VN MediagidsConnie Palmen verklaart zichzelf

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

19.06.1999

Door Connie Palmen

Wat was er zo provocatief aan I.M.? Dat de hoofdpersonages het in hun broek doen? Dat het een liefdesverhaal is waarin het mannelijk personage een hoerenloper is, vreemdgaat, liegt en bedriegt en het vrouwelijk personage huilt, kotst, ziek is van liefde? Dat de personages Nederlanders zijn met een zekere publieke status en zij in de roman dezelfde namen hebben als die waarmee ze ingeschreven staan bij de burgerlijke stand? Ik denk het niet.

Wat er provocerend is aan I.M. is dat er roman op de kaft staat.Het ligt in de aard van mijn werk om het ìn mijn werk óver het werk zelf te hebben. Dat zal ik toelichten, en dan kan ik u in een moeite door ook uitleggen waarom I.M. een roman is. Daarbij moet ik mijzelf in een wat benarde positie manoeuvreren. Enerzijds vind ik het bestempelen van een roman als autobiografisch vanuit literair-kritisch oogpunt niet zinvol, anderzijds wil ik aannemelijk maken waarom de zogenaamde autobiografische roman een bloei doormaakt in de tweede helft van de twintigste eeuw.

De gêne om buiten mijn romans om over mijn werk te spreken heeft, zoals alle schaamte, te maken met ijdelheid en het verbod dat ik vrees te overtreden is vervat in de wet van de reductie. Iedere lezing, interpretatie, uitleg en analyse van een werk is, behalve een toevoeging, tegelijkertijd een reductie. Ook als ik het zelf doe. Schaamte kan overwonnen worden door nederigheid en er is geen wet die er niet af en toe om smeekt geschonden te worden, vandaar dat ik me heb laten verleiden een keer een andere positie in te nemen tegenover mijn romans, die van lezer en interpretator. Maar dat u uw eigen lezing maakt is veel belangrijker voor mij, die mogelijkheid is een van de manieren waarop een literair werk zich onderscheidt van een autobiografie pur sang. Als genre belooft de autobiografie een waarheidsgetrouwe, eenduidige overeenkomst tussen de stof en het geschreven woord en degene die gehoorzaamt aan de wetten van dit genre gaat een verbond aan met de lezer de waarheid te vertellen over zijn eigen leven. Dat is namelijk zijn stof. Ik heb nog nooit een autobiografie geschreven.

Ik ben dit ook niet van plan.

Ik heb ook nog nooit een boek geschreven met als uitgangspunt iets over mijn eigen leven of over een deel van mijn leven uit de doeken te doen. Ik heb u nooit beloofd de waarheid neer te zullen schrijven en niets anders dan de waarheid. Integendeel. Het wordt nooit wat met de waarheid. Dat is een van de conclusies in Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates (1988). In dit essay is de schuldige voor dit drama van de waarheid een structurele eigenschap van de taal. De taal zou geen taal kunnen zijn wanneer ze eenduidig was, wanneer ze niet mis te verstaan was, wanneer ze alleen begrepen werd zoals het in de bedoeling van de spreker of schrijver lag. Dat geldt voor mijn eigen bedoelingen, hier en nu en altijd en dat geldt ook voor de bedoelingen van de schrijver van een autobiografie. De pogingen van de autobiograaf om de waarheid over zijn leven te vertellen zijn tot mislukken gedoemd. De intentie van de schrijver doet daar niks aan af, want je kunt, met de beste wil van de wereld, je eigen woorden niet behoeden voor het krijgen van betekenissen waar jij niet om gevraagd hebt.

