VN MediagidsDe Holland-Amerika-Lijn

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Buitenland / Verenigde Staten 13.05.2006

Door Ko Colijn / Freke Vuijst

Hoe de VS Nederland in de gaten konden houden

Het State Department maakte onlangs zesduizend telexen openbaar die in 1973 en 1974 werden verzonden tussen Den Haag en Washington. Daaruit blijkt dat Nederlandse politici als de staatsecretarissen Westerterp en Stemerdink en minister Gruijters bij de Amerikaanse ambassadeur klikten uit de minsterraad. Ze ondermijnden daarmee ministers en kabinetsbesluiten. En zij waren niet de enigen. De Amerikanen kregen alle gevoelige informatie die ze wensten ingefluisterd door hoge ambtenaren, volksvertegenwoordigers, kabinetsleden en diplomaten. Ook als dit het Nederlands belang kon schaden.

Ze geven een fascinerend beeld van het spel achter de schermen van de politiek, de 320.000 telexen over de jaren 1973-1974 die het Amerikaanse State Department onlangs openbaar maakte. 5614 Ervan betreffen ‘Nederland’. Voor de een zullen zij bevestigen dat Nederland niet meer is dan een Amerikaanse bananenrepubliek, voor de ander werpen zij licht op de internationale politiek als een sluw en briljant machtsspel.

Soms gaan de telexen over onbetekenende zaken als het stemgedrag van ons land in de Wereldpostzegel Unie. Of het ministerie van Buitenlandse Zaken vraagt aan Henry Kissinger of hij de WK-voetbalwedstrijd Brazilië-Nederland wil bijwonen. En, beslist niet onbetekenend, de heer Pieter van Vollenhoven vraagt ‘zonder uitstel’ om hulp van de Amerikaanse ambassade bij een reisje naar Alaska, alwaar hij de Noord-Amerikaanse sledehondenkampioenschappen wil bijwonen. Of men er wel rekening mee wil houden dat Pieter zijn eigen husky ook wil meenemen, en o ja, twee BVD-agenten voor het geval dat Margriet zou meereizen.

Maar veel telexen gaan ook over zaken van meer belang. Amerika is ongerust: blijft Nederland lid van de Navo? Holt Nederland het lidmaatschap uit door te bezuinigingen op defensie? Hoe moet de aankoop van een nieuwe Amerikaanse straaljager door ons parlement geloodst worden, juist nu dit wil bezuinigen? Hoe kan Nederland gevraagd worden om heimelijk honderd tanks aan de Israëliërs te leveren die de Israëlische verliezen na de Jom Kippoeroorlog moeten aanvullen? En hoe moeten jonge, politieke leiders, vooral die uit de aanstormende PvdA ‘met de meeste volharding bewerkt worden’? (‘US interests dictate that we cultivate this group most assidously’) Het is nu allemaal na te lezen.

Bondgenoten houden elkaar in de gaten. Dat is geen nieuws. Maar de vraag is vooral hóé scherp, en wanneer gaat de warme belangstelling over in spionage of inmenging in binnenlandse aangelegenheden? En wat de rol van Nederlandse politici en ambtenarij betreft: wanneer schaden zij het nationaal belang van Nederland? Mag een Nederlandse politicus of ambtenaar als ‘informant’ van de Amerikaanse ambassadeur fungeren? Is het toegestaan dat hij roddelt over de eigen baas, collega of opvolger? Mag hij de Amerikanen adviseren hoe ze Nederlands ‘eigen’ regeringsbeleid zo effectief mogelijk om zeep kunnen helpen? Het lijken retorische vragen. Nee, zou je zeggen. Maar toch kropen en kruipen de Nederlandse politiek en ambtenarij bij de ambassade op schoot.

Een links kabinet in de maak
Voorjaar 1973. Richard Nixon zit in het Witte Huis, Henry Kissinger op het ministerie van Buitenlandse Zaken, Donald Rumsfeld bij de Navo in Brussel en Nederland zit in een politieke crisis. De formatie van het eerste kabinet-Den Uyl wil maar niet lukken. Ministers, formateurs en informateurs lopen de deur plat bij paleis Soestdijk. De Amerikaanse ambassade in Den Haag volgt het op de voet.

