De optimisten; een nieuwe generatie schrijvers

Wim de Bie in gesprek met De optimisten

Zes boeken, zes nieuwe schrijvers. Met namen zo Hollands als het Wilhelmus: De Boer, Van der Horst, Van Straten, Broekhuysen, Wybenga en Buenting (spreek uit Buunting, ‘het is die e uit de muesli’). Een greep uit het brede scala aan debutanten, maar geen willekeurige greep. Behalve die oer-Hollandse familienamen hebben deze zes nog een overeenkomst: alle zes zijn ze geboren in de jaren tachtig en dus nog jong, maar desalniettemin hebben ze zich stuk voor stuk al eerder gemanifesteerd. Hetzij met een kinderboek of in raillerend proza bij Spunk en Propria Cures, hetzij als musicus (klassiek dan wel hardcore) of als prijswinnende ontwerper.


De titels van hun boeken wekken op het eerste gezicht de indruk dat het Sombermans troef is in deze generatie: Honderd woorden voor grijs (Buenting, Querido), Galerie Onvolmaakt (Wybenga, De Bezige Bij), Ik ben de regen (Van Straten, Lebowski), Ik weet hoe jongens huilen (Van der Horst, Nieuw Amsterdam). Alleen de titel Twee linkerlaarzen (Broekhuysen, Querido) lijkt naast de associatie met pijnlijk gestrompel nog ruimte te laten voor een lichtvoetiger interpretatie. Van de verhalenbundel van De Boer is nog geen titel bekend, maar enkele titels van zijn verhalen passen in het stramien: ‘Requiem’, ‘Kwijt’. Maar wie de romans en de korte verhalen van dit sixpack leest, ontdekt dat Sombermans niet aan zijn trekken komt. Integendeel.

Geen Weltschmerz, geen haat, geen rebellie, geen verlammende angsten voor een milieuramp of een aanslag, maar humor en nieuwsgierigheid zetten hier de toon. Niet dat er geen vuiltje aan de lucht is in deze boeken, natuurlijk wel, anders is er geen verhaal. Maar grof generaliserend zou je kunnen zeggen: de wereld krijgt van hen het voordeel van de twijfel. Doemdenken lijken zij eenvoudig niet te kunnen.

Vrij Nederland zocht ze op. Alleen bij Laura Broekhuysen moest de kennismaking beperkt blijven tot een e-mailcorrespondentie wegens haar verblijf in het buitenland. Zes talentvolle branies met vertrouwen in de toekomst, al was het maar hun eigen toekomst. ‘Wij zijn zeker geen generatie nix.’ ‘De grootste gebeurtenis in onze kinderjaren was de val van de Muur, iets positiefs dus.’ ‘Er zijn zoveel leuke dingen in het leven, iPhones bijvoorbeeld.’ Je zou ze de Optimisten kunnen noemen, naar de titel van een online-magazine dat Henk van Straten op 1 december zal lanceren (www.deoptimist.nl).

Lachgas
Verwend, maar ook geconditioneerd als we zijn door het inktzwarte wereldbeeld van Grunberg en de meedogenloze ontmaskering van de burgerlijke moraal door Februari, om twee namen te noemen uit de traditie van verontrusting en aanklachten van de literatuur tout court, stelt menigeen bij die constatering meteen de vraag: het voordeel van de twijfel, kan daar mooie literatuur uit voorkomen?

Het antwoord is ja. Zo’n gemeenschappelijke benaming is natuurlijk dun en zo scheurbaar als het cellofaan om een sixpack. Het is handig, een hulpmiddeltje bij het naar huis toe dragen, maar om de inhoud tot je te kunnen nemen, moet je het weer openbreken en afscheuren – vergeet dat niet te doen na lezing van dit stuk.

Humor is een gemeenschappelijk kenmerk van deze auteurs. Mochten de Optimisten allemaal eendagsvliegen blijken te zijn, dan hebben ze toch deze verdienste op hun naam: er kan veel gelachen worden met deze boeken. De net niet benoemde tragiek in de familie Vogel uit het verhaal ‘Dagmar Vogel, vijftien jaar’ van Janneke van der Horst, het verwijt aan de hoofdpersoon uit Henk van Stratens Ik ben de regen dat hij zijn baby als ‘sjanskatalysator’ gebruikt, het wonderlijk gebruik van de meervoudsvorm in Twee linkerlaarzen van Laura Broekhuysen – het is telkens taal omgebouwd tot lachgas. Je leest het, je lacht. Je leest het nog een keer, en je lacht weer.