Toch is de intentie van de schrijver wel degelijk van belang. Die intentie ligt vervat in de keuze van de schrijver voor een genre. Kiezen voor een genre is een gebaar van de schrijver jegens het publiek, het is het kenbaar maken van wat de lezer bij de keuze van het boek mag verwachten. Het is de wet van het genre van de autobiografie dat de lezer die vraag naar de herkomst van de stof wél mag stellen en dat die vraag er ook toe doet, en het is de wet van de roman dat deze vraag, zoals iedere vraag, weliswaar gesteld mag worden, maar dat hij er niet toe doet. De schrijver van een roman zegt tegen de lezer dat het hem niets aangaat van welke, waar gebeurde, verzonnen, gelogen of verdraaide feiten de fictie gemaakt is. Een romanschrijver schrijft niet naar de regels die hem opgelegd worden door zijn beleefde, lineaire werkelijkheid, door de feiten uit zijn eigen leven, maar hij schrijft naar de regels die hij zichzelf oplegt binnen een door hem vormgegeven raamwerk, binnen een abstracte structuur die hem de mogelijkheid biedt een patroon van verbintenissen te scheppen, thema's te verduidelijken en betekenis te geven aan de handelingen en dialogen van de personages. Dat is het verschil tussen een lot en een plot.Een lot hoort bij het leven en een plot hoort bij de roman. In de werkelijkheid ligt de betekenis niet voor het oprapen.

Het komt gelukkig nog regelmatig voor dat ik mensen ontmoet die mij niet kennen en mijn werk ook niet. Vaak zijn dat buitenlanders. Zulke ontmoetingen zijn frustrerend en verfrissend. In een gesprek met zo iemand kan zich het moment voordoen waarop deze vraagt waarover mijn werk eigenlijk gaat en waarop ik daar, tot mijn niet geringe verbazing en schande, ook nog eens antwoord op geef. 'Als u het mìj vraagt,' zeg ik dan, 'gaat mijn werk over het drama van de afhankelijkheid,' of, als ik duur wil doen, zeg ik dat het draait om die veronachtzaamde menselijke conditie van de afhankelijkheid. Tijdens het uitspreken van zo'n zin word ik bevangen door een lichte ontzetting, een mengeling van schaamte, spijt en wroeging, alsof ik een wreedheid bega jegens mijn eigen werk en het vermink door het te reduceren tot één karakteristieke eigenschap. Alsof dat kan. Zodra ik het eenmaal over die boeg heb gegooid kan ik over die vier romans een boom opzetten vanuit zo'n reductionistisch standpunt.

Dan veeg ik ze voor de duur van het gesprek op één hoop en vertel dat de personages in mijn boeken zich afhankelijk weten, de condities van die afhankelijkheid onderzoeken en vervolgens proberen te redden wat er te redden valt. Ik meen dat we afhankelijk zijn en dat een deel van die afhankelijkheid verbonden is met de taal. Hoewel ik niet geloof dat er helemaal aan te ontkomen valt, geloof ik wel dat er verweer mogelijk is, dat we tot op zekere hoogte onze mate van afhankelijkheid kunnen beïnvloeden. We kunnen meer of minder afhankelijk zijn.En om die mogelijkheid gaat het mij. In mijn boeken wordt de redding gevonden binnen een terrein waarop de afhankelijkheid voor het personage het minst kwellend en de verworven onafhankelijkheid het grootst is. De wetten, De vriendschap, I.M. en De erfenis zijn romans waarin een van de personages dat terrein verovert en dat terrein is dat van de taal. Het vertellen van een eigen verhaal of, wat een stap verder gaat, het schrijven van een eigen werk, is een talig verzet tegen het kluisterend karakter van de taal. De verworven autonomie is slechts beperkt, maar veel meer valt er volgens mij ook niet te halen.

Een verhaal kan een gevangenis zijn en de enige uitweg uit die gevangenis is een ander verhaal. De wetten is onder meer een boek over lezen. De ontmoetingen van Marie Deniet met de zeven mannen is tevens een gang langs zeven verschillende manieren waarop in de loop van de tijd vormgegeven is aan de verwoede pogingen kennis van onze eigen en van andermans persoonlijkheid te verwerven. En het beeld dat in De wetten opgeroepen wordt, is dat die constructie van ons zelf grotendeels via de verhalen van anderen verloopt. Ik heb er nooit last van gehad dat mijn romans ideeënromans genoemd worden. Het zijn inderdaad ideeën die voor mij het uitgangspunt vormen voor het schrijven van een roman, en niet mijn eigen leven. Dat de ideeën voortkomen uit dit leven dat ik leid is een andere zaak. Denken is nooit onpersoonlijk. Hoe abstract het ook kan worden, het denken begint als een poging om een persoonlijk probleem op te lossen. Maar hoe persoonlijk is een probleem? Problemen en zelfs bepaalde ziekten lijken ook onderworpen aan een gebod van de tijd, aan de wetten van een mode, aan verhalen.

