mens heeft zijn uitstraling niet alleen op hoe we ons tot de natuurlijke omgeving verhouden, maar ook op onderlinge menselijke relaties. Ook die zien we vaak als vergiftigend. En we eindigen met een zeer pessimistisch beeld van de toekomst. Ik zie weinig blije milieuactivisten.’

Dat klinkt, met permissie, tamelijk rechts. Kijkt u op uw revolutionaire jaren terug als op een jeugdzonde?
‘Als je ouder wordt en ervaringen opdoet, veranderen je ideeën vanzelf. Ik realiseerde me voor het eerst dat ik niet zo was als al die andere mensen op links, toen eind jaren zeventig het extreem rechtse National Front op zijn hoogtepunt was. De consensus was: je moet niet met ze in debat gaan, het is verkeerd om ze een platform te geven voor hun ideeën. Toen ik schreef dat je een probleem niet bureaucratisch kon afschaffen en dat je erover moest argumenteren, werd ik hardhandig aangepakt als iemand die compromissen wilde sluiten met fascisten. Dat was de eerste keer dat ik me realiseerde dat de dingen waar ik voor pleitte, sterk verschilden van wat links wilde. Maar in essentie wil ik nu nog steeds hetzelfde als toen ik een politieke radicaal was. Ik ben altijd heel tolerant en liberaal geweest, haast een absolutist als het gaat om de vrijheid van meningsuiting. Ik zie niets in een verbod op uitingen van haat. Over democratische rechten valt niet te onderhandelen. En ik geloof onverminderd in de potentie van het menselijke individu. Nog altijd koester ik de optimistische verwachting dat we onze omstandigheden en kansen in het leven kunnen verbeteren.’

 

Over Tomas Vanheste

Tomas Vanheste (1968) werkt sinds 2001 als freelancer en vanaf 2004 als vaste redacteur bij Vrij Nederland. Hij schrijft over kwesties op het gebied van wetenschap, milieu en ruimtelijke ordening en interviewt grote denkers.

 

Micha Wertheim

De onconventionele keuzes van Louis van Gaal

De onconventionele keuzes van perfectionist Louis van Gaal

Column

Naomi Sluizer

Herdenken in het Wertheimpark

Wat vinden de nazaten van A.C. Wertheim eigenlijk van het nieuwe Auschwitz-monument in Wertheimpark?

Interview

Harm Botje

Een oplossing voor de plastic soup

De 19-jarige Boyan Slat wil het plastic uit de oceaan opruimen en het lijkt nog te gaan lukken ook

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
Alleen digitaal