Ambassadeur William Middendorf (later dat jaar wordt hij vervangen door Kingdon Gould) en zijn staf doen aan eigen nieuwsgaring. Ze praten met PvdA’ers als Max van der Stoel, die ‘ronduit weigert’ om te voorspellen of het gaat lukken, maar ze praten vooral met confessionele politici en dan met name KVP’ers die gretig linkse onheilscenario’s afschilderen en hun hoop op een slechte afloop van de kabinetsformatie niet onder stoelen of banken steken. In een telefoongesprek met de ambassadeur noemt oud-premier De Jong (KVP) de PvdA-formateur Burger ‘pig headed’ ( ‘bot’). Hij beschuldigt Burger van ‘dictatoriale’ tactieken die hij met instemming van Den Uyl gebruikt. KVP’er Westerterp vertelt de ambassadeur over een solo-actie waarmee hij hoopt ‘het uiteindelijke fiasco van Burgers pogingen te bespoedigen, daar hij nooit wilde dat het een succes zou worden.’ Westerterp vertrouwt Middendorf toe dat VVD-leider Wiegel bereid zou zijn om een buitenparlementaire regering te vormen met de confessionelen en een paar gematigde socialisten. ‘Het is van essentieel belang om Westerterp als bron te beschermen,’ waarschuwt de ambassadeur in zijn telex aan Washington. Westerterp weet te melden dat Schmelzer bereid zou zijn om bij het falen van Burger ‘de oude vijf- of huidige vierpartijencoalitie opnieuw samen te stellen, mogelijk zelfs met hemzelf als minister-president.’

Grote vraag, schrijft de ambassadeur op 11 april aan Washington, is of Den Uyl ‘de extreem linkse vleugel’ van zijn partij in de hand kan houden. ‘Velen wedden er op dat hij dat niet zal doen, niet zal kunnen, en niet de leiderschapkwaliteiten heeft om het te proberen.’

Tsja, en dan komt dat kabinet-Den Uyl er toch. Met een aantal confessionele ministers, waaronder de doemdenker Westerterp als minister van Verkeer en Waterstaat. De Amerikanen passen zich snel aan, het is voor hen een troost dat ‘op het gebied van Beleidscoördinatie (Den Uyl), Buitenlandse Zaken (Van der Stoel) en Defensie (Vredeling) de Amerikaanse regering met gematigde en capabele mannen heeft te maken die wij goed kennen en die, wat betreft de Amerikaanse belangen, de beste linkse leiders zijn op wie we konden hopen.’ Het had, concludeert de ambassadeur in een telex op 8 mei 1973, ‘nog veel erger kunnen zijn, gezien de toenemende radicalisering van links Nederland’. En, zo verwacht hij: ‘We anticipate new govt’s left wing bark will be bigger than its bite.’

Twee weken later gaat de ambassadeur op bezoek bij zijn ‘oude vriend’ minister Tjerk Westerterp. ‘Westerterp zei, met zijn gebruikelijke openhartigheid, dat niemand te snel het plakkaat links op de nieuwe regering moet plakken. Er waren slechts een paar extremisten (...) in het kabinet-Den Uyl, onder wie zijn eigen staatssecretaris, dr. Van Hulten (PPR) die Westerterp beschreef als een soort wildeman. Wat er wel toe deed, benadrukte hij, was dat er in de regering verstandige, gematigde politici zaten zoals Den Uyl, Van der Stoel, Vredeling en, bij implicatie, Westerterp zelf. Hij zei dat deze leiders en andere like-minded leden van de nieuwe regering er voor zouden zorgen dat ze de activiteiten van hun “nieuw linkse” collega’s in toom zouden houden.’

Amerikaanse gevechtsvliegtuigen kopen
Met de vervanging van de legendarische Starfighter door een nieuw gevechtsvliegtuig was erg veel geld gemoeid. Het zou Nederlands grootste wapenaankoop van de eeuw worden. Voor het publiek en de Tweede Kamer leek er een keiharde competitie gaande tussen drie, vier grote leveranciers. Halsmisdaad in zo’n miljardencompetitie is het natuurlijk als je een van de leveranciers stiekem laat meekijken in je eigen geheime voorkeurslijstje en betrekt bij je eigen besluitvorming. Het is een vorm van corruptie waaraan veel Nederlandse politici zich in 1973 schuldig maakten. Die hielden de Amerikanen tot in detail op de hoogte van de Haagse overwegingen. Zij stuurden aan op een onvermijdelijke keuze voor de Cobra, een Amerikaans toestel. Daarrtoe diende de rebelse minister Vredeling (Defensie) te worden gedwarsboomd. In zijn hart was die voor de Franse Mirage. Een keuze voor het Franse toestel zou een opsteker zijn voor de Europese vliegtuigindustrie; dat was een stokpaardje van de oud-europarlementariër. Maar de minister werd effectief buitenspel gezet door zijn eigen staatssecretaris Bram Stemerdink en door de luchtmacht. Zij rapporteerden hun bemoeienissen aan ambassadeur Gould. Stemerdink liep wel heel ver voor de besluitvorming uit. Een Amerikaanse telex van 17 oktober 1973, anderhalf jaar voor het officiële besluit zou vallen: ‘Stemerdink zei dat de Nederlandse regering niet, herhaal, niet geïnteresseerd was in de Mirage of de Viggen en waarschijnlijk de Cobra zou aanschaffen (...) Stemerdink toonde een schema van de Koninklijke Luchtmacht dat aangaf dat de eerste Cobra-leverantie in 1980-81 zou plaatsvinden.’