Er wordt oprecht en ernstig geleden onder anorexia, boulimia, borderline en hyperventilatie en de kwellingen worden ongetwijfeld ervaren als particulier en hyperindividueel, maar ik geloof dat ook het lijden voorgeschreven kan worden. Glaswaan, hysterie, neurasthenie en melancholie, zijn ziekten die hoorden bij personages uit een andere tijd, waarin andere verhalen de ronde deden over aandoeningen die karakteristiek waren voor de gevoelige ziel. Ik geloof dat wij een grote invloed ondergaan van verhalen, filmbeelden, reclamespots, liedteksten, romans en zo meer, en ons, bewust of vaker nog onbewust, de karakteristieken toe-eigenen van personages waarmee we verwantschap voelen of op wie we zouden willen lijken. En om die vermeende invloed en afhankelijkheid gaat het mij. In mijn werk onderzoek ik de invloed van de verhalen, ideeën, concepten, van heersende modes, denkbeelden en genres, en ik wil tegelijkertijd een uitweg aanbieden, eens een ander verhaal vertellen dan het gangbare, eens wat morrelen aan de wetten van het genre en aan de wetten van het geslacht. Ik ben een vrouw en dat vind ik niet erg. Ik heb alleen geen zin klakkeloos te gehoorzamen aan alle wetten van dit fysieke genre of aan de wetten van dit personage. Ik kan tot op zekere hoogte zijn wat ik ervan maak. Wat ze in de literatuur en in de wetenschap een genre noemen, dat is eigenlijk het geslacht van een tekst. Ze schrijven daarmee voor hoe een tekst zich moet gedragen, alsof ze een lot en een lichaam zou hebben en zou moeten gehoorzamen aan onveranderlijke natuurwetten. Dat hoeft ze niet.

Genres kun je veranderen door eens andere teksten te schrijven. En om die mogelijkheid gaat het mij.

Naast een leerschool in de liefde, vormen de zeven ontmoetingen van Marie Deniet een tocht door de geschiedenis van de manieren waarop wij het karakter van onszelf en anderen lezen en duiden. In tegenstelling tot Marieken van Niemeghen maakt Marie Deniet geen kennis met de seven schone conste, maar met de zeven wetenschappen en pseudo-wetenschappen waarvan we in de twintigste eeuw gebruik maken om onszelf en anderen te lezen, te karakteriseren en te interpreteren. In de roman is dat eigene, waarnaar Marie Deniet zo naarstig op zoek is, voornamelijk een constructie van anderen en die constructie komt telkens op dezelfde wijze tot stand. Marie Deniet ontmoet een man en die man heeft een wetenschap, een filosofie of een andere vorm van kennis in pacht.

Aan die wetenschap ontleent hij wetten over hoe de wereld in elkaar steekt. En die wetten, hoe complex ze soms ook schijnen, zijn terug te voeren op een eenvoudig principe: verbindt de tegenstellingen en lees vanuit die verbintenis het karakter van een persoon af. De wetten is niet, zoals menige Bildungsroman, het verslag van een zegetocht, waarin een zeven jaar durende queeste van de held eindigt in het vinden de Heilige Graal, die dan zoiets is als de essentie van de persoonlijkheid, van een puur en authentiek Zelf. Daar ben ik te sceptisch voor. Zoek u zelf niet, want u bent het al, dunkt mij.De enige vraag die de moeite waard is, is hoe u er aan gekomen bent, waar u het zelf weer vandaan heeft. Aan het einde van de roman ontworstelt Deniet zich aan de verhalen van anderen over haar door middel van de monoloog. Ze grijpt zelf het woord en betreedt daarmee het terrein van het eigen verhaal, van de vragen, van de twijfel. Ze vraagt zich af hoe ze aan zo'n Zelf gekomen is. Ze vertelt een verhaal met een begin en een einde, geeft daarmee vorm aan wat een anekdote lijkt, maar ze realiseert zich tegelijkertijd dat ze ook dan afhankelijk blijft van de interpretatie van dat verhaal door de lezer.

