VN MediagidsDe brieven van Lucia de B.
Justitie / Lucia de B. / rechtsstaat 18.02.2006
De Haagse verpleegkundige Lucia de B. werd in juni 2004 veroordeeld tot levenslang en tbs wegens zeven moorden en drie pogingen daartoe. Vrij Nederland kreeg inzage in de brieven die ze vanuit de gevangenis schreef. ‘Nog steeds heb ik het gevoel dat ik in een nachtmerrie zit waar ik maar niet uit kan ontwaken.’
Een ‘engel des doods’, een gruwelzuster, een duivelin, een klassieke psychopaat, iemand die dwangmatig moordde en geobsedeerd is door de dood. Zo werd Lucia de B. tijdens haar procesgang afgeschilderd in de meeste kranten. De Haagse verpleegster zou in verschillende Haagse ziekenhuizen dood en verderf hebben gezaaid. Zou. Want de twijfels over haar veroordeling groeien met de dag. Arts Metta de Noo-Derksen is samen met haar broers Ton (wetenschapsfilosoof) en Bram (socioloog) in de dossiers gedoken en ervan overtuigd geraakt dat De B. onschuldig is (zie Vrij Nederland van vorige week). Ook rechtspsycholoog Hans Crombag plaatst vraagtekens bij de veroordeling. Hij pleit ervoor dat een onafhankelijke commissie de hele zaak opnieuw bestudeert.
Eind deze maand doet de Hoge Raad uitspraak in het cassatieberoep dat De B. en haar advocaat Stijn Franken hebben aangetekend.
Schuldig of niet, feit is dat er geen direct bewijs is voor de moorden die Lucia zou hebben gepleegd en dat er ook geen ooggetuigen waren. Bovendien lijkt het erop dat de beeldvorming rond Lucia een buitenproportionele rol heeft gespeeld bij haar veroordeling. Ze was ‘apart’, een ‘buitenbeentje’ dat zich terugtrok om stiekem te drinken. Ze las boeken waarin dood en verderf de hoofdrol speelden. Ze was zó dun dat ze wel drugsverslaafd moest zijn, ze had blond haar en korte rokken, je kon wel zien dat ze een hoer was geweest. Kortom: ze kón niet deugen.
‘Lucia heeft een bloedhekel aan sterke drank,’ zegt een goede vriend. ‘Ze drinkt geen druppel. De helft van haar familie is alcoholist, ze moet er niks van hebben. Ze drinkt per jaar misschien zes biertjes, dat is het.’ Tenger is ze altijd geweest, haar dochter is net zo mager. ‘En in de gevangenis word je er niet dikker op. Met al dat verdriet en al die stress,’ zegt een nichtje, eveneens gezegend met het ‘De B.’-postuur. ‘Lucia was veel ouder dan de andere verpleegsters. Die praatten over uitgaan, jongens, make-up. Zij had een gezin, zij had geen behoefte aan zulke kletspraat.’
Lucia schrijft daarover aan haar nichtje: ‘Grappig dat jij ook tussen de middag van je werkplek weggaat om te eten en niet bij je collega’s blijft! Deed ik ook. Ik ging niet naar huis, dat was te ver, maar ik ging lekker naar buiten, op een bankje in een parkje vlak bij het ziekenhuis. Lekker frisse lucht, zonnetje, rust! Nu zeggen ze dat ik nooit samen met mijn collega’s ging lunchen omdat ik “geheimzinnige” dingen deed! Of stiekem alcohol dronk of zoiets. Triest, hè.’
En wat die horrorboeken en detectives betreft: die kennen een groot publiek. Denk bijvoorbeeld aan de verkoopsuccessen van Stephen King, ook bij Lucia de B. een geliefd auteur. Verdacht, vond de politie die de boeken in beslag nam. Tegenwoordig leest Lucia veel fantasy. Terry Pratchett bijvoorbeeld, dat is wat onschuldiger dan Clive Barkers boek Hellraiser. Haar blonde haar is inmiddels donker geverfd.
Dat ze prostituee is geweest, heeft De B. nooit ontkend. Dat ze voorgoed met dat verleden wilde breken, daar was ze ook duidelijk over. Zelf schrijft Lucia een vriendin daarover: ‘Wat me wel heeft beschadigd, was het feit dat mijn moeder het toestond dat ik voor een vreemde man ging tippelen toen ik zeventien jaar was en nog maagd. Dat zij het geld van mij aannam dat ik had verdiend. En me vervolgens achterliet. En ik weet dat ik eigenwijs kan zijn, maar ik weet zeker dat ik het niet had gedaan als zij het mij had verboden. Ik was op straat gestrikt en wist niet hoe eruit te komen, vandaar dat ik mijn veiligheidsnet te voorschijn haalde: “O, dat moet ik eerst aan mijn moeder vragen.” Er zeker van zijn dat mama dat toch niet toestaat, dus ben je veilig. Maar mijn moeder vond het eigenlijk wel een goed idee. Nou, ik was zo in shock, zo verdoofd, dat ik niet meer kon denken. En zo gebeurde het. Zo’n negen à tien jaar later merkte ik dat ik veel last had van die beschadiging en ging ik naar het Riagg voor hulp. Na twee jaar behandeling was de “wond” redelijk goed genezen en kon ik weer verder met m’n leven.’
Lucia heeft altijd volgehouden dat ze onschuldig is. Ze wist eind 2001 dat de politie haar wilde ondervragen, maar maakte zich daar geen zorgen over. Ze had niets gedaan, dus wat viel haar te verwijten? Daarom liet ze de stretcher staan in de woonkamer van haar grootouders, bij wie ze tijdelijk was ingetrokken om haar doodzieke opa te verzorgen. En bleef ze gewoon bij hen. Ze heeft er verschrikkelijke spijt van.
‘Ik heb altijd dat beeld voor ogen toen ik oma voor het laatst heb gezien. Samen met opa, twee hoopjes ellende en het huisje vol met politie. En dan kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik daar überhaupt was. Hoe kon ik zo naïef zijn? Hoe kon ik toch geloven dat justitie de waarheid belangrijk vindt? Hoe kon ik geloven dat ze wel in zouden zien dat ze het verkeerd hadden? Hoe kon ik die twee oudjes aan zoiets blootstellen? Waarom wist ik het niet? Waarom had ik zoveel vertrouwen? Nooit zal ik die ogen van opa vergeten. Hij wist wat er gebeurde, hoor. Daarom heb ik het er zo moeilijk mee,’ schrijft Lucia haar nichtje.
Op dertien december dat jaar vielen vijf agenten het huis van haar grootouders binnen om Lucia aan te houden op verdenking van moord. ‘Dat was bij de konijnen af,’ zeggen betrokkenen. Een oom: ‘Lucia zorgde al weken voor haar opa, op een manier die respect afdwong. Hij had een hersenbloeding gehad, hij had afasie, en het ging erg slecht met hem. Die man heeft die hele toestand nog moeten meemaken. De brute manier waarop ze Lucia afvoerden. Opa stond midden in de gang, op weg naar de wc. En daarna werd het hele huis overhoop gehaald. En wat moest er gebeuren met opa’s medicijnen? Alleen Lucia wist welke hij wanneer moest hebben. Maar ik mocht haar niet bellen. En de beloofde hulp kwam niet. De thuiszorg durfde meteen na die politie-inval niet te komen,’ vertelt hij.
‘Ik heb mijn oma en opa eigenlijk altijd als mijn vader en moeder beschouwd,’ schrijft Lucia een vriendin. Intimi bevestigen de sterke band tussen Lucia en haar oma en opa. Mensen die haar feitelijk grootgebracht hebben; haar eigen ouders hadden weinig tijd voor haar en haar broertjes en zusje. ‘Haar oma was haar alles,’ zegt een goede vriend. Het gezin De B. woonde de eerste jaren in bij oma en opa. Geld voor een eigen woning was er niet. ‘Ze was erg gehecht aan oma en opa,’ weet een oom. ‘Later ging ze er ook langs om haar hart te luchten. Met haar oma kon je goed praten, over van alles. Als op haar werk een kind overleden was, was ze daar helemaal confuus van. Dan ging ze naar haar oma toe.’