Op een van de eerste bladzijden van Honderd woorden voor grijs van Hannah Buenting leest het meisje Teun, gezeten in een touringcar, het opschrift op de wc-deur: geen grote boodschappen. Ook dat geldt voor alle Optimisten. Geen grote boodschappen verkondigen zij. Geen kleine ook. De maatschappelijke betrokkenheid in deze debuten is nul en generlei. Het zij vermeld als een opvallende overeenkomst. Net als de vrijwel totale afwezigheid van seks- en geweldscènes. God weet dat ook dat wel eens anders is geweest bij de debutanten van de jaren hiervoor. Weliswaar trekt Henk van Straten op dit punt het gemiddelde nog fors omhoog, hij doet dat op zo’n manier dat die scènes eerder onder humor geschaard moeten worden.

De vaste kenmerken van debutantenproza ontbreken niet. De hoofdpersonen zijn even jong of nog jonger dan de auteur. Er is afrekening met ouders, gehakketak met broers en zusjes, de perikelen van zelfstandig wonen, getob over de liefde. Tenslotte steekt zelfs een enkele schoonouder al een hoofd om de deur, teken dat het in de volgende boeken van deze auteurs vast ook over het grotemensenleven zal gaan. In plaats van nu te klagen over de smalle horizon van de debutanten, zou je ze moeten aansporen om die zo lang mogelijk vast te houden.

Zoals elke nieuwe generatie doet, ontkennen De Optimisten dat ze een nieuwe generatie zijn. Ze kennen elkaar wel. Van Spunk, via de uitgeverij, of ‘gewoon, van de plaatsen waar veel schrijvers komen’. Drie van de zes (de mannelijke helft) hebben een eigen, goed vormgegeven website. De vijf ontmoetingen toonden zelfverzekerde twintigers, gemakkelijk in de omgang. Vrolijk. Niet een heeft een zenuwtrek. Toen Thijs de Boer in een literair café eens zei dat er wat hem betrof geen auteursfoto op de achterflap van zijn boek hoefde, pakte iemand hem bij zijn kin, draaide zijn hoofd naar links en naar rechts en concludeerde: ‘Jammer, dat zal je een paar honderd exemplaren schelen in de verkoop.’

Henk van Straten:

Gretig
Het is in de schrijverij niet anders dan in de bokssport, je pikt de talenten er snel uit. Dan hou je de goeien over, en tussen de goeien moet je kijken naar de gretigen. De gretigsten zijn de besten. Zij die buiten of binnen de ring even hard doormeppen, die maling hebben aan rondetijden of de regels van het spel. De gretigste schrijver van de nieuwe lichting 2008 heet Henk van Straten.
Van Straten heeft zoveel te vertellen dat hij er soms niet meer aan toekomt om zinnen te maken van zijn woorden. Dan laat hij ze als losse slagen achter elkaar op je neerkomen, met een geweldig effect. Misschien een overblijfsel uit de tijd dat Van Straten als zanger van een marginale hardcoreband door het leven ragde. Als zijn hoofdpersoon een diepe crisis doormaakt, schieten zelfs die losse woorden tekort, en neemt Van Straten zijn toevlucht tot een creatieve oplossing die misschien buiten de regels van de romankunst valt maar wel hard aankomt.

Boksers zijn prijsvechters. In de literatuur was dat mechanisme nog niet doorgedrongen, totdat Henk van Straten aankondigde dat hij bereid was de hoogstbiedende als romanpersonage te vereeuwigen in Ik ben de regen. De veiling op e-Bay begon met vijftig euro. Dat bedrag liep in korte tijd op tot bijna duizend euro. Zie daar een aangename aanvulling op wat uitgeverijen als voorschot op een debuut plegen te betalen.

Het boek heeft de klassieke opbouw van een spannend spektakelverhaal. Een mooie vrouw in nood, twee kameraden die haar proberen te redden, een louche man die vanuit een ‘Tijgerlounge’ aan alle touwtjes lijkt te trekken, twee telkens opdoemende geweldenaars van wie niet duidelijk is in wiens opdracht zij werken en een slome bijrol voor de sterke arm der wet. Twee dingen hebben alle betrokkenen gemeen: ze missen de liefde en leven op koffie, dope en drank. Harder dan hardboiled dus, dit boek.