- ‘Please protect Stemerdink as source of this incident.’

Gould was een tevreden man en schreef als commentaar bij de telex: ‘Stemerdink was extreem positief over de aanschaf van de Cobra (...). Zoals steeds waren we zeer onder de indruk van het gezag waarmee Stemerdink spreekt. Met minister Vredeling die zich nog aan het inwerken is, en de vrij zwakke collega Mommersteeg, lijkt Stemerdink de sleutelbesluitvormer binnen het ministerie van Defensie.’

Dat blijkt een halfjaar later ook uit een telex (29 april 1974) van tweede ambassademan Tanguy aan het State Department, die dezelfde middag weer door de staatssecretaris was bijgepraat over het straaljagerdossier. ‘Stemerdink uitte dezelfde sterke voorkeur voor een Amerikaans vliegtuig als hij altijd doet.’ En hij zei ook ‘ dat de Cobra het beste toestel is voor Nederland’. Op dat moment deed de latere, winnende Amerikaanse kandidaat (de F-16) nog niet mee. Nog een commentaar van Tanguy aan Washington: ‘Stemerdink blijft een van de sterkste troeven die we hebben in de Nederlandse regering als voorstander van een Amerikaans vervangend toestel.’

De jonge PvdA-bewindsman moest niets hebben van partijgenoot Vredelings Franse voorkeur, vertrouwde hij Tanguy toe, want die ‘wordt meer dan gecompenseerd door Frankrijks buitenlandse politiek. Hij zei dat hij de Franse ambassadeur in zijn gezicht gezegd had dat hij Frankrijks politiek afkeurde.’ Tanguy spitste de oren en wilde wel eens weten hoe de Franse ambassadeur daarop had gereageerd. ‘Ongelukkig,’ antwoordde Stemerdink, en wilde ook wel kwijt dat de gezant zich bij minister Van der Stoel had beklaagd. Die had geen keus gehad dan Stemerdink te kapittelen (‘chasting’), maar hij had hem ook toevertrouwd dat hij diens antipathie tegen het Franse beleid deelde. De telex vermeldt over dit incident: ‘Please protect Stemerdink as source of this incident.’

Voor de Amerikanen was de Nederlandse vervanging van de Starfighter cruciaal. De Koninklijke Luchtmacht moest het eerste schaap zijn dat de Europese kudde over de dam leidde. Die rol speelden we graag Op 24 april 1975 kan de Amerikaanse ambassadeur goed nieuws melden: ‘Het wordt steeds waarschijnlijker dat de Nederlanders het beslissende zetje aan de Belgische beslissing zullen geven.’

Vele telexen verder komt staatssecretaris Stemerdink weer bijpraten. Er was een kinkje in de kabel gekomen, want er was die zomer een Navo-studie gemaakt waaruit was gebleken dat Nederland best kon volstaan met een veel goedkoper gevechtsvliegtuig. Foute boel, dachten de staatssecretaris, onze luchtmacht, en hun Amerikaanse vrienden. Dat blijkt uit een telex (‘Stemerdink comments on current state of play,’ 30 oktober 1974.) De ambassade begreep Stemerdinks ‘probleem’ en zegde toe de zaak direct te bekijken.

En wat was er waar van het gerucht dat minister Vredeling intussen toch besloten had ten gunste van de Franse Mirage, wilde de ambassade weten? De staatssecretaris kende zijn plaats: ‘Aangezien Stemerdink niet, herhaal niet, voor de Mirage is, kan hij alles wat de Mirage aan kansen heeft binnen het ministerie om zeep helpen. Zonder spoor van opschepperij of valse bescheidenheid zei hij dat hij politiek te belangrijk is voor Vredeling en de PvdA om aan hem voorbij te kunnen gaan in deze zaak.’ Aan zulke informanten hadden de Amerikanen wat.