‘Lucia vond het verschrikkelijk als er een kindje overleed,’ zegt een vriend. ‘Ze is zó gek op kinderen! Ze zou nooit een kind een spuitje geven, dat zou ze niet kunnen. Kinderen horen niet dood te gaan, vond ze.’ Lucia schrijft een vriendin: ‘Ik ben al gek op baby’s zolang ik me herinner. Ik smelt als ik een baby zie, ik zou zelfs mijn leven geven om een baby te redden. Dat klinkt zeer dramatisch, maar het is echt zo. Al vanaf zeer jonge leeftijd heb ik baby’s en kinderen om me heen. En die liefde voor kinderen is altijd gebleven. Nu moet je je eens voorstellen hoe ik met zo’n achterlijke beschuldiging van kindermoord moet omgaan? Kinderen doden? Baby’s? Ik??’
Ze schrijft: ‘Mijn leven was rozengeur en maneschijn en er hing maar één donkere wolk aan de hemel. De incidenten met de kindjes. Maar van alle kanten werd mij verzekerd dat dit van voorbijgaande aard zou zijn, dat dit normaal was, ik moest er gewoon mee om zien te gaan. Nou ja, we weten wat voor bullshit-advies dat was! Maar wist ik veel! Dit waren mensen die veel ervaring hadden, en ik ging ervan uit dat ze wisten waar ze het over hadden.’
Dat zal ze van haar leven niet meer doen, mensen op hun woord vertrouwen. ‘Het vertrouwen dat ze vroeger in mensen had, is omgeslagen in een algemeen wantrouwen,’ zegt iemand die haar regelmatig bezoekt. Eind vorig jaar schrijft Lucia een vriendin: ‘Wat voor iemand was ik? De grootste verandering heeft voornamelijk met mijn mensbeeld te maken. Ik vertrouw mensen niet zo makkelijk meer, mijn vertrouwen moet nu verdiend worden. Voorheen vertrouwde ik in principe iedereen tenzij ze bewezen dat ze niet te vertrouwen waren. En de boosheid is nieuw. Ik voelde me voorheen nooit zó boos, en zó lang. Maar aan mijn intrinsieke zelf, mijn kern, is nooit wat veranderd. Ik heb dezelfde normen en waarden, dezelfde principes.’ En daarom, schrijft ze, is het ‘zo vreemd, zo onwerkelijk om voor iets veroordeeld te zijn wat ik niet eens kan bevatten. Hoe kan iemand nou kleine kinderen en oude mensen vermoorden? Snap ik niks van, wil ik eigenlijk niet eens echt snappen, is me veel te vreemd.’
‘Ik ken haar meer dan vijfentwintig jaar en ik kan alleen maar goeie dingen over haar zeggen,’ zegt de vriend. ‘Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag, zat ze er dag en nacht. Nadat die was overleden, heeft ze ook mijn vader verzorgd. Dat is typisch Lucia. Ze stond altijd voor iedereen klaar.’
‘Ik weet van oma dat ze altijd een leuk poppetje aan haar verpleegstersuniform had hangen om de kinderen mee af te leiden als er iets vervelends moest gebeuren,’ zegt het nichtje. Lucia organiseerde een surprise-party voor haar dochter toen die zestien werd. Moeder en dochter konden – en kunnen – het goed met elkaar vinden. ‘Ze hadden het heel gezellig,’ zegt een insider. ‘Natuurlijk was er af en toe onenigheid, waar niet? Maar ze deden altijd leuke dingen samen, konden goed samen praten. Als haar dochter ergens mee zat, belde ze als eerste haar moeder, en niet een vriendin. Dat zullen de meeste meiden niet doen. Ze hebben nooit problemen gehad met elkaar.’
‘Ik vind haar een echte moeder,’ zegt een vriendin. ‘Ze denkt gauw aan en voor een ander. Dat merk je als je haar ziet. Ze let ook op haar medegevangenen. Maar ze is zeker geen engeltje. Ik kan me voorstellen dat ze in conflict kwam met mensen omdat ze wel haar mening geeft. Ook al is ze aardig, ze kan wel zeggen waar het op staat. Waarschijnlijk heeft ze sommige mensen wel eens op hun tenen getrapt.’
Wat de vriendin wel zuur vindt: ‘Dat haar grote betrokkenheid bij anderen haar nu wordt verweten.’ De vriend bevestigt dat: ‘Lucia had extra aandacht voor de patiënten. Ze was ook vrolijk. Dat zijn twee dingen die niet mogen in een ziekenhuis. Er is geen tijd voor de mensen, je geeft ze snel hun medicijnen, en lachen doe je al helemaal niet. Een enge wereld, vind ik.’
‘Ik ben het zat om mezelf te verdedigen tegen alle nonsens die over mijn psyche de ronde doen,’ schrijft Lucia begin dit jaar een vriendin. ‘Als je al die onzin bij elkaar zet, krijg je een karakter dat zo verknipt is dat het regelrecht uit Dantes Inferno zou kunnen komen.’
Aanvankelijk weigerde ze onderzoek door het Pieter Baan Centrum, later werd ze er toch negen weken geobserveerd. ‘De onderzoekers hebben me binnenstebuiten gekeerd! Ik had het gevoel alsof ze mijn schedeldak hebben gelicht, m’n hersenen eruit hadden gehaald en elke kronkel bekeken met een microscoop. Maar ja, het is in elk geval ergens goed voor geweest,’ schrijft ze haar nichtje begin 2003. ‘Ik ben gewoon toerekeningsvatbaar, volledig. Nu kan de officier me niet langer uitmaken voor psychopaat of ijskoude seriemoordenaar of iemand met het Moeder Teresa-syndroom.’ Ze verwacht dan ook dat ze vrijgesproken wordt. ‘Geen bewijs, geen ooggetuigen en geen motief. Ze kunnen me kwalijk levenslang voor niets geven! Het is jammer dat je er niet bij kunt zijn!’
Hoewel ze het gewroet in haar persoonlijkheid beu is, wil ze er toch wel wat over kwijt. ‘Wat kan ik over mijn psyche vertellen? Dat het domme gedrag van mensen me soms irriteert? Dat ik wel eens een kreng kan zijn? Dat ik wel eens toegeef aan een vooroordeel over iemand? Dat ik bazig kan zijn? Dat ik vaak m’n zin wil hebben? Ja, hoor. Maar ook: Dat ik makkelijk ben. Dat ik vriendelijk ben. Dat ik oneindig veel geduld heb met mensen. Dat ik mensen goed iets kan leren. Dat ik meevoelend ben,’ schrijft ze een vriendin. Die meevoelendheid neemt bijna bovenmenselijke proporties aan. ‘Gewonde dieren – vogels gaan direct naar de opvang, ik help padden met oversteken, kan gefascineerd een spin z’n web zien maken, ik red een regenworm van de regen en koop speciaal spul om een gewonde boom te verbinden,’ schrijft ze. Mensen om haar heen knikken eensgezind dat Lucia ook maar een mens is, met menselijke gebreken, maar ze zouden er niet één kunnen noemen. ‘Ze wilde altijd al dierenarts of verpleegster worden, en houdt van de natuur,’ mailt haar vader vanuit Canada. ‘Lucia is optimistisch van aard. Ze heeft haar nukken en onvolkomenheden, zoals iedereen, maar dat maakt ons menselijk.’
‘Als het leven je citroenen geeft, moet je citroenlimonade maken,’ schrijft Lucia haar nichtje. Er zit niks anders op. Mensen die haar bezoeken zeggen dat ze nog steeds hoop heeft. Ze is nerveus, en kan nauwelijks geloven dat volstrekte vreemden als Metta de Noo en twee van haar broers zich bekommeren om haar zaak en overtuigd zijn van haar onschuld.
Voorlopig krijgt het ‘actiecomité De Noo’ nog niet veel bijval. Oud-collega’s van De B. voelen er niets voor zich over de zaak uit te spreken. ‘Natuurlijk liep ze daar niet als een heks rond, dan hadden we het wel eerder in de gaten gehad,’ zegt iemand die liever niet geciteerd wil worden. ‘Wie weet wie ze nog meer heeft omgebracht. Ik zou nooit meer met haar willen werken, ook niet als ze wordt vrijgesproken. Bovendien vind ik het niet goed voor de nabestaanden als er een artikel over de zaak komt. Die hebben het al moeilijk genoeg. Het recht heeft gesproken, er is uitvoerig onderzoek naar geweest, het is wel goed zo.’
Een enkeling durft wel te zeggen dat het verhoor destijds erg sturend was. Een ex-bibliothecaris van een gevangenis, waar Lucia in het ziekenhuis werkte, bewaart slechte herinneringen aan het verhoor door een rechercheur. ‘Of het niet vreemd was dat een personeelslid van justitie juist een boek over seriemoorden mee naar huis nam, wilde hij weten. Daar moest ik erg om lachen, want er was een flinke wachtlijst voor het bewuste boek, juist onder het personeel. De rechercheur was zeer ontevreden met dit antwoord. Hij suggereerde dat het wel erg toevallig was dat juist dit boek bij de verdachte was aangetroffen. Bovendien moest ze het al heel lang in haar bezit hebben gehad, gezien de datum waarop het was afgestempeld. Ik zei hem dat die stempeldatum niets zei over het tijdstip van uitlening, aangezien de bibliotheek in die periode was overgegaan op een ander uitleensysteem waarbij niet meer werd gestempeld. Nu werd de rechercheur erg kribbig en vond dat ik de boot afhield en niet erg meewerkte,’ vertelt hij. Later zal in het politierapport staan dat Lucia boeken stal.
De ex-bibliothecaris hoorde van diverse mensen in het penitentiair ziekenhuis waar hij destijds werkte, dat van hun positieve getuigenverklaringen geen gebruik is gemaakt tijdens het proces. Een oud-collega vertelde hem dat zij had verklaard dat Lucia ‘een voorbeeldig verpleegster was, een voorbeeld voor de anderen. Zij was uiterst zorgvuldig in haar rapportages.’
Lucia’s nichtje heeft haar eigen les getrokken uit de affaire: ‘We zaten met onze oren te klapperen toen we het vonnis hoorden. Ik heb een vriendin die in een verpleeghuis werkt, en ze vertelt me wel eens dat ze ’s ochtends iemand dood vinden in bed. Dan zeg ik: Kijk maar uit! Wat Lucia is gebeurd, kan iedereen overkomen. Ze beginnen een onderzoek, je was toevallig in de buurt...’
Lucia zelf heeft alle geloof in het Nederlandse rechtssysteem verloren. Op een enkele uitzondering na deugt niemand, van bewaarder tot minister. ‘Er zijn nog wel integere mensen die voor justitie werken, maar ze zijn zeldzaam aan het worden,’ schrijft ze een vriend. In haar brief beschrijft ze dat de rechtszaal op zo’n manier is ingericht, dat verdachten zich wel geïntimideerd en veracht moeten voelen. ‘Aan de ene kant de publieke tribune. In hun ogen zie je de afschuw, de verrukking, de verwachting. Alsof er op elk moment een alien uit je borstkas kan springen. Aan de andere kant de rechters of raasdsheren met hun griffier. Ze keuren je geen blik waardig. Recht tegenover je de openbare aanklager, op dezelfde verhoging als de rechterlijke macht.’ De verdachte moet plaatsnemen op ‘een bankje zo oncomfortabel als mogelijk is, zelfs een simpele houten stoel verdient de voorkeur boven dit ergonomisch incorrecte wangedrocht. Je gaat zitten met zweet in je handen, bibberend vanbinnen, je hart bonkt zo hard dat je moeite moet doen een en ander te verstaan. Het blad van het lessenaartje is op kinhoogte wat, samen met de vijf paar ogen die vanaf de verhoging op je neerkijken, je het gevoel geeft heel klein te zijn. Als je niet schuldig bent, zorgt deze constructie er wel voor dat je je schuldig voelt.’
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