Maar toch kruipt er een baby doorheen, die ontroerend wordt beschreven. En dat is de stoot die de lezer echt niet zag aankomen: dat er niet alleen geneukt en gemoord ging worden, maar ook gehuild. De teweeggebrachte ontroering lijkt meer een gevolg van Van Stratens gretigheid om alle mogelijke effecten van het schrijven te onderzoeken dan een uiting van inlevingsvermogen. Huilen kan ook van het lachen met dit boek. Maar of Van Straten in staat is tot empathie zal de toekomst leren. In Ik ben de regen komen de vrouwelijke personages er bijvoorbeeld bekaaid af: lustobject, feeks of brengster van kortstondige troost, dan heb je het wel gehad. Voor de moeder van de baby lijkt een complexere rol weggelegd, maar ineens stort zij zich in de dood, naar het schijnt ten gevolge van een verlate postnatale depressie. Voor een Iraniër, twee Marokkanen en een Chinees die voorbij komen, geldt eenzelfde eendimensionaliteit. Maar goed, Ik ben de regen schept een eigen werkelijkheid – daarom is het een goed boek – en in die werkelijkheid figureren nu eenmaal zulke stereotypen. Als de belofte van dit debuut zich waarmaakt, heeft de machoschrijver Van Straten nog een heel oeuvre voor zich om aan zijn zachte kant te werken.

Zijn echte zoon is voor Henk van Straten (1980) eerder een angst- dan de ‘sjanskatalysator’ die hij in zijn boek beschrijft. ‘Mijn volgende boek wordt apocalyptisch, angstig. Nu ik vader ben, verlies ik het nihilisme uit de tijd dat ik er nog in hevige mate op los leefde. Ik heb het gevoel dat ik mezelf heb gevonden, en tegelijkertijd ben ik bang geworden.’

Hij stuurde zijn boek naar Oscar van Gelderen nadat hij vernomen had dat deze een uitgeverij was begonnen genaamd Lebowski. ‘Serieus, dat is echt mijn favoriete film.’ Wat vervolgens hielp, is dat er binnen de kortste keren een reactie kwam. ‘Ik ben ongeduldig. Het zakelijke stukje vind ik ook belangrijk. Oscar van Gelderen is ook zo.’ Ook is hij Van Gelderen dank verschuldigd voor de notatie ‘I.A.’ op een aantal plaatsen in de kantlijn van het manuscript. ‘Dat stond voor Isabel Allende, dan wist ik dat ik te zoetsappig bezig was geweest.’

Deel van een generatie voelt de in Eindhoven woonachtige Van Straten zich niet. ‘Niemand kent me en ik lees zelf ook geen Nederlandse literatuur.’ Al kan dat veranderen met de oprichting van online-tijdschrift De Optimist. ‘Dat moet iets worden als The Believer.’ Zijn held is John Fante. Van Straten schrijft ‘om te kijken of ik het kan. Om mijn helden te evenaren.’ Maar ook omdat hij ‘gezien en gehoord wil worden. Ik ben ambitieus.’

Hannah Buenting:

Tergend
Deze schrijfster heeft geen haast om haar verhaal te vertellen. Ze laat de nieuwsgierigheid van de lezer oplopen totdat het tergend wordt. Haar personage Teun (‘Want dat ik Teun heet, staat vast. En dat ik een meisje ben’) is een listig vehikel voor dat spel met de lezer. Want eerst vindt Teun helemaal niet dat er een verhaal te vertellen valt, en later, als ze voelt dat ze toch heel veel heeft meegemaakt – zoveel dat ze er bijna aan ten onder is gegaan – wil of kan ze er niet over praten. Niet alleen moet de lezer dus uit kleine signalen om Teun heen afleiden wat er gebeurt in het verhaal, maar ook wat daarvan de impact is op het meisje.

Na de korte proloog weet de lezer dat Teun op een zeker moment een heel groot verdriet heeft gekend. Als vervolgens de hoofdstukken beginnen, alternerend Schors en Steen geheten, met daarin Teun op twee verschillende perioden in de tijd, begrijpt de lezer dat tussen die twee perioden de oorzaak van dat verdriet moet liggen. In de Schors-hoofdstukken is Teun in de natuur, op zoek naar stilte en eenzaamheid om haar verdriet te verwerken. De Steen-hoofdstukken beschrijven een periode van ongeveer vier jaar, voorafgaand aan de in Schors beschreven week.

Zoals schors staat voor de natuur, staat steen voor de stad, waar die hoofdstukken spelen. Waar en wanneer het verhaal precies speelt, lijkt er niet toe te doen. Op een dag gaat Teun naar de bioscoop om de Herman Broodfilm Cha Cha te zien, en tegelijkertijd is ze druk met pinnen en beltegoed. De curieuze rolprent beleefde zijn kortstondige succes in 1980, toen al die elektronica nog niet bestond. Zo’n anachronisme stoort niet, het hoort bij de onplaatsbaarheid van het verhaal.
Langzaam wordt duidelijk dat Teun in de Steen-hoofdstukken lijdt aan een obsessieve liefde. In het begin lijdt ze er nog niet aan, maar zwelgt ze erin. Haar aanbidding wordt haar overgave, haar overgave wordt haar zelfopoffering. Zulke liefde is altijd ongezond, maar Teun heeft als object van de hare ook nog een heel verkeerde gozer uitgezocht. Zoals Rory Block zong: it’s hard to love a man who’s loving whisky. Dat moet wel verkeerd aflopen, denk aan Herman Brood.

De Steen-hoofdstukken worden van mierzoet steeds rauwer, de Schors-hoofdstukken volgen de omgekeerde route. De afwisseling van de twee verhaallijnen versterkt die tergende nieuwsgierigheid, de lezer moet zich inhouden om niet in één keer alle Steen-hoofdstukken achter elkaar te lezen om zo snel mogelijk te weten te komen hoe de ontluistering zich zal aandienen. Hij wil Teun wel sláán richting de afgrond waar ze immers toch met open ogen op afgaat. Maar dat mag niet, telkens is er weer een Schors-hoofdstukje te lezen, waarin een even langzaam verteld verhaal zich ontvouwt. Een volwassen verhaal over een onvolwassen meisje. Of: hoe getergd worden ook lekker kan zijn.

Het ‘mooiste boek ter wereld’ is volgens Hannah Buenting (1984) Brieven aan Doorn­roosje van Toon Tellegen. De prins die Doorn­roosje zal wakker kussen, schrijft haar tijdens zijn tocht naar het kasteel openhartige brieven. Hij blijkt niet elke dag zo groots en dapper te zijn. Buenting leest in tegenstelling tot haar generatiegenoten veel Nederlandse literatuur, van Couperus tot Grunberg. ‘Als ik iets wil leren over taal, ritme, hoe zinnen werken, kan ik het beste mijn eigen taal lezen. Ritme interesseert me meer dan plot.’ Buenting zegt niet voor een bepaald publiek te schrijven, en ook niet voor zichzelf. ‘Ik schrijf voor het verhaal. Het verhaal en ik gaan samen op pad. Alsof je een nieuwe beste vriend hebt gevonden. Na een tijdje neem je die vriend dan mee naar je andere vrienden, en dan zeg je: ik denk dat hij jullie ook wel zal bevallen.’

‘De grote vragen van deze tijd houden mij wel bezig,’ zegt Buenting, ‘maar niet op een artistieke manier. Ik draag liever een sfeer of een situatie over dan een politieke boodschap.’

In 2004 heeft Buenting een boek over haar leven als ADHD’er gepubliceerd bij uitgeverij Vassallucci. Daaruit is een blijvend contact voortgekomen met toenmalig hoofdredacteur Adriaan Krabbendam. Die heeft Buenting met Honderd woorden voor grijs bij Querido binnengebracht, waar ‘het pleit binnen een week beslecht was’.

