VN MediagidsDe Holland-Amerika-Lijn (2)

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Buitenland / Verenigde Staten 20.05.2006

Door Ko Colijn / Freke Vuijst

Vorige week beschreef VN hoe Nederlandse ministers en kamerleden in 1973-1974 opereerden als gratis informatiebronnen voor de Amerikaanse ambassade. Dat blijkt uit de zesduizend telexen die werden verzonden tussen Den Haag en Washington, onlangs openbaar gemaakt door het State Department. De Amerikanen lieten de kans om mee te spelen in de Nederlandse politiek niet voorbijgaan. Logisch, want het linkse kabinet-Den Uyl kon zich wel eens ontpoppen tot een luis in de pels van het bondgenootschap.

Ambassadeur William Middendorf voorspelde het al bij het aantreden van het kabinet-Den Uyl: het linkse Nederland ‘blaft wel, maar bijt niet’.

De staatsgreep van generaal Pinochet tegen de gekozen socialist Salvador Allende had Nederland diep geschokt. Op 11 september 1973, de dag van de coup, houden de Nederlandse socialisten hun jaarlijkse partijcongres. Ontstelde partijleden en bewindslieden luisteren op de Dam naar een vurige toespraak van minister Pronk.

Geheime telexen

De Amerikaanse ambassade is aanvankelijk opgelucht over de Nederlandse reactie en concludeert tevreden dat Den Uyl, Van der Stoel en de meerderheid van de Tweede Kamer ‘de val van Allende niet als het gevolg van machinaties, maar van zijn eigen onbekwaamheid’ zien.

Maar een jaar later is de kwestie-Chili ineens een bedreiging voor de goede banden tussen Nederland en Amerika. Nederlandse kranten hebben uitgebreid bericht over de rol van de CIA bij de coup en ook gewezen op de mogelijke betrokkenheid van Henry Kissinger, de minister van Buitenlandse Zaken. Er worden kamervragen gesteld door de jonge PvdA-coryfeeën Ed van Thijn, fractieleider in de Tweede Kamer, en Relus ter Beek (‘een van de meest militante buitenlandexperts’). De ambassade is bezorgd, want de kamerleden ‘eisen niet alleen informatie over de Amerikaanse rol, maar doen ook een beroep op de minister om die rol te veroordelen’.

Van Thijn loopt ambassadeur Gould toevallig tegen het lijf en lucht meteen zijn hart. Hij was ‘buitengewoon negatief’, telext Gould op 26 september 1974. De CIA-bemoeienis had de vraag bij Van Thijn opgeroepen: ‘Als de VS clandestien activiteiten in Chili uitvoeren, is het dan mogelijk dat ze hetzelfde in Nederland doen?’

De verafgode mevrouw Allende
In zijn telexen over de ‘kwestie-Chili’ analyseert Gould de nieuwe anti-Amerikaanse toon in Nederland. Het is allemaal de schuld van ‘extreem links’. Dat houdt Chili al een jaar lang in de schijnwerper door ‘behendig in te spelen op de humanitaire vrijheidslievende emoties van veel niet-linkse Nederlanders’. Links wordt daarbij geholpen door de bezoeken van ‘de verafgode’ mevrouw Allende en de ‘aanwezigheid van enkele honderden Chileense politieke vluchtelingen, waarvan sommigen worden gebruikt en gerecycled voor propagandadoeleinden van de Sovjet- en Oost-Europese ambassades’. Donkere wolken ziet hij hangen: links Nederland wil geen yankee-gevechtsvliegtuigen kopen.

Op dit ‘kritieke moment’ verdient Van der Stoel, als goede vriend, hulp bij het beantwoorden van de ‘very tough’ kamervragen. Immers, Van der Stoel ‘wil zeker geen olie op het vuur gieten’, maar gezien ‘zijn eigen politieke positie en geloofwaardigheid kan hij ook niet, herhaal, niet overkomen alsof hij de Amerikaanse activiteiten gewoon goedkeurt.’