Betekenis is maakwerk, zowel van de schrijver als van de lezer. In De wetten legt Marie Deniet de weg af van iemand die door anderen gelezen wordt en het lot van een personage passief ondergaat, naar iemand die aan de andere kant van het verhaal belandt, aan de kant van de actie, aan de kant van het eigen werk, aan de kant van het verweer. In De vriendschap probeert Kit Buts verantwoording af te leggen voor de studie die ze zal gaan schrijven, het boek waarin de vriendschap tussen haar en Ara Callenbach onderwerp van onderzoek zal zijn. Ze overtreedt daarmee het verbod van de vriendin om hun vriendschap te gebruiken als stof voor een boek. Maar ik kan jou niet beroven van iets wat jij niet bezit. Mìjn geschiedenis van ons behoort jou niet toe.

I.M. is een thematisering en radicalisering van dit standpunt. Wat ik tegen u zeg door I.M. een roman te noemen, is dat ik de eigenaar ben van de geschiedenis van Ischa Meijer en Connie Palmen, want die geschiedenis, die heb ik zelf gemaakt, die heb ik geschreven, dat is eigen werk. Een roman voorzien van het stempel 'autobiografisch' is misleidend, omdat het suggereert dat de roman aan zeggingskracht, betekenis en mogelijke interpretaties zou winnen wanneer de herkomst van de gebeurtenissen, handelingen en dialogen binnen de roman teruggevoerd worden op de stof buiten het boek, op de waarheid, op gebeurtenissen in de werkelijkheid van de schrijver. Bovendien suggereert de samenstelling dat het zou gaan om een vorm van bekentenisliteratuur. Daarbij meen ik dat de roman een van de manieren is om betekenis te maken. De traditie waarin ik me begeven heb is een, zowel filosofische als literaire traditie waarin de mogelijkheidsvoorwaarden voor betekenisgeving onderzocht worden. Hoe komen betekenissen tot stand? Waarom denken we over de liefde, de vriendschap, de dood zoals we er over denken en verdergaand nog, waarom beleven we de liefde zoals we de liefde beleven? Ik meen dat de werkelijkheid geen betekenissen levert zonder maakwerk. En dat maakwerk kun je onderzoeken.

Het onderzoek naar fictie is het onderwerp van mijn fictie.

Ik maak daarbij gebruik van een retorisch middel: de autobiografische stijl.

Die heeft als voornaamste kenmerk dat er een nauwe overeenkomst gesuggereerd wordt tussen de vertellende instantie en de schrijvende instantie en dat zowel de handeling van het vertellen als de handeling van het schrijven onderwerp zijn van beschouwingen. Ik maak dus van de vertellende instantie geen hoogbenige, donkerharige, Drentse analfabete die nog nooit een pen in haar hand heeft gehad. De autobiografische stijl zou je zelfreflexief kunnen noemen. Dan gaat het om een retorisch element van een roman waarbij de protagonist zich bewust is van de invloed die ze ondergaat van verhalen, romans, denkbeelden, gemeenplaatsen enzovoort en hoe ook dat wonderlijke ding dat we een zelf noemen voor een deel afhankelijk is van de taal van anderen.