Thijs de Boer:

Onderzoekend
Bij de kennismaking met de verhalen van Thijs de Boer – in Hollands Maandblad en De Tweede Ronde – kwam even de gedachte op dat er toch een zwartgeblakerde wereldhater tussen de nieuwe lichting zat. Heel even. Wie verder leest in de bundel die binnenkort zal verschijnen, begrijpt dat De Boer, net als de vijf anderen, de duistere kant van het leven eerder onderzoekt, dan werkelijk opzoekt. In zijn verhaal ‘Requiem’ bijvoorbeeld is een vakkenvuller aan het werk in de supermarkt, met zijn gedachten bij zijn vader die hij thuis in ontredderde toestand heeft achtergelaten. ‘Hij huilt alleen bij het uitademen. Liggend op zijn zij, met de rug naar me toe, zegt hij: “Ik wil dood.”’ De vakkenvuller heeft daarop geantwoord dat hij zou worden ontslagen als hij nog een keer te laat komt op zijn werk in de plaatselijke supermarkt. ‘Als je terugkomt, ben ik dood,’ heeft de vader toen gezegd, en verder niks meer.

Al vakkenvullend, krijgt de jongen visioenen van hoe zijn vader er een einde aan zal maken, en bedenkt wat hij op de begrafenis zal zeggen. De ene keer is het doorgesneden polsen en ‘bedankt pappa, voor je liefde in al die jaren’. De andere keer is het een touw om de nek en ‘bedankt pap, dat je altijd zo sterk bent geweest’. De woordkeuze voor de graf­rede lijkt telkens iets te worden afgezwakt. Bij thuiskomst treft de zoon zijn vader lachend en met een biertje in de hand voor de televisie, levend en wel. De Boers verhalen zijn bijzonder gecondenseerd. In minder dan drie A4’tjes krijgt de lezer van ‘Requiem’ een portret van de vader en van de zoon. Aan het eind weet je niet meer wie de grootste gek is van de twee.

Thijs de Boer (1981) schrijft verhalen, geen roman, want een kort verhaal ‘daar kan je je hoofd omheen krijgen’. Hij studeerde oorspronkelijk in Delft, civiele techniek, bouwkunde – zaken waar de meeste mensen hun hoofd juist niet omheen kunnen krijgen. In 2006 won hij samen met kunstenares Jikke van Loon een prijs met een ontwerp voor een nationaal herdenkingsmonument voor tsunami-slachtoffers in Noorwegen. Hij noemt die prijs ‘zijn ticket naar buiten’, weg van het gebaande Delftse pad. Sindsdien heeft hij ontdekt dat hij zijn gevoelens beter kwijt kan in literatuur dan in architectuur. ‘Dat is eigenlijk een egoïstische keuze. In schrijven zag ik de autonomie, ik kan er half God in zijn. In architectuur zijn er meer randvoorwaarden.’

De stof voor zijn verhalen, die hij ‘tot in den treuren doorwrocht’, haalt hij uit ‘kleine dingen die tot mij komen en die me raken. Het mooist zijn dingen die de mensen het liefst ontkennen. Dat de gangen in moderne bejaardentehuizen rond zijn bijvoorbeeld, opdat de bewoners dan lekker de hele dag door kunnen sjokken.’ Het gegeven komt terug in zijn verhaal ‘Loopdrang’.

Deel van een generatie voelt De Boer zich niet, al bewondert hij Laura Broekhuysen. ‘Het is een leuk idee dat die anderen ook op hun kamertjes zitten te werken, maar ieder moet zijn eigen ding doen.’ Op basis van ‘niet meer dan zes A4’tjes’ kreeg hij een contract bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. En geeft hij les op een schrijfcursus. Over het algemeen gesproken, vindt hij ‘de Nederlandse taal te bloemrijk. De zinnen zijn te lang.’ Hij leest meer Engelse en Amerikaanse boeken dan Neder­land­se. Op zijn tafel ligt Kurt Vonneguts Slaughterhouse 5.

Janneke van der Horst:

Brutaal
Waarom deze bundel de titel heeft Ik weet hoe jongens huilen is een verhaal apart, dat de schrijfster uit de doeken doet in een filmpje dat met enkele muiskliks is te vinden op YouTube. Het komt hierop neer dat een door Van der Horst tijdens een avondje stappen achteloos uitgesproken opmerking, op advies van een beroemde toehoorder in een reeds bestaand verhaal werd geschreven met het doel als (prachtige) titel te kunnen dienen. Opzet geslaagd. Tenzij de titel de indruk zou wekken dat Van der Horst een wereldwijs boek heeft geschreven waarin mannen steeds wenend het onderspit delven. Hoewel er heel wat onderspitten en zelfs graven door en voor mannen gedolven worden, is dit boek niet wereldwijs en geen misandrie.

Van der Horst zou tot de girl power kunnen worden gerekend, als iemand tenminste wist hoe het met die beweging is afgelopen, maar een feministe is ze niet. Ook in dit boek heerst de liefde. In het verhaal ‘Ik weet hoe jongens huilen’ verdwijnt de afgewezen jeugdvriend inderdaad snikkend tussen de coulissen, maar of de vertelster daarmee aan het langste eind trekt, blijft een open vraag. De man van haar dromen lijkt zich eveneens door haar afgewezen te voelen, en misschien is het te laat om daar nog iets aan te veranderen. ‘Dan had ik maar moeten blijven, lijkt hij te zeggen. Dit krijg je ervan. Je kunt niet weggaan en toch blijven, al beweren duizend dichters anders.’

Maar ja, kenmerkend voor de personages van de Optimisten, was de vertelster dus wel weggegaan. In dit geval van een klein eiland naar de grote stad. Kan het symbolischer? De vertelsters en vertellers in deze verhalen zijn allemaal bezig aan een leerschool. Soms zijn ze zelf brutaal, soms is de wereld brutaler dan zij. Ik weet hoe vaders huilen was ook een mogelijke titel geweest. Want de vaders in dit boek plegen zelfmoord, belazeren hun familie of drinken zich dood. ‘Accepteren dat je ouders mensen zijn, is al raar wanneer je een jaar of achttien bent, maar veel moeilijker is in te zien dat ze dat altijd zijn geweest,’ constateert Belle uit ‘Haar vader en het vrouwtje’.

Op haar elfde had Janneke van der Horst (1981) de Larense bibliotheek uit. Bij haar thuis werd er niet veel gelezen, ze ontdekte zelf de smaak van de letteren. De namen van schrijvers die zij bewondert, buitelen over elkaar heen: eerst waren er Beckman, Lindgren en Terlouw. Later Salinger, Weemoedt (‘ooit redacteur van Propria Cures, net als ik’), Bukowski, Elsschot, Houellebecq. Een band met haar generatiegenoten heeft ze niet. ‘Ik heb geen behoefte om een legertje op te zetten. Ik kan Henk van Straten wel benijden omdat hij zo onbevangen tegenover het literaire wereldje staat. In mijn tijd bij PC heb ik veel geleerd over het gilde rond het Spui. Het is daar veel minder ruimdenkend dan je zou verwachten.’

Het verwijt dat haar boeken geen grote thema’s aansnijden, deert haar niet. ‘Dat is van alle tijden. En het wordt over de gehele Nederlandse literatuur gezegd, niet alleen de debuten. Maar het is waar dat wij een redelijk gelukkige generatie zijn. We hebben het leven wel lief.’

Ebele Wybenga:

Sensitief
Doordat deze roman enigszins bol staat van met Bluetooth gebeamde visitekaartjes, playlists, telefoons van het model ‘drugsdealers-Nokia’ en gehackte netwerken van de buren, raakt de aandacht gemakkelijk afgeleid van de eigenlijke kracht van het boek. ‘Wybenga irriteert’ is eerder op deze plaats geschreven over dit debuut. Dat doet hij inderdaad met al die snufjes-taal, ook al is dat heel bewust gedaan, onvermijdelijk zelfs om de wereld te kenschetsen van Mees Blaeu, een jonge parvenu uit het Amsterdamse studentenleven. Ook de list die Mees verzint om aan dat leven te ontstijgen, rijk en beroemd te worden, is niet helemaal nieuw. Het verkopen van kunst die nog gemaakt moet worden, is een idee dat Frans Kellendonk al uitwerkte in Mystiek lichaam.

Ook Mees Blaeu is iemand die zich los wil maken uit de gegeven omstandigheden. Die daartoe ook mogelijkheden ziet. In die zin past hij precies in het rijtje hier genoemde personages. De kracht van Wybenga toont zich meer in het hoe dan in het wat van dit boek. Via Mees toont Wybenga zich een scherp observator met een grote sensitiviteit. Het mooiste hoofdstuk van dit boek is wars van alle newspeak en begint met de zin: ‘Ik wrijf over een blaadje van de notenboom. (…) De blaadjes zijn nu binnen handbereik. Eerst moest ik worden opgetild door grootvader.’

Het hoofdstuk beschrijft het leeghalen van Mees’ grootouderlijk huis, na het overlijden van de grootvader. Bij het betreden van de eetkamer hoort Mees in herinnering weer de ‘Radionieuwsdienst, verzorgd door het ANP, altijd voorafgegaan door drie doordringende piepjes’. Hij betreedt ook zijn vaders jongenskamer, kijkt rond en besluit: ‘Ik laat het maar zo.’ Die vader zelf wacht buiten op hem. ‘Mijn vader is ondanks zijn academische achtergrond een platte vastgoedboer geworden, die de schaamte die zijn beroep met zich meebrengt, probeert te maskeren met concertbezoek en een moeilijk te onderhouden platbodem,’ zegt Mees elders over hem. De rondgang door dat huis – een sentimenteel nummer waarbij een schrijver bij elke stap kan uitglijden – is mooi, echt mooi. Het verhaal van Mees’ handel en wandel staat juist in dit hoofdstuk even stil.

Ebele Wybenga was de ‘kakker’ van Spunk. Al in 2005, op zijn achttiende, schreef hij in een column: ‘Als de hemel dichttrekt, laat ik vaak mijn zonnebril voor mijn onuitgeslapen ogen. Ik lijk altijd haast te hebben en ben vaak schromelijk overdressed. M’n imago is met me aan de haal. Ik heb noch de wil noch de pecunia om aan de coke te raken, maar ik loop erbij als een verwend ettertje dat moeite moet doen om z’n geld op te maken. Mijn kasjmier trui zorgt dat ik superzacht en vermogend aanvoel. Hand­gemaakte schoenen onderscheiden me van het leger sneakersloffers. Zonder vaste lasten en met wat handigheid kan ik me dat veroorloven.’

Nu is hij de hoofdredacteur. Zijn manuscript belandde bij De Bezige Bij via literair agent Paul Sebes, die toevallig een connectie had binnen Wybenga’s dispuut. Hij zou naast zijn colums over reclame en imago best diepgravender journalistiek werk willen doen, maar stuitte weer op zijn eigen imago. Robbert Ammerlaan, de hoogste baas bij de Bezige Bij, wilde de kolommen van Hollands Diep wel voor hem openstellen, maar alleen als hij een society-rubriek zou schrijven. In de nog vrijwel lege kamer van zijn nieuwe huis zegt Wybenga: ‘Mensen die ik spreek, hebben best een positieve kijk op het leven. Wij zijn jong geweest in de jaren negentig. Na 11 september ging alles gewoon door, er kwamen nieuwe leuke dingen zoals de iPhone. Gelukkige personages betekenen niet dat een boek leeg is.’

Laura Broekhuysen:

Virtuoos
Laura Broekhuysen doet iets wat eigenlijk helemaal niet kan in een boek. Ze laat een wereld horen van een meisje dat op een leeftijd is waarop de waarde van woorden meer door hun klank dan door hun betekenis wordt bepaald. Van schrijvers zegt men vaak dat ze een wereld ‘laten zien’ of ‘tonen’, maar bij Broekhuysen is het onmogelijk om niet in termen van geluid te spreken. Het woord ‘tonen’ kan in verband met Broekhuysen alleen het meervoud van ‘toon’ zijn. ‘Zo snel als het licht en zo licht als de lucht’ dartelt het meisje door het verhaal, en hetzelfde geldt voor het verhaal zelf. Het dartelt.

Het meisje, Juul, is nog te jong om de betekenis van alle woorden te begrijpen. Haar moeder is dood, maar ze ‘mist niemand’. Ze is op een broeierige manier afhankelijk van haar hartsvriendinnetje. Ze heeft de leeftijd dat het lichamelijke begint aandacht op te eisen. ‘Twee linkerlaarzen wennen sneller dan borsten,’ vindt Juul. Haar hartsvriendinnetje is net iets ouder. Die begint zich bij het samen zwemmen af te vragen: ‘Zijn wij niet te groot voor bloot?’

Daar komt bij dat niet alleen de taal nog zo vloeibaar is als was in de hersens van een kind. Ook de grens tussen waarneming en fantasie is dat. Broekhuysen walst over die grens heen. Walsen in de zin van gracieus dansen evenzeer als in de figuurlijke betekenis van de stoomwals die er geen enkele moeite mee heeft.

En dan is er nog de boventoon van het geheimtaaltje dat Juul en haar hartsvriendin met elkaar spreken. ‘Straks drijven hier losse oren.’

Hoe brengt Broekhuysen de onmogelijke opdracht die zij zich heeft gesteld tot een goed einde? Hoe vertaalt ze de binnenwereld van Juul naar zinnen die een betekenis kunnen hebben voor de lezer? Dat valt niet uit te leggen. It communicates before it is understood, om met Eliot te spreken. Dat wil niet zeggen dat de lezer geen moeite hoeft te doen. Twee linkerlaarzen is van de zes besproken boeken zeker hetgene dat de grootste inspanning van de lezer vraagt. Geen intellectuele inspanning, maar de moeite om je over te geven, zelf ook al je betekenissen los te laten en je te laten meevoeren. Ongeveer zoals het aanschouwen van abstracte schilde­rijen méér vraagt dan figuratieve kunst, voordat aanschouwen kan overgaan in waarderen, kijken naar zien of, in het geval van Broekhuysen, lezen naar horen.

Mensen die Laura Broekhuysen (1983) in levenden lijve hebben gezien, spreken allemaal lovend, om niet te zeggen liefdevol over haar. Een voordracht bij de Border Kitchen (waar in de loop van het jaar voorproefjes van het Crossing Borderfestival gebracht worden) heeft haar de bijnaam ‘de nieuwe Komrij’ opgeleverd.

Broekhuysen is aan het Amsterdams conservatorium opgeleid tot violiste. Zij voelt zich meer verwant aan componisten dan aan schrijvers, schrijft ze vanuit Oostenrijk. ‘Klank is voor mij doorslaggevend. Ik beschouw mijn personages als terugkerende thema’s, zoals die in muziek voorkomen. Dat een muziekluisteraar meer abstractie accepteert dan een lezer, is iets waar ik componisten om benijd.’

Om haar eigen taal dat niveau van abstractie te laten behouden, is het goed om buiten het Nederlandse taalgebied te wonen en het sociale leven in ‘gebrekkig Engels en armzalig Duits’ te onderhouden. ‘In ieder geval heb ik mijn Nederlands weg weten te moffelen. Zo wordt dat steeds minder de taal van sociale rompslomp, steeds minder de taal van conventies, van aanpassen, steeds minder een taal waarin ik me het product voel van opvoeding, school, een studie, een generatie. Langzamerhand verandert dat Nederlands in mijn schrijftaal, de taal die geluid geeft aan mijn verbeelding, aan dat wat zich gaandeweg het minst heeft laten conditioneren.’

Zij schrijft voor zichzelf, in de zin dat ze geen concessies wil doen. ‘Maar ik schrijf ook voor elke lezer die ik onder mijn stolp gevangen kan houden. Ik schrijf voor wie zoveel interesse heeft voor psychologische processen, dat het niet nodig is om alles voor te kauwen, voor wie graag zoekt en graaft en dingen uitpluist, voor wie zelf wil interpreteren. Maar ook voor degene die het kan accepteren dat niet alles rationeel te bevatten is, voor wie van hardop lezen houdt, van verschillende ritmes, van rijm, voor wie taal als muziek ervaart. En ik schrijf voor iedereen die zijn voorstellingsvermogen graag prikkelt, wiens zintuigen ik kan aanspreken.’ En... een nieuwe generatie? ‘Ik heb niet het gevoel dat de nieuwe generatie als een groep sprinkhanen oprukt, schouder aan schouder. Maar ik ervaar duidelijk dat ik in bepaalde denk- en gedragspatronen, in de manier waarop ik geconditioneerd ben, deel uitmaak van een groep, bestaande uit generatiegenoten die door gelijksoortige factoren zijn gevormd. Van binnen probeert iets zich van die vorm waarin we gegoten zijn, los te maken. En ook daarin komen we overeen: leeftijdgenoten bevinden zich min of meer in hetzelfde stadium – ouderen zijn verder of lijken gestrand.’

Alle zes schrijvers treden op op Crossing Border.

Door Pieter van den Blink / 10 november 2008 / ()