‘Wat hij nodig heeft is een kort, pasklaar statement (...) dat hij in zijn eigen woorden zou kunnen gebruiken om de kamervragen te beantwoorden.’ Bijvoorbeeld: ‘Documentatie van de Sovjet-activiteiten in Chili, vooral de financiële steun aan personen en organisaties die democratische instituten ondermijnen, zou Van der Stoel kunnen helpen om de pressie voor een eenzijdig protest tegen Amerikaanse activiteiten te omzeilen.’

Op 9 oktober 1974, de dag dat Van der Stoel de vragen van zijn partijgenoten Van Thijn en Ter Beek beantwoordt, gaat de minister zelf op bezoek bij de ambassade. Gould karakteriseert het gesprek als meer een ‘vermaning dan een protest’. Artikelen in de Nederlandse kranten dat Nederland protest heeft aangetekend – en nog wel in Washington – zijn dan ook ‘ongegrond’, schrijft de ambassadeur.

Wat zegt de minister over de controverse rond de Amerikaanse rol in Chili? ‘Van der Stoel beweerde dat de Nederlandse overheid vecht tegen communistische interventie en invloed in andere landen en dat het moeilijk wordt om een dergelijke positie te rechtvaardigen als de VS betrokken lijken in soortgelijke activiteiten.’ Natuurlijk verdedigt de ambassadeur de Amerikaanse rol in Chili ‘erop wijzend dat Allendes doelbewuste acties in strijd waren met de lange geschiedenis van vriendschappelijke relaties tussen de VS en Chili’. En voor alle duidelijkheid voegt de ambassadeur eraan toe: ‘The US had played no direct role in Allende’s overthrow.’

Tja, ‘geen directe rol’, maar wat dan wel? Wie denkt dat Nederlandse ministers tegen elke inmenging in andermans zaken zijn, heeft het mis. Van neocon Bush, grootexporteur in democratie en markt, moeten we nu niets hebben. Riskant, belachelijk, naïef, gevaarlijk, onmogelijk – het is maar een greep uit de kritiek die we anno 2006 over hem uitstorten. Maar destijds was een Nederlandse minister evenmin wars van inmenging. Een telex van 24 juni 1974 meldt dat minister Vredeling in de Navo ‘een omgekeerde Brezjnev-doctrine’ heeft voorgesteld. Niet met tanks interve­niëren om de democratie om zeep te helpen, zoals de Sovjets deden, maar die juist herstellen of invoeren. Kissinger en zijn onder­minister Ellsworth waarschuwden ambassadeur Gould in Den Haag voor dit gevaarlijke Hollandse hersenspinsel. ‘De minister van Defensie (Schlesinger, VN) zei dat de VS zich nimmer zouden mengen in de interne aangelegenheden van enig land. Daarop opperde Vredeling het idee van een omgekeerde Brezjnev-doctrine. Interessant,’ antwoordde Schlesinger. ‘Dit was niet bedoeld als steun aan Vredelings visie,’ meldt Kissinger droog. ‘Integendeel, het was de bedoeling om Vredeling duidelijk te maken dat Schlesinger er geen woord aan vuil wilde maken.’

De ‘war on drugs’ in Den Haag
Veel van wat in 1973 over drugs werd geschreven, zou ook nu opgetekend kunnen worden. De ‘war on drugs’ begint officieel als president Nixon de verschillende opsporingsdiensten bundelt in de Drugs Enforcement Administration. DEA-agenten zwermen over de wereld uit, buitenlandse overheden worden onder druk gezet om Amerikaans beleid uit te voeren.

Aanvankelijk hebben de Amerikanen hier weinig succes met hun campagne. De piepjonge regering-Den Uyl wil eerst met een eigen drugsnota komen. Bovendien is er het struikelblok Irene Vorrink, of ‘madame Vorrink’ zoals ze in de telexen wordt genoemd. Deze minister van Volksgezondheid wil softdrugs gedogen en heeft een zoon die nota bene ‘met regelmaat op de radio de noteringen van de Amsterdamse drugsmarkt voorleest’.

