VN Mediagids'Engelen in regenjas' - Roel Bentz van den Berg
Recensie 25.04.2009
De individuele smaak regeert bij de essays van Roel Bentz van den Berg. Dat pakt weldadig uit omdat hij zich niet slechts begeeft binnen de canon van de goede smaak. En hij kan een verhaal vertellen.
De rockende zenmeester
Soms komt inzicht met een latere trein. Ik maakte voor het eerst kennis met de schrijver Roel Bentz van den Berg (1949) in zijn columns over popmuziek in NRC Handelsblad, begin jaren negentig – later opgenomen in De luchtgitaar (1994). Zijn beste stukken vond ik die over artiesten van wie ik nooit gehoord had. Bij andere dacht ik: de intellectuele bagage die Bentz van den Berg met zich meebrengt en die hij zomaar loslaat op zo’n song, is wel zwaar geschut voor het onderwerp. Niets ten nadele van popmuziek, maar de vraag is of je met behulp van filosofische kennis, gewemel van denkers en dichters in je achterhoofd, optimaal recht kunt doen aan door muziek vrijgelaten emoties. Wat vermag de heuristische methode tegen John Lee Hookers onheilspellende oergrom ‘how-how-how-how’? Tegelijkertijd imponeerde zijn poging om de essentie van muziek in woorden te vangen, niet te vervallen in biografische ditjes en datjes, hagiografisch geleuter of een steriele, vaktechnische analyse. Af en toe, als zijn woorden dansten, ving hij de ‘ziel’ van zo’n geliefde song, maar meestal bleef het bij archeologische opdelfwerkzaamheden, die resulteerden in sympathieke vignetjes.
De shuffle van Ali
Pas op het moment dat ik in NRC Handelsblad de oerversie las van zijn later in Zapdansen (2005) opgenomen essay ‘De shuffle tussen zijn en niet-zijn’, kreeg ik in de gaten dat Roel Bentz van den Berg een fenomenaal persoonlijk essayist is. Dat stuk opent anekdotisch, met een paar autobiografische alinea’s over zijn mislukte bokscarrière. Maar dan regent het plotseling termen als ‘transcendentale metafysica’ en ‘rock ’n’ roll’. En passant geeft hij een zeer overtuigende verklaring waarom zo veel schrijvers jaloers waren op Muhammad Ali. Ten slotte benoemt hij Ali’s beroemde shuffle: ‘Een dans die op een of andere manier aanmaakt wat wij “ziel” noemen: het beste dat wij hebben, en vaak ook het enige. Beschutting tegen de storm die botten breekt.’ Zonder meer het beste dat over Ali geschreven is. Eveneens te genieten voor wie geen zier geeft om vuistvechten.
Zelf rekent hij het genre van zo’n persoonlijk essay tot de ‘bekentenis’. De intimiteit wordt meestal nog meer dan door het gebruik van de eerste persoon enkelvoud teweeggebracht door het denken op papier dat zich zo goed van vertrouwen, want zonder enig voorbehoud, in zo’n stuk voltrekt. De individuele smaak regeert en bij Bentz van den Berg pakt dat weldadig uit omdat hij niet, als menige welopgevoede Europeaan, zo’n benauwde hokjesdenker is die zich slechts begeeft binnen de canon van de goede smaak.
Daar komt bij dat hij een verhaal kan vertellen, parlando formulerend, schijnbaar van de hak op de tak, luchtig, nonchalant, scherp observerend, gedegen denkend, immer op zoek naar zingeving, gravend naar alle mogelijke betekenissen in de jacht op het Ene & Ongeziene: meestal een uitspraak of beeld waaraan hij vasthaakt, langs onvermoede associatieve wegen. Regelmatig moet ik even teruglezen als ik bij de slotalinea ben beland, want ’s schrijvers geestkracht tegenover de onbezielde feiten neemt dikwerf een hoge vlucht.
Voor Zapdansen is hem de Jan Hanlo Essayprijs Groot 2007 toegekend, een hele mondvol. Een terechte onderscheiding, maar ik vroeg mij wel af wat dat met de schrijver zou doen. Zijn werk getuigt tenslotte van breekbare onbevangenheid, tegenover alles eigenlijk, en nu is hij opeens als beste essayist in ons taalgebied een soort van instituut. Voor je het weet, schiet er daardoor kramp in de schrijfspier.
Engelen in regenjas is zijn eerste boek sindsdien, en het verschilt behoorlijk van zijn eerdere bundels waarin hij het persoonlijk essay vervolmaakte: De overdaad en Zapdansen. Het lijkt erop dat Bentz van den Berg zich op geen enkele manier meer aan banden legt. Zijn essays zijn van langere adem en de gedachte aan een te behagen lezer lijkt verdwenen. Anekdotiek vormt nog steeds een bestanddeel, maar alleen als het zo uitkomt. De kern, vaak ook de uitwerking, is ernstig.
Bij de biografische informatie op de flaptekst van zijn boeken staat altijd vermeld dat hij filosofie studeerde. Een levensfeit dat zo langzamerhand – hij maakte een kwart eeuw programma’s voor de VPRO – toch wat aan belang zou moeten hebben ingeboet. Zo niet bij Bentz van den Berg. Filosofie behoort tot zijn natuur, als ingesleten gewoonten na een grote liefde. Zijn grote kennis frappeert, hij voert je van bewijsplaats naar citaat, neemt daarvoor meer de tijd en ruimte dan in de eerdere bundels. Maar bij de laatste etappe van zijn zoektocht laat hij die kennis los – meer dan een tijdelijk noodzakelijk vehikel blijkt het niet. De antwoorden op de vragen die hij zich stelt – die naar de essentie van de directe ervaring – zijn natuurlijk niet verkrijgbaar bij studies als filosofie en psychologie. Wel in kunst, literatuur, muziek, en iets wat we meestal, ter aanduiding van het ongerijmde maar ‘het leven zelf’ noemen. In dat alles gaat hij op zoek naar antwoorden. Ik vermoed daarbij een religieuze behoefte aan zingeving, al schrikt Bentz van den Berg zich vermoedelijk dood als hij als zo aangeduid wordt. Tegelijk benoemt hij zijn soort zoeken als blijven bellen tot je God zelf aan de telefoon krijgt.
Wat hem blijvend fascineert, zo blijkt ook uit eerder werk, is die ‘ziel’. Niet in abstract theologische zin, maar de ziel die tot uiting komt in de details – waaruit het leven bestaat. Hij gaat ervan uit dat niet alles psychisch is, tot innerlijke roerselen terug te brengen. De wereld om ons heen, ‘de wereld van de dingen’ heeft tenslotte ook een ziel – de anima mundi.
Naar die ‘ervaring van elementaire verbondenheid’ oftewel ‘de gemeenschappelijke dierlijke grond waarop ons bewustzijn rust’ gaat hij bijvoorbeeld op zoek in het donkere hart van sprookjes als Frank Capra’s It’s A Wonderful Life. Maar ook lukt het hem, in het indrukwekkende en ontroerende essay ‘Een glimp van de tijger’, over zijn vader de acteur, de lezer in het hart van het mysterie dat acteren heet binnen te voeren.
Het is me nogal wat, willen schrijven over de ziel der dingen in een tijd waarin de mens de maat der dingen is geworden, maar Bentz van den Berg slaagt erin om over zoiets moeilijk benoembaars bezield te schrijven. In zoverre is zijn onmogelijke, zelfgestelde opdracht dus tot een goed einde gekomen.
Persoonlijke beschermengel
Niet onvermeld mag blijven dat in zijn gereedschapskist zich ook grootheden als het boeddhisme en zen ophouden. Liefst wil ik achter een boom gaan schuilen als iemand over zen gaat meieren, maar Bentz van den Berg vervalt gelukkig niet in wezenloze wazigheid. Een zenmeester is bij hem ook altijd zo’n oude, onverbeterlijke rocker, heb ik de indruk. Lang geleden gestorven, dat wel, maar nog steeds aanwezig in Bentz van den Bergs universum.
Eigenlijk is Engelen in regenjas zijn gedenkschrift voor een horde gestorven uitzonderlijke kunstenaars. Het register grossiert in doden, die binnen de verhalen springlevend zijn door de details die Bentz van den Berg ziet. Janis Joplin die een slap handje geeft. De stem van Bert Schierbeek. De gestalte van Willem de Kooning. Engelen bestaan, voor wie ze wil zien, is de strekking. ‘Wat mijn persoonlijke beschermengel betreft, heb ik het sterke vermoeden, tussen geloven en heel erg zeker weten in, dat hij sinds onze eerste ontmoeting de gedaante heeft aangenomen van mijn vroegere honkbalcoach, die ik decennialang met grote regelmaat, meerdere malen per week soms, in de stad tegen het lijf bleef lopen, waarna ik altijd vreemd getroost mijn weg vervolgde.’ Het indringendst schrijft Bentz van den Berg over zijn ouders, aan wie dit boek ook opgedragen is. Zijn moeder kon de gezichten van mensen lezen, direct: ‘In haar hoogtijdagen, als de zigeunerkoningin van ons gezin, was mijn moeder daarin een ster, kon ze al op honderd meter afstand in de lijnen van iemands gezicht een engel zien dansen.’ Aan het eind van haar leven verviel ze in waanzin, al zegt haar zoon dat gelukkig anders: ‘Op het laatst vormden haar ogen een verkeerd om gehouden verrekijker waardoor ze alleen nog maar wat vage stippen aan de horizon kon zien: een zwerm bijen die haar middels een code van snelle bewegingen van links en naar rechts, omhoog en omlaag, naar zich toe schenen te trekken.’
Een perfecte cirkel
Bentz van den Berg refereert in zijn essays aan zoveel fraais dat schrijvers, denkers, schilders, filmers, acteurs, musici te bieden hebben. Soms zelfs verholen, zonder verwijzing: een van zijn verhalen is een literaire inkapseling van de intrige van Stephen Poliakoffs film Capturing Mary, dienstbaar gemaakt aan Bentz van den Bergs thematiek. Voer voor fijnproevers dus, gelijkgestemden. En volstrekt niet van deze onttoverd geraakte tijd, die hij meestal in de openingsregel al afdoet: ‘‘De informatiebijeenkomst was al ruim twee uur aan de gang, en mijn geest was hopeloos bekneld geraakt in een van de taps toelopende zijarmen van het beslissingsmodel dat ons werd voorgehouden, toen de chef personeelszaken op de flip-over achter haar plotseling een perfecte cirkel tekende.’ Zo’n van weerzin vervulde regel is genoeg om een herinnering te ontketenen aan een schoollokaal veertig jaar terug in de tijd.
Een andere ontsnappingsmogelijkheid vindt hij in de taal. De schrijver zit bij een diner naast een nare vrouw: ‘Af en toe probeerde ik haar echtgenoot die naast mij zat bij het gesprek te betrekken, maar die had een ondoordringbare stilte als een handdoek over zijn kop gedrapeerd.’
Dat is nog beheerst. Maar het meest op dreef is Bentz van den Berg als hij recht de spelonken van zijn verbeelding in koerst. De schrijver staat voor een huis en krijgt dit beeld: ‘Misschien dat er zich daarbinnen verschrikkelijke dingen hadden afgespeeld en nog: mensen die elkaar schreeuwend op de trappen achternazaten, kinderen die ’s nachts met hun hoofd tegen de muur bonkten, dieren die in donkere kasten zaten opgesloten, levende nachtmerries, spoken op zolder, monsters in de kelder.’ Het wordt tijd voor een roman. V
Roel Bentz van den Berg, ‘Engelen in regenjas’, Augustus, 192 pagina’s, € 18,50
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