Vlak voor Stemerdinks bezoek aan de Verenigde Staten stuurde ambassadeur Gould een bio’tje van de veelbelovende politicus naar Washington. Daarin werd ‘in tegenstelling tot Vredeling’ zijn ‘professionele competentie’ geroemd. Een pragmatische en onvermoeibare werker, met een ‘eenvoudige smaak en eenvoudige kijk op het leven’, aldus de ambassadeur. Tikje eigenwijs ook: ‘Hij slaat soms krachtige taal uit, die gebaseerd is op soms simplistische en ongecompliceerde oordelen.’

Het bezoek van de Nederlandse bewindsman aan de Verenigde Staten was ‘een doorslaand succes’, lezen we in een telex van Gould (19 december 1974). ‘Hij was bij terugkeer vastbeslotener dan ooit om groot oud defensiematerieel van alle drie de Nederlandse krijgsmachtdelen door Amerikaanse spullen te vervangen.’ Binnen een week was hij van Amerika gaan houden, schrijft Gould, en hoewel hij nooit van plan geweest om naar de Verenigde Staten met vakantie te gaan ‘had één week in ons land dat allemaal veranderd’. Na het bezoek, schrijft Gould, ‘Hij zal in de positie zijn om een nog behulpzamer rol te spelen in zijn regering met betrekking tot de militaire relaties met de Verenigde Staten.’

Toen de Amerikanen in de zomer van 1974 de F-16 van General Dynamics in de strijd wierpen, was het een gelopen race. De Nederlandse voorkeur voor een Amerikaans toestel was de Amerikanen allang duidelijk. En via de Nederlandse beslissing hadden ze meteen België, Denemarken en Noorwegen aan de haak.

Een nieuwe defensienota
De vliegtuigdeal was de lakmoesproef binnen het veel grotere hoofdpijndossier van de Nederlands-Amerikaanse defensiebetrekkingen. Een van de eerste daden van het kabinet-Den Uyl was het schrijven van een nieuwe Defensienota. Hierin moest duidelijk worden hoeveel geld het kleine koninkrijk nog over had voor de bondsgenootschappelijke defensie. Minister Vredeling was niet anti-Navo, en bepaald geen voorstander van forse bezuinigingen op defensie, maar het feit dat hij ‘socialist’ was, en ook nog ‘pro-Europeaans’, was voor Amerika voldoende reden om het wordingsproces van zijn nota van zo nabij mogelijk te volgen. Dat kostte geen enkele moeite, spionage was overbodig, want de discrete informatie werd gewoon naar het Korte Voorhout gebracht. Uit de telexen blijkt dat er voortdurend met de Amerikanen werd onderhandeld over de eerstvolgende conceptversie van onze Defensienota. De belangrijkste troef van de gematigd linkse Nederlandse politici, die bij de Amerikanen langs kwamen, was dat de Navo de komende nota maar beter kon slikken omdat het kabinet-Den Uyl anders zou bezwijken onder druk van de nog gevaarlijke Nieuw Linksstroming, die anti-Navo was.

Op 29 april 1974 sneuvelde de eerste versie van de nota-Vredeling in de ministerraad. Linkse ministers vonden dat er méér bezuinigd kon worden, behoudender collega’s vonden dat Nederland gevaarlijk spel speelde met de Navo. Na een Uylliaanse vergadering tot vier uur ’s ochtends werd een crisis bezworen en kon Vredeling naar huis met de opdracht dat hij reparatiewerk moest verrichten. Binnen enkele dagen was de Amerikaanse ambassade volstrekt op de hoogte van de intieme details. Een telex van 2 mei aan Washington meldt dat een hoge Navo-ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Van der Valk, had uitgelegd dat ‘het moment van de waarheid’ was aangebroken en dat ‘als de tegenstanders van Vredelings Defensienota hun zin hadden gekregen zowel Vredeling als Van der Stoel bereid waren geweest om af te treden, wat (...) tot een kabinetscrisis zou hebben geleid’. Maar de informatie was ook geweest dat Den Uyl zelf tot de tegenstanders had behoord. Ambassadeur Gould wist dat wel te duiden: ‘De premier kan in het begin op sterke wijze deze lijn hebben gevolgd om het de jonge linkse oppositie tegen het veiligheidsbeleid van het kabinet naar de zin te maken, en bereidheid te tonen tot een compromis.’ Goed gezien, al was het maar omdat Van der Valk diezelfde dag niet de enige Nederlandse informant was geweest. Den Uyls hoogste ambtenaar, Ringnalda, had ook aan de lijn gehangen. Hij had de ambassade bericht dat zijn baas gevoelig was voor de snel dalende populariteit van de Navo in Nederland. ‘Den Uyl houdt dat goed in de gaten en wordt erdoor beïnvloed.’ Ringnalda ging verder en wees minister Pronk aan als medeaanstichter van de oppositie. De telex zegt: ‘Ringnalda ontkende niet, herhaal, ontkende niet dat Pronk behoorde tot degenen die in het kabinet de aanval op Vredelings nota hebben geleid.’ In de ogen van Ringnalda was Pronk ‘ een socialistische illusionist’ maar wel een met ‘brain power’ en iemand met ‘appèl aan de linkervleugel in zijn eigen partij en linksradicalen in het algemeen’.

Het spook van radicaal links
Ondertussen zaagde rechts Nederland op het Korte Voorhout aan de stoelpoten van het kabinet. Van de oppositie kreeg de ambassade gratis advies. Oud-minister Hans de Koster (VVD) was niet te beroerd om flink tegen zijn opvolger te stoken. De telex van 24 mei naar Washington gaf De Kosters aanbevelingen door: ‘Hij heeft er bij minister Schlesinger op aangedrongen om het keihard te spelen tegen de Nederlanders.’ De Koster adviseerde de Amerikaanse regering te dreigen dat bezuinigen op de Nederlandse defensie ‘de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Europa zal versnellen’. Hij typeerde Vredeling als niet ‘hard’ en ‘betrouwbaar’, en hoopte openlijk dat de Navo geen groen licht zou geven aan diens komende Defensienota. Achter de schermen, zo liet De Koster de Amerikanen weten, werkte hij ook op andere fronten: ‘De Koster gaf aan dat hij en anderen de Duitsers bewerken, in het bijzonder de minister van Defensie Leber, om druk uit te oefenen op de Nederlanders.’ De Amerikaanse ambassadeur was wijs genoeg om te begrijpen dat De Koster ook uit partijpolitieke motieven kon handelen. Volgens hem had de VVD immers ‘gebrek aan een issue’ maar toch: ‘De Koster blijft invloedrijk in conservatieve kringen en kan nuttig voor ons zijn.’

Niet collegiaal, maar De Koster zat niet in het kabinet. Dat was wel het geval met Hans Gruijters, D66 (Volkshuisvesting), die ook even langs kwam op de ambassade om zijn collega van Defensie zwart te maken. In zijn ogen was Vredeling ‘een militante Europese federalist’, een man die nodeloos geld wilde uitgeven aan het ideaal van een Europese defensie om de Europeanen ‘onafhankelijker van de Verenigde Staten te maken en hun houding ten opzichte van de Sovjets te verbeteren.’ De ambassadetelex van 6 mei 1974 bericht: ‘Gruijters zei dat hij persoonlijk vond dat dit conceptuele nonsens was en gaf aan dat hij niet de enige in het kabinet was die er zo over denkt.’

Een maand later was de aangepaste nota van Vredeling klaar. De Nederlandse ambassadeur Hartogh moest hem verdedigen tegenover de bondgenoten. Uit rapportages van Donald Rumsfeld, toen ambassadeur van de Verenigde Staten bij de Navo, blijkt hoe vernietigend de ontvangst was. ‘Very very alarming,’ vonden de Duitsers. ‘Heel moedig om zo’n rampzalig plan zo openlijk te presenteren,’ vonden de Belgen. Een keihard oordeel, sputterde de arme Hartogh tegen. In een telex van 2 juli 1974 schrijft Rumsfeld aan het Pentagon dat Hartogh hem van de goede kanten van de nota heeft proberen te overtuigen. ‘Een zeer groot aantal amendementen, die de Nederlanders veel geld kostten’ zijn door Vredeling weer in de nota teruggebracht. ‘Privé zei Hartogh dat Nederland verder was gegaan dan het kabinet de kiezers had verteld en verder dan hij dacht dat het kon gaan.’ Daar moesten de Verenigde Staten toch begrip voor opbrengen? Wie denkt dat een Nederlandse ambassadeur zijn eigen land daarbij door dik en dun tegen kritiek verdedigt, slaat de plank mis. In de dialectiek van onze Navo-ambassadeur incasseerde hij liever te veel kritiek van de Navo, dan complimentjes van links-Nederland: ‘Nederland hoopt nu op een goed woordje van de Navo. Maar het begrip van de Navo zou ook weer niet té ver moeten gaan, want anders geeft dat in Nederland weer moeilijkheden met links,’ vat Rumsfeld het pleidooi van Hartogh samen.

Het spook van ‘radicaal-links’ komt Nederland eigenlijk best goed uit. Het is een hefboom in de onderhandelingen. Op 6 juni komt de jonge staatssecretaris Marcel van Dam het de Amerikaanse ambassade in Den Haag nog eens uitleggen. ‘Als Den Uyl door de Navo onder druk wordt gezet om de bezuinigingen terug te draaien, zal hij het Centrale Comité (sic) onder aanvoering van André van der Louw op zijn weg vinden. Die staat heel links van het kabinet in Navo- en defensiekwesties. In deze situatie, zei Van Dam, zou het kabinet vallen en komen er nieuwe verkiezingen. De bron, die verkiezingsuitslagen in het verleden heel goed voorspelde, voorzag dat links zou terugkomen met een grotere meerderheid die nog veel meer zou willen bezuinigen en zelfs minder trouw aan de Navo zou zijn.’ Van Dam schildert hoe het Centrale Comité van Van der Louw vol vertrouwen zou kunnen anticiperen op de steun van het linkse partijcongres in het volgende voorjaar. De ambassade noteert: ‘Van Dam moest toegeven dat dit geen democratie-op-zijn-best zou zijn, omdat een Centraal Comité van eenentwintig man in feite bevelen gaf aan de premier en aan andere PvdA-ministers in een zaak van groot Nederlands belang.’ Maar het zou ‘het beste zijn voor de Verenigde Staten en de Navo om dit maar te accepteren dan om een slechtere uitkomst te riskeren.’

Het is druk die dag op de Amerikaanse ambassade. Premier Den Uyl tovert een heel ander schrikscenario dan Van Dam uit de hoed. Geen ultralinks, maar een réchts bezuinigingskabinet zou wel eens een bedreiging kunnen zijn. ‘Als de druk wordt opgevoerd tot op het punt waarop het kabinet valt, zal de right-wing opvolger nog meer bezuinigen dan deze centrum-linkse coalitie’, tekent de ambassadeur op. Hij meldt Kissinger dat de premier ‘op een achterkant van een sigarendoosje’ de Defensienota ‘sterk verdedigd had’ met een analyse die ‘serieuze aandacht verdient’. Den Uyl vond het onzin om te wachten op een massale aanval van de Russen over het lange front ‘van Lübeck tot Passau met om de twintig kilometer een divisie gesteund door Nike- en Hawk-raketten’. Het Nederlandse idee uit de Defensienota om soldaten in het achterland standby te houden om naar eventuele brandhaarden te sturen, was veel beter.

De Defensienota redde het tenslotte.

Nederland kreeg een kleinere, maar juist daarom betere krijgsmacht. De Navo bleef sputteren, maar naarmate de tijd verstreek, zou Vredeling steeds meer complimenten krijgen voor het huzarenstukje dat hij had geleverd.

Een wildpark in de Sinaï-woestijn
Prins Bernhard ontbreekt ook niet in het transatlantische telexverkeer. De Lockheed-affaire moest nog uitbarsten, maar dat de prins van Amerikaanse wapens hield, was al bekend. Sterker nog, op het moment dat Nederlandse politici hun enthousiasme voor het Cobra-gevechtsvliegtuig van de wapenfabriek Northrop aan de Amerikanen verklapten, hielp hij de Amerikanen met nuttig exportwerk. In een telex uit Teheran meldde de latere CIA-directeur Helms (toen ambassadeur) op 3 juli 1974 dat de sjah stevig onder druk werd gezet om de Cobra ook maar te kopen. Aan Henry Kissinger berichtte hij: ‘In elk geval is prins Bernhard een krachtige voorstander van de Cobra (...) en het is duidelijk dat hij de sjah de mogelijkheden van dit vliegtuigsysteem heeft voorgetoverd.’ We vermoedden het al: de prins was een koninklijke deuropener voor de Amerikaanse defensie-industrie.