De Amerikaanse ambassade in Den Haag wil Nederland allengs de les lezen en ontdekt in minister van Justitie Van Agt een medestander. Van Agt begint de ernst van de ‘drugs­situatie (inclusief heroïne)’ in te zien en heeft weinig op met ‘sommigen van zijn collega’s en hun ondergeschikten die vinden dat cannabis een onschuldige stof is die dezelfde behandeling als alcohol verdient’, telext de ambassade.

Van Agt accepteert een aanbod voor een gratis en geheel verzorgd oriëntatiebezoek aan de VS. Een ‘breakthrough in our efforts to get Dutch officials off the dime,’ jubelt ambassadeur Gould.

De telexen vliegen nu de oceaan over. Washington wil een boodschap uitdragen: er moet geld in de ‘War on Drugs’ gestoken worden. Van Agt en zijn stafleden genieten de hoogste dagvergoeding – vijfenveertig dollar.

- In deze delicate situatie vraagt de ambassade aan het State Department om instructies hoe Holland een handje te helpen

Het bezoek van Van Agt past in het agressieve programma dat de ambassade in 1974 onderneemt – en in een telex van 13 december uiteenzet – om de publieke opinie en de ophanden zijnde drugswetgeving te beïnvloeden. Geen eenvoudige taak, want ‘het Nederlandse volk, in zijn geestdrift voor tolerantie en individuele rechten, eist niet van de overheid dat zij ferm optreedt’. De Nederlandse overheid moet haar opsporingsdiensten reorganiseren en drugshandelaren zwaarder straffen. Ook zullen, volgens het actieplan, hechte contacten met het Nederlandse politieapparaat ontwikkeld worden, onder meer door politiemensen ‘Amerikaans’ te trainen.

Na een lange lobbycampagne van de Amerikanen krijgt de DEA in 1974 toestemming van de Nederlandse regering om bij de ambassade in Den Haag in te trekken. Helemaal gerust is ambassadeur Gould er niet over. Hij vermoedt dat de Nederlandse regering niet beseft dat het om een ‘operationele’ missie gaat. Mochten Nederlandse kranten ooit schrijven over Amerikaanse drugsagenten die zich schuldig maken aan infiltratie en uitlokking, dan wil de ambassadeur er zeker van zijn dat Den Haag de DEA-missie dekt. Het wordt Gould in zijn gesprekken met Van der Stoel en Van Agt overduidelijk dat de ministers geen idee hebben dat de DEA-agenten in Nederland een ‘actieve rol spelen in de processen die leiden tot de arrestatie van drugshandelaren’. De DEA, dachten de ministers, had alleen een ondersteunende en coördinerende functie. Niet dat ze moeilijk doen over een ‘operationele’ DEA. Van der Stoel vindt het een kwestie voor zijn collega van Justitie Van Agt, die Gould belooft dat hij zich beter zal informeren en er later op terug zal komen. Blijkbaar laat Van Agt het daarbij. Met als gevolg dat dertig jaar later nog steeds de vraag wordt gesteld: wat doen die Amerikaanse drugsagenten eigenlijk en kan het door de beugel?

Nucleaire neurose
Met argusogen volgen de Amerikanen ook het vaderlandse debat over kernenergie. Sleutelfiguur is Ruud Lubbers, een ‘briljante jonge (34) econoom en zakenman’. Maar ambassadeur Middendorf vertrouwt hem niet helemaal. Hij wil ‘de nogal tegenstrijdige’ reputatie van de nieuwe minister van Economische Zaken, die ook ‘sympathie heeft voor labour aspirations en de linkervleugel van de KVP’, zelf peilen. Lubbers krijgt het voordeel van de twijfel, al ziet Middendorf ‘de tegenstrijdigheden in Lubbers’ houding bevestigd’. ‘Ik hoop en geloof dat hij en public links zal praten, maar zich verstandig en constructief zal gedragen,’ rapporteert hij. ‘We moeten ervoor zorgen dat hij goed op de hoogte blijft van onze standpunten (...) en dat we waar mogelijk gemene zaak met hem kunnen maken. Onze goede relaties met zijn ambtelijke adviseurs kunnen daarbij van grote waarde zijn.’

De macht van het Opec-kartel en de olieboycot tegen het Westen (met name Nederland) na de Jom Kippoer-oorlog hebben het vraagstuk van de energievoorziening op scherp gezet. Hoe pakte Lubbers dat aan? Tevreden stelde de ambassade vast dat hij Nederland voorzichtig het tijdperk van de atoomenergie invoerde. Een formidabele opgave, want ons land kampte samenlevingsbreed met ‘een typisch fenomeen’ dat aan het Korte Voorhout als ‘nucleair negativisme’ werd omschreven. Kernenergie was ‘somehow immoral’ en er moest echt iets gebeuren om Nederland van zijn ‘nucleaire neurose’ af te helpen (telex van 24 december 1974). Eind september had Lubbers in zijn Energienota voorgesteld dat er drie kerncentrales zouden worden gebouwd. Als de Tweede Kamer tegen zou stemmen, zouden de gevolgen in Amerikaanse ogen heel ernstig zijn. Ons land zou nog kwetsbaarder worden voor Opec-chantage, we zouden ons eigen aardgas gaan opstoken ten koste van andere landen, én ‘het zou de Amerikaanse nucleaire industrie orders kunnen kosten’. Last but not least zou het de tegenstanders van de Nederlandse rol in de nucleaire Navo-defensie kunnen versterken’ en de ‘Nederlandse deelname aan (...) snelle kweekreactoren’ zoals Kalkar in gevaar kunnen brengen.

Lubbers moest dus wel voorzichtig opereren maar, telext de ambassade, hij ‘ontpopt zich als een ferme voorstander van kernenergie’ en ‘in feite zijn er sterke aanwijzingen dat zijn voorzichtigheid een tactiek is om tegenstanders te ontwapenen’. In deze delicate situatie vraagt de ambassade aan het State Department om instructies hoe Holland een handje te helpen. Suggesties: ‘(…) toestemming om hoge Nederlandse functionarissen discreet positief te informeren over het Amerikaanse beleid dat gericht is op een substantieel Nederlands kernenergieprogramma’. En het zou een goed idee zijn dat Nederlandse autoriteiten ‘zoals minister Lubbers en opinievormers in parlement en media naar de VS worden uitgenodigd voor first-hand discussies over ons beleid’. Als het ministerie van Kissinger zich actief met Nederland wil bemoeien, vervolgt de telex, ‘dan kan de ambassade op onopvallende wijze proberen om leidende personen in regering, parlement en bedrijfsleven te laten nadenken over de in onze ogen kwalijke gevolgen van een “nee” [tegen de plannen van Lubbers, VN] bij de parlementaire stemming in 1975’.

Lubbers’ geheime ontmoeting
Niet altijd opereert de jonge Lubbers even briljant in Amerikaanse ogen. Hij mag dan een slimme econoom zijn, diplomatie is een ander vak. Kan een telex hoofdschuddend zijn? Op 5 december 1973, midden in de olieboycot, heeft Lubbers een geheime ontmoeting met de Saoedische olieminister Jamani. De Amerikanen horen van de Saoedische ambassadeur Helaissi hoe die ontmoeting verliep. Jamani meldt zich ziek en blijft boven op zijn hotelkamer. Lubbers pakt de telefoon, belt Jamani, en maakt een ‘valse start’ door te zeggen dat hij ‘een Nederlands economisch probleem wil bespreken’. Jamani sputtert verbaasd en zegt dat er alleen een politiek probleem is. ‘Even later stelt Jamani een vraag. In plaats van te antwoorden, vroeg Lubbers aan Jamani waarom Arabieren Israël willen uitroeien. Hij stak een lange monoloog af ter verdediging van Israël, waarop Jamani zich niet verwaardigde te antwoorden. Toen de latere ontmoeting was afgelopen, vroeg de Nederlandse minister om een groepsfoto. Tegen verslaggevers in de lobby zei hij (...) dat Jamani en hij het op elk punt met elkaar eens waren. Toen de verslaggevers aan Jamani vroegen of dat klopte, antwoordde hij hun dat zij het op elk punt oneens waren.’

De Saoedische ambassadeur vindt het ‘een verbazingwekkend optreden’ dat voor slechts één uitleg vatbaar is: de Nederlanders zoeken een ‘publiek excuus voor hun hardleerse standpunt’ inzake Israël en het Midden-Oosten-conflict. Hij raadt de Amerikanen aan om ‘de Hollanders wijze raad te geven. Ze zijn bezig de olievooruitzichten van geheel Europa te verpesten. In elk geval forceren zij de ontwikkeling van alternatieve haven- en raffinagecapaciteiten ten koste van Rotterdam.’ Fijntjes voegde hij eraan toe dat hij betwijfelde of de Britten en Fransen hun olie met Nederland wilden delen.

Was Nederland echt zo koppig of zwichtte het toch voor Arabische druk? Ja zeker, maar daar werd niet te veel ruchtbaarheid aan gegeven. Wel aan de Amerikaanse ambassadeur natuurlijk. Op 8 januari 1974 vernam hij als eerste van de hoogste ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken, Van Lynden, dat Nederland in de Europese Gemeenschap (nu EU) een hulpplan wilde indienen ‘dat zich “quote” zou kunnen uitstrekken tot olieproducerende landen “unquote”’. Ook vertelde hij de Amerikanen dat ‘de Nederlanders niet langer over Palestijnse vluchtelingen zouden spreken’. Die term ergerde de Arabieren, want die deed geen recht aan de ‘politieke en economische oplossing die hun situatie vereiste’. Dat Nederland de Amerikaanse ambassadeur nog eerder op de hoogte bracht dan de medelidstaten van de EG, sprak boekdelen; de telex vermeldt dat Nederland ‘niets zou ondernemen dat de VS zou kunnen beledigen of de Amerikaanse plannen in de wielen zou kunnen rijden’.

Zo ging het ook met onze ontwikkelingshulp: eerst toestemming vragen. Eind augustus 1974 belde de directeur-generaal Internationale Samenwerking Jan Meijer de ambassade om te vertellen welke landen het volgend jaar in de prijzen zouden vallen. Direct uit het kabinetsberaad, ruim voor prinsjesdag, de koningin wist het nog niet eens. ‘He asked that information be held closely. I assured him it would be.’ Meijer onthulde dat Nederland onder andere hulp zou gaan verstrekken aan Egypte. ‘Meijer zei dat de beslissing om een hulpprogramma voor Egypte te starten (…) was genomen op aanraden van de VS.’ Een aantal gezamenlijke hulpprojecten met Israël zouden in 1975 nog doorlopen, ‘maar enkele van hen moeten wellicht worden herzien in het licht van de Israëlische diplomatieke situatie na de oorlog in het Midden-Oosten’. Hoezo niet zwichten?

We liepen aan de Amerikaanse leiband, soms uit liefde en overtuiging, misschien ook wel omdat de Verenigde Staten nu eenmaal de lakens uitdeelden. Een enkele keer vraag je je, met de kennis van nu, af wat er gebeurd zou zijn als de geschiedenis zelfs de Amerikanen niet dwars had gezeten. De sjah van Iran was een perfecte bondgenoot, Nederland was het ook, dus de Amerikanen dachten dat het een goed idee zou zijn om het Arabische oliewapen te bestrijden met een veilige olielijn van de Zuid-Iraanse haven Bandar Abbas naar Rotterdam, de grootste en diepste haven van Europa. Telexen vanaf augustus 1974 beschrijven hoe dat zou moeten gebeuren met nucleair aangedreven gigatankers. Drijvende kerncentrales bijna, waarvoor milieuwetten, veiligheidsvoorschriften en aansprakelijkheidsregels herschreven zouden moeten worden. Getekend: Henry Kissinger, 23 augustus 1974. Hoe veilig zouden die zeemonsters nu geweest zijn, in het tijdperk van Ahmadinejad en Bin Laden?