Fictie die zich bedient van de autobiografische stijl maakt volgens mij in de tweede helft van de twintigste eeuw een bloei door omdat ze zich kenmerkt door zelfbespiegeling. Het is een vorm van literatuur die zich verhoudt tot een cultuur waarin de bekentenis in de verschillende media een dominante plaats inneemt. Ik denk daarbij aan sommige talkshows, aan programma's als All You Need Is Love, aan reality-televisie en aan verschijnselen als de openbare ondervraging van Clinton. De bekentenisretoriek van de andere media heeft dezelfde waarheidspretentie als de autobiografie, maar ze is non-introspectief, ze legt geen openlijke kennis aan de dag van het medium waarvan ze gebruik moet maken om haar bekentenis een waarheidspretentie te verlenen en ze toont zich niet bewust van haar eigen totstandkoming, van het maakwerk, van de fictie zal ik maar zeggen.

De wetten, De vriendschap, I.M. en De erfenis zijn allemaal geschreven in de zelfreflexieve stijl en in alle vier de boeken wordt het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid gethematiseerd. Het ik in mijn boeken is een zelfreflexief ik en het buigt zich onder meer over haar eigen totstandkoming. Van die totstandkoming wordt, expliciet of impliciet, beweerd dat het maakwerk is en dat het ik, ook het eigenhandig neergeschreven ik, behoort tot het terrein van de fictie. Daarmee is het nog geen verzinsel of een illusie of een droom. Ik besta, echt waar. De omschrijving van fictie als iets wat aan de werkelijkheid en de waarheid is tegengesteld deugt natuurlijk van geen kant. God, de liefde en zelfs de waarheid zelf zijn werkende ficties die ons leven, ons geluk, onze verhoudingen en ervaringen, dus onze werkelijkheid iedere minuut beïnvloeden.De werkelijkheid is vergeven van de fictie. Het ik van president Clinton, koningin Beatrix, van de acteurs in sommige talkshows is allang geen ik meer, het is de creatie van tekstschrijvers die aan de president, de koningin en aan de acteurs voorschrijven wat ze moeten zeggen als ze ik zeggen. De literatuur waarvan ik houd spiegelt zich aan de waarheidspretenties van andere media en ze wil zich daarvan onderscheiden door vraagtekens te zetten bij wat voor waarheid en voor echt moet doorgaan, door te tonen dat fictie en werkelijkheid niet langer scherp onderscheiden categorie‘n zijn. Naast de poëzie, de popsong en een handvol andersoortig proza, is de roman de enige kunstvorm waarin het unieke menselijke fenomeen van de zelfbespiegeling en de helse afzondering van het denken vormgegeven kan worden, want iedere ander kunst laat je buitenstaan, laat je ertegenaan kijken. Ik houd van literatuur die het hoofd ingaat en het denken laat zien. De vraag naar het autobiografische is een vraag naar de herkomst van de stof. Wat voor een roman I.M. nog meer moge zijn, het is ook een roman over de herkomst van de stof waarvan verhalen gemaakt worden. Het zal in uw oren wel paradoxaal klinken, maar I.M. is ouder dan I.M.

Ik geloof niet dat ik een liefdesgeschiedenis had kunnen schrijven zonder een voorafgaand en zelfs oud idee over hoe ik ooit een verhaal over de liefde zou schrijven, hoe een liefdesgeschiedens van mijn hand eruit zou zien. En het zou geen Romeo en Julia worden. Dat zit er bij mij domweg niet in. Het zou eerder een variant worden op Madame Bovary, maar dan liever met een iets minder domme madame, of ik zou me spiegelen aan de poëzie van de obsessie, zoals die in Lolita gezongen wordt, maar dan met het voorbijgaan aan het poëtische van dit proza, omdat ik wel monomaan, maar niet poëtisch ben. In Margine, het eerste deel van I.M., is geschreven in de marge van songteksten en chansons, van toespraken, tijdschriften, gebeden, culinaire gidsen, woordenboeken, clichés, van persoonlijke notities en brieven, van rekeningafschriften, telefoongesprekken, idiosyncrasieën, moppen, rouwadvertenties, grafredes en ansichtkaarten, van films, radio-interviews, televisietalkshows, televisieseries en televisienieuws, van foto's en van dromen, van plannen en erfenissen, van gedichten, autobiografieën en biografieën, van romans, van non-fictionele boeken en van journalistieke stukken. Maar In Margine is bovenal geschreven in de marge van het eigen werk van de personages, van De Dikke Man, Brief aan mijn moeder, Hoeren en het ongeschreven boek Ten tijde van mijn vader van Ischa Meijer en van De wetten, Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates en het toen nog ongeschreven boek De vriendschap van Palmen.Waarom is I.M. een roman? I.M. is een roman omdat ik het zeg.

Dat is inherent aan mijn definitie van het genre als de belofte van de schrijver aan de lezer. Ik heb u niet beloofd de waarheid te zullen vertellen en niets anders dan de waarheid. Het is niet de lineaire werkelijkheid die de regels oplegde aan I.M., maar een door mij bedacht raamwerk, een abstracte structuur waarvoor ik koos om aan een aantal ideeën vorm te kunnen geven. Die ideeën hebben betrekking op de liefde, het leven en de dood, op de stof waarvan verhalen gemaakt worden, op het vervaagde onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, tussen verslaggeving en literatuur, ze hebben betrekking op een oude en een nieuwe wereld, op een oud en een nieuw geloof en op het thema van de afwezigheid bij het leven, die andere dood, zo u wilt.

In Margine is geschreven in de kantlijn van passages, van teksten, beelden, verhalen, boeken en zo meer, omdat ze allemaal dezelfde eigenschap delen: ze stellen iets aanwezig wat afwezig is, een persoon, een maker of uitvoerder, een vervlogen tijd, kennis, ouders, God. I.M. is tevens een verhaal van andere passages, de rite de passage van een besloten naar een openbaar leven bijvoorbeeld en van de passage die het feit doormaakt voordat het fictie wordt, het is de passage door de nieuwe en de oude wereld, waarbij Amerika voor de een het leven betekent en bij de ander het verlangen opwekt te verdwijnen, en waarbij Europa voor de een de dood van een vorig leven vertegenwoordigt en waarin de ander werkt aan een boek waarvan hij bang is dat het zijn dood zal worden en I.M. gaat, onder meer, over die passage van het leven naar de dood.

En of het waar gebeurd is of niet, dat doet er niet toe. Ik wilde eigen werk maken van de liefde en van de dood. En ik wilde toveren, denk ik. Ik wilde van een onaangekondigde dood een aangekondigde dood maken. Ik wilde met liefde de dood leven inblazen en de dood daarmee transformeren van een zinloos lot in een plot met betekenis. Wiens werk zijn dood in werkelijkheid was, dat weet ik niet, maar ik wilde van de verschrikkelijke afwezigheid van Ischa weer een aanwezigheid maken.

Omdat dat kan. Omdat betekenis eigen werk is, fictie. Omdat datgene wat de werkelijkheid ons onthoudt wanneer ze ons opzadelt met haar gruwelijke wendingen, verweer oproept en wij dat verweer kunnen leveren door een transformatie, door een verhaal, door van het lot eigen werk te maken en dan wordt het een plot. Eigen werk, dat is de machteloze afhankelijkheid van de werkelijkheid omzetten in een werk dat in mindere mate afhankelijk is van de werkelijkheid; dat is van een betekenis- en vormloos lot een betekenisvol en vormgegeven plot maken; dat is iets maken wat er voorheen nog niet en nergens was en dat maken maakt minder afhankelijk. Het is niet veel, maar veel meer is er volgens mij ook niet. Het zal worden wat ik ervan maak, want als ik er zelf geen werk van maak dan is er het er niet. 'Wat ik zeg door I.M. een roman te noemen, is dat ik de eigenaar ben van de geschiedenis van Ischa Meijer en Connie Palmen, want die geschiedenis, die heb ik zelf gemaakt, die heb ik geschreven, dat is eigen werk. Ik wilde met liefde de dood transformeren van een zinloos lot in een plot met betekenis.'





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?