Als het kon bedacht Bernhard, als topman van het Wereldnatuurfonds, ook originele oplossingen voor de Grote Politiek. Na de Jom Kippoer-oorlog bereikten Israël en Egypte een netelig staakt-het-vuren in de Sinaï-woestijn. De prins stelde op 21 december 1974 aan Henry Kissinger een oplossing voor voor het omstreden gebied. De prins wenste van de Sinaï een natuurreservaat te maken, annex gedemilitariseerde zone. Bernhard zei dat als de Egyptische president Sadat het idee aantrekkelijk vond, ‘hij bereid was om te doen alsof het een Egyptisch initiatief was’. Ambassadeur Gould, die als intermediair tussen Bernhard en Kissinger fungeerde, schreef eronder dat ‘het idee opgenomen zou kunnen worden in een gedemilitariseerde zone. Het zou ook een middel zijn ter voorkoming van gezichtsverlies voor ieder land dat soevereiniteit zou moeten afstaan aan een gedemilitariseerde zone.’ Egypte dus.

De prins had zijn buitenlandse besognes, de rest van de Oranjes zat ook niet stil. Tot ieders verrassing, en zeker die van de Amerikaanse regering, begon de Koninklijke Marine ‘op 18 december 1973 met bewapende patrouilles rond alle havens en zeegebieden die grenzen aan de Shell-raffinaderij op Curaçao en de Exxon-raffinaderij op Aruba’. Terwijl Nederland daar steeds heel terughoudend in was geweest. Enfin, een prima zaak, telext de Amerikaanse consul, die ook een verklaring suggereert voor de Nederlandse draai: ‘Ik ben in vertrouwen geïnformeerd dat gouverneur Leito verheugd was met Hollands vrijwillige betrokkenheid (...) de lokale opinie is dat het bevel rechtstreeks kwam van de Koninklijke Familie in Holland om alle mogelijke bescherming te bieden voor Royal Dutch Shell op Curaçao waarin de Koninklijke Familie volgens rapporteurs een belangrijk financieel belang heeft.’

Olie-embargo? geen probleem
Terwijl Nederland een loodgrijs crisisbeeld werd voorgehouden en de auto op zondag in de garage moest blijven, wist de regering in november 1973 al de verzekering van de Verenigde Staten te krijgen dat we op Amerikaanse olievoorraden konden rekenen. Minder bekend dan de olieboycot, maar dreigender, is dat Nederland als vergelding voor zijn steun aan Israël tijdens de Jom Kippoer-oorlog ook met terreuraanslagen is bedreigd. In een telex van 26 oktober 1974 onder de titel ‘Fedayeen threats to the Dutch’ schrijft Henry Kissinger dat hij heeft vernomen dat de Nederlandse regering ‘van bronnen in het Midden-Oosten info heeft ontvangen dat er aanvallen van de fedayeen zullen komen op installaties van de Nederlandse regering en/of van de zakenwereld.(...) de Arabieren zijn verstoord door a) de zogeheten pro-Israël positie van de Nederlandse regering; b) KLM-vluchten naar Israël die, zeggen zij, piloten en wapens hebben vervoerd; c) Nederlandse regeringsverklaringen toen de oorlog in het Midden-Oosten uitbrak (...) dat deze vijandelijkheden waren begonnen door Egypte. Omdat sommige Arabische landen de Nederlanders hebben aangewezen (...) voor een olieboycot (…) moeten deze dreigementen niet licht worden opgevat.’

Ondanks de oliegarantie van de Verenigde Staten wilde Den Haag van het boycotstigma af, zeker toen de boycot doorging nadat hij tegen de Verenigde Staten zelf wel werd opgeheven. Een telex van ambassadeur Gould (15 maart 1974) aan de rechterhand van Henry Kissinger (Donaldson) zegt waarom: ‘Hun grootste zorg is dat ze nu in hetzelfde schuitje zitten als Portugal, Rhodesië en Zuid-Afrika, die ze als slecht gezelschap beschouwen. Hun enige troost is dat de Denen er ook nog bijhoren.’ De Amerikanen kaartten onze boycot af en toe aan bij de Saoedische vorsten, maar met weinig resultaat. Op 18 juni 1974 schrijft onderminister Sisco: ‘De koning (Feisal, red.) zelf wil het embargo tegen Nederland.’ Maar veel haast had Kissinger ook niet. Op 24 juni telext hij aan zijn ambassade in Den Haag: ‘In antwoord op de Nederlandse verzoeken moet je maar het volgende zeggen: we beseffen dat de Nederlanders onder druk staan om zich openlijk uit te spreken voor Israëlische terugtrekking uit de bezette Arabische gebieden, als prijs voor de Saoedische stem binnen de Opec om het embargo tegen Nederland op te heffen. Niettemin, en vooral in het licht van het feit dat de Nederlanders hun olie toch ook uit andere bronnen kunnen betrekken, hopen we dat de Nederlanders volhouden zo’n verklaring niet te zullen uitspreken. Want dat zou de Arabieren aanmoedigen om andere olieconsumenten onder druk te zetten (...), het zou de haviken in Israël onverzettelijker maken, en het zou onze pogingen om een beide partijen bij onderhandelingen over een vredesregeling te betrekken verder compliceren.’

Eigenlijk wel handig dus, die boycot tegen Nederland.

Think and buy American
Suriname, drugs, het Philips-eerst-beleid van de Nederlandse regering, links-radicalen, kernenergie, Europa, atoomwapens, het Amerikaanse Chili-beleid, moeiteloos zou de bloemlezing met nog tien dossiers kunnen worden aangevuld. Op elk gebied zie je een intensieve Amerikaanse betrokkenheid. En steeds zie je ook de hand- en spandiensten die worden verleend door gretige, ijdele, en soms achterbakse Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders. De Amerikaanse ambassade weet zich gesteund. Jonge leiders uit de zakenwereld? ‘We moeten ons ervan verzekeren dat zij gezonde standpunten innemen over vitale economische belangen van de Verenigde Staten,’ zegt een telex die het nieuwe Nederland van het kabinet-Den Uyl doorneemt (telex 11 mei 1973). Jonge militaire leiders? ‘We beogen voortzetting van de cultivering (...) om er zeker van te zijn dat zij in tactisch opzicht “think American”, en ontvankelijk zijn als het aankomt op “buying American”.’ De leiding van universiteiten? ‘Blijven een belangrijk doelwit.’ Jonge vakbondsleiders? ‘We moeten rekening houden met de gevolgen van hun beleid voor Amerikaanse investeringen in Nederland.’ Jonge politieke leiders? Ze moeten gekoesterd worden. ‘Het belangrijkste en goedkoopste instrument om ons ervan te verzekeren dat de Verenigde Staten invloed hebben op het toekomstige en huidige Nederlandse leiderschap is het international visitor grant program,’ dat vliegreisjes voor de komende elite naar de States organiseert.

De motieven en oogmerken van de Verenigde Staten waren duidelijk. De hulp die zij kregen van Nederlandse politici, die de Amerikanen gratis van onze geheimen op de hoogte hielden (‘we gaan natuurlijk een Amerikaanse straaljager kopen’), was dubieus.

Keerpunt

1973 en 1974. Het protest tegen de Vietnamoorlog bereikte zijn hoogtepunt, president Nixon belandde in de Watergate-affaire, en de oktoberoorlog tussen Israël en zijn buurlanden leidde tot de eerste oliecrisis. Nederland was het mikpunt van de Arabische olieboycot; het land hield zijn adem in en premier Den Uyl sprak het volk op de televisie toe: ‘Het zal nooit meer worden wat het geweest is.’

De spanning in ons land was toch al groot omdat de oude politiek nogal radicaal was afgelost. Het centrumlinkse kabinet-Den Uyl was aan de macht gekomen (het verkiezingsprogramma van de socialisten heette dan ook: Keerpunt), een jonge generatie politici bezette het Catshuis en de Tweede Kamer. De Amerikanen volgden dit met argusogen.

Met de opkomst van links groeide de twijfel aan de rol van de Navo en aan de atoomwapens die ons tegen de Rus zouden moeten beschermen. De vanzelfsprekendheid van het Amerikaanse leiderschap leek te verdwijnen. Binnen de PvdA, toen de grootste regeringspartij, had Nieuw Links een machtspositie opgebouwd die het uiterste vergde van Den Uyl om het kabinet bijeen te houden en de Amerikanen gerust te stellen. Dat viel niet mee, want we probeerden de Navo op te zetten tegen het Griekse kolonelsbewind en het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime, we flirtten met bevrijdingsbewegingen en veroordeelden het Amerikaanse ‘neo-imperialisme’, en we koesterden Salvador Allende en Che Guevara. De aankoop van Amerikaanse straaljagers werd betwist, het stationeren van Amerikaanse atoomwapens op de Havelterberg tegengewerkt, en we begonnen eigenzinnige opvattingen over euthanasie en drugs te ontwikkelen.

[reageren]




  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?
  • Crisis in Europa Wel of geen drie procent; bezuinigen of stimuleren; Griekenland eruit, Spanje failliet. Begrijpt u het nog?
  • WK Schaken De cameraploegen staan klaar, maar schaken in bewegend beeld, kan dat boeien?
  • Franse verkiezingen De meest verrassende perspectieven op de Franse verkiezingen.