Dwangdiplomatie om Suriname
Er wordt in 1974 druk getelext tussen Den Haag, Washington en Paramaribo over de ophanden zijnde onafhankelijkheid van Suriname. Amerika heeft maar één belang in Suriname: bauxiet (Suriname leverde toen tien procent van de bauxietproductie in de wereld). En één doel: de nationalisering van Suralco, dochtermaatschappij van het Amerikaanse Alcoa, voorkomen.

Ambassadeur Gould weet hoe. Hij heeft vanuit Den Haag een actieplan opgesteld. Amerika moet druk uitoefenen op Nederland om de onafhankelijkheid uit te stellen tot er in Paramaribo een regering zit die de Amerikaanse belangen dient. Omdat Gould denkt dat Nederland meer haast heeft, heeft hij een alternatief: Nederland moet de Surinaamse regering dwingen te beloven dat, in ruil voor onafhankelijkheid, de bauxietindustrie niet wordt ont­eigend. Mocht ook dit niet lukken, dan kunnen Amerika en Nederland samen Suriname ontwikkelingshulp aanbieden in ruil voor die belofte.

In een zeldzaam staaltje van diplomatieke onenigheid, schrijft de Amerikaanse consul in Paramaribo Johnston een lange telex waarin hij de vloer aanveegt met Goulds voorstellen. ‘Papierverspilling’ en ‘contraproductief’ noemt de consul de voorgestelde dwang­diplomatie. En bovendien zou Suriname zoiets uit ‘nationale trots’ nooit accepteren. De Amerikaanse belangen in de Surinaamse bauxiet lopen ‘geen onmiddellijk gevaar’, schrijft Johnston. De regering in Paramaribo is ‘not committed to nationa­lization of the bauxite industries and is not likely to adopt such a policy in the near future’. Uitstel van de onafhankelijkheid is ‘niet realistisch’. En, waarschuwt Johnston, ‘there is also the considerable, and in our opinion unacceptable risk that a U.S. request that GON [Nederlandse regering – KC/FV] delay Surinam’s independence would become known in Surinam’.

Washington is het eigenlijk wel eens met de consul. Inderdaad er is geen directe bedreiging voor de Amerikaanse investering in Suriname.

Wat niet wegneemt dat er zorgen blijven. Vooral als, tot verbijstering van de Amerikanen, premier Den Uyl de Surinaamse regering ‘onbegrijpelijk’ typeert als ‘very left wing’. De sluwe premier ‘zou erop uit kunnen zijn de VS op stang te jagen zodat ze zich met Suriname gaan bemoeien waardoor het Holland minder geld zou kosten’. Pijnlijk vervolgt hij: ‘It would be quite essentially Dutch to attempt to provide handsomely for Holland’s social obligations to Surinam, but at no cost to Holland.’

Voor alle zekerheid geeft Kissinger opdracht aan de ambassade in Den Haag om de Amerikaanse bezorgdheid over nationalisering van Suralco op ‘het hoogste niveau’ over te brengen. De consequenties van natio­nalisering, dreigt Kissinger, zijn zowel voor Suriname als voor Nederland ‘costly’. En dáár zijn wij Nederlanders gevoelig voor.

[reageren]




  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?
  • Crisis in Europa Wel of geen drie procent; bezuinigen of stimuleren; Griekenland eruit, Spanje failliet. Begrijpt u het nog?
  • WK Schaken De cameraploegen staan klaar, maar schaken in bewegend beeld, kan dat boeien?
  • Franse verkiezingen De meest verrassende perspectieven op de Franse verkiezingen.