VN Mediagids‘Ze zeiden: hé homo, we slaan je totaal verrot’
Samenleving 15.01.2005
15-01-2005
Door Thijs Niemantsverdriet
Homoseksuele leraren hebben het de laatste jaren zwaar te verduren, met name op zwarte scholen. Het grootste probleem zijn niet de onverdraagzame leerlingen, maar de directies die hun kop in het zand steken: ‘Zelfs al wordt er “homo— in je auto gekrast, dan vragen ze nog: weet je zeker of het voor jou bedoeld is?’
In december 1999 besloot Boudewijn van Wijk dat het tijd was voor een nieuwe uitdaging. Twaalf jaar lang had hij met genoegen kookles gegeven op een praktijkschool in Hilversum. Maar een beetje verandering van omgeving kon geen kwaad, dacht hij. Hij viel met zijn neus in de boter: hij kon aan het werk in Amsterdam-West, wederom op een praktijkschool, wederom als kookleraar. Hij had een goed gesprek met de directeur en ging tweemaal kijken ter oriëntatie. Wat hij zag, beviel hem.
Precies een jaar later zat Van Wijk thuis. Opgebrand, afgetaaid, en van zins om nooit meer in het onderwijs terug te keren. De reden? Zijn homoseksualiteit. Of liever gezegd: de reacties daarop. Van Wijk: ‘Op mijn vorige school was het nooit een probleem geweest. Leerlingen vonden het vreemd, maar de school had een duidelijk beleid: niet schelden, geen schuttingtaal.’ Bij zijn nieuwe werkgever in Amsterdam-West was het op de derde dag al raak: ‘Ik liep door de aula en een jongen schreeuwde keihard “vieze, vuile homo!— Ik heb hem meegenomen naar de directeur, die beloofde er flink werk van te maken. Maar ondertussen ging het verhaal natuurlijk als een lopend vuurtje rond.’
Het was het begin van een lijdensweg. Van Wijk werd doorlopend uitgescholden en uitgelachen door de overwegend islamitische leerlingen. ‘Officieel moest er Nederlands gesproken worden in de klas. Maar ja, zo’n zin in het Arabisch is binnen twee tellen gezegd, dan merkte ik aan de reacties van de omzittenden dat het over mij ging. Mijn gezag werd volledig onder me weggetrokken.’ De schooldirecteur beloofde steun, maar in werkelijkheid liep hij met een grote boog om het probleem heen. Toen Van Wijk op een sportdag fysiek werd aangevallen door een leerlinge, bleven sancties uit. Uiteindelijk capituleerde hij. Een notoire etterbak had voor de zoveelste keer fijntjes bij Van Wijk geïnformeerd hoe het toch voelde om in de kont geneukt te worden en was door hem naar de directeur gestuurd. Twee uur later zag hij die leerling weer vrolijk door de school huppelen. De volgende dag meldde Van Wijk zich ziek.
Homoseksuele leraren hebben het in Nederland de afgelopen jaren zwaar te verduren. Waar openlijk homoseksuele docenten vroeger vooral koppige schooldirecteuren van gereformeerde snit tegenover zich vonden, wordt hen tegenwoordig het leven zuur gemaakt door onverdraagzame allochtone leerlingen. Ze worden uitgelachen, nagedaan, krijgen ‘ibne’ en ‘zemmel’ (Turks respectievelijk Marokkaans voor flikker) naar hun hoofd, leerlingen weigeren les van ze te hebben, hun spullen worden gestolen, hun auto’s bekrast.
Op categoriale gymnasia, waar de blanke Nederlandse middenklasse zijn kroost stalt, heeft een homo-leraar een relatief onbezorgd bestaan. Maar op vmbo’s en praktijkscholen, die onderdak bieden aan zestig procent van de Nederlandse schooljeugd, is de sfeer veelal grimmig. Het rapport Beter voor de klas, beter voor de school (2003) bevestigt deze tendens: homoseksuele leraren worden niet alleen gekweld door hun leerlingen, ook door hun collega’s voelen ze zich nauwelijks serieus genomen, laat staan gesteund. Minstens een kwart van de docenten houdt zijn geaardheid geheim. Ze hebben over het algemeen een slechtere gezondheid dan hun straighte beroepsgenoten: zo slikken ze aanmerkelijk meer slaap- en kalmeringsmiddelen.
Bij de Onderwijsinspectie is de alarmbel afgegaan: anderhalf jaar geleden publiceerden ze een brochure met de stichtelijke titel ‘Iedereen is anders’. Bij de presentatie gaf minister van Onderwijs Van der Hoeven ruimhartig toe dat de situatie beroerd is en riep op tot ‘kordaat optreden van schoolleiders.’
Een ietwat obligate eis, maar wel de spijker op de kop: het probleem vormt niet zozeer het etterige gedrag van leerlingen alswel de bangige opstelling van directeuren. ‘Schoolleidingen willen alleen iets ondernemen als leerlingen in het geding zijn,’ zegt Erwin Kunnen, voorzitter van de werkgroep Homoseksualiteit en Onderwijs van de Algemene Onderwijsbond (AOb). ‘Het doel van een fietsenfabriek, zo redeneren ze, is toch om goede fietsen af te leveren, en meer niet?’ Voor alle mogelijke kwaad bestaat op Nederlandse scholen een beleid: pesten, discriminatie, seksuele intimidatie. Maar een protocol voor homoseksualiteit heeft maar vijf procent van de middelbare scholen. Erwin Kunnen: ‘Zelfs al wordt er “homo" in je auto gekrast, dan vragen ze nog: weet je zeker of het specifiek voor jou bedoeld is?’
Siep de Haan, wiskundeleraar aan het Bonifatiuscollege in Utrecht, is het daar hartgrondig mee eens. Volgens De Haan, behalve docent ook jaarlijks organisator van de Gay Pride in Amsterdam, steken schooldirecties hun kop in het zand als het op homoseksualiteit aankomt: ‘Het is vergelijkbaar met het besluit van sommige scholen om maar niets meer te vertellen over de holocaust, omdat dat te gevoelig zou liggen bij allochtone leerlingen.’ Maar niet alleen de directeuren zijn schuldig aan het droeve lot van de homoleraar, vindt De Haan. Ook overheid en belangengroepen laten het spectaculair afweten. Zo nu en dan wat gepruttel van de onderwijsinspectie, rapporten vol met onderzoekersjargon als ‘expert meeting’ en ‘quick scan van de beleving’ – het gaat hem allemaal niet ver genoeg. ‘Er gebeurt in feite niets. Het COC en de Schorerstichting zijn allebei veel te academisch. Die homowerkgroep van de AOb is een soort excuusclub – je komt er altijd dezelfde mensen tegen. Politici en beleidsmakers roepen om het hardst dat ze discriminatie willen tegengaan en schaffen vervolgens alle subsidies aan homo-organisaties af.’ De benarde situatie van homoseksuele docenten is volgens De Haan een symptoom van een afnemende acceptatie van homo’s: ‘Toen ik halverwege de jaren tachtig begon met lesgeven, was het modern om een homo uit te nodigen op je verjaardagsfeestje. Inmiddels zijn we op de weg terug. We lijken in Nederland tolerant met zijn allen vanwege het homohuwelijk, maar dat is schijn.’
Geen wonder dat er nauwelijk homo-docenten zijn die met hun verhaal in de openbaarheid treden. ‘Ja, ik ben een van de weinigen,’ verzucht Peter van Maaren in zijn Amsterdamse benedenwoning. Hij gaf vijftien jaar les op een ROC in de buurt van Amsterdam en tekende zijn ervaringen op in een bijzonder openhartig boekje getiteld Mijn meester is een homo. Van Maaren neemt zijn overwegend allochtone leerlingen niets kwalijk, ook al heeft hij in de dertien jaar dat hij voor de klas stond spotternij, dreigementen en zelfs geweld moeten verduren. Nee, het was de schoolleiding die het op zijn geweten heeft dat hij uiteindelijk knakte. ‘Ze waren zó ontzettend bang om allochtone leerlingen voor het hoofd te stoten!’ zegt Van Maaren. ‘Van leidinggevenden kreeg je telkens weer te horen: wees voorzichtig met leerlingen, voorkom problemen met ouders, doe niets dat rumoer veroorzaakt. Ze schaften bijvoorbeeld de viering van Sinterklaas af, want daar zouden allochtone leerlingen aanstoot aan nemen. In plaats daarvan werd het Suikerfeest gevierd, maar alleen met de Turken.’ Keer op keer werd hem gemaand niet te koop te lopen met zijn homoseksualiteit. Van Maaren: ‘De term “ermee te koop lopen— vind ik alleen al een vorm van zelfonderdrukking! Het lukte mij gewoon nooit om een zin te formuleren waaruit niet bleek of mijn partner een hij of een zij was.’
Een rookgordijn optrekken rondom zijn geaardheid kon Van Maaren dan ook niet. Integendeel, hij ontwikkelde zich tot een fanatiek voorlichter. In Mijn meester is een homo beschrijft Van Maaren verlekkerd zijn eerste sessie met een twintigtal zeventienjarige leerling-metselaars: ‘Ik kwam de klas binnen met mijn leren motorjack. Ik deed het uit en ging op tafel zitten. “Jongens,— zei ik, “ik kom voorlichting geven over homoseksualiteit.— “Hé homo, je hebt wel lef om hier alleen te komen. Als je de school verlaat, staan we buiten op je te wachten. Dan slaan we je totaal verrot.— “Als je het maar goed hard doet,— zei ik, “dat heb ik het liefst.—’
Humor en eerlijkheid, dat waren Van Maarens wapens tegenover het ruige volk dat hij verdraagzaamheid en begrip voor de homoseksuele medemens probeerde bij te brengen. Bij andere gelegenheden maakte hij gebruik van beeldspraak: hij vertelde een klas met Turkse leerlingen dat hetero’s ‘door de deur naar binnen gaan’ en homo’s ‘door het raam’. Maar het gebrek aan steun van bovenaf werd Van Maaren uiteindelijk te veel: vijf jaar geleden kreeg hij een kolossale burn-out, waarna hij voor honderd procent werd afgekeurd. ‘Het meest pijn deed het,’ zegt Van Maaren, ‘dat ik al die tijd geen enkele beterschapskaart heb gekregen van mijn leerlingen. Naderhand bleek dat de docenten hen hadden verboden contact met mij op te nemen.’ Tegenwoordig verdeelt Van Maaren zijn tijd tussen slapen, voorlichting geven namens het COC en het onderhoud van zijn indrukwekkende verzameling kerstattributen.
Openlijk homo-zijn voor de klas is in Nederland tegenwoordig riskant. Maar moeten alle nichten en potten in het onderwijs dan weer gedwee de kast in? Veel docenten zien ontkenning van hun geaardheid niet als een optie. Voor Boudewijn van Wijk was het van het begin af aan een uitgemaakte zaak: ‘Het hangt gewoon aan mijn lijf, mensen zien het op meters afstand. Ik vind dat ik voor honderd procent mag zijn zoals ik ben.’
Anderen proberen hun seksuele voorkeur Spartaans voor zich te houden. Dirk Duivenstein is van huis uit onderwijzer. Op de gereformeerde basisschool in Zwolle waar hij lesgaf zaagden directie en bijbelvaste ouders gebroederlijk aan zijn stoelpoten. Hij belandde in de ziektewet. Een jaar thuiszitten en een verhelderende Gestalt-therapie verder kon Duivenstein aan de slag als docent op het ROC Landstede. ‘Nederlands taalonderwijs geven aan ama’s (alleenstaande minderjarige asielzoekers – TN)’, zegt hij. ‘Heel leuk, jongelui uit China, Afrika en Afghanistan onderwijzen die nog nooit naar school waren geweest. Die jongeren hebben niemand en al helemaal geen ouders die vervelend kunnen gaan doen.’
Desondanks vertelde hij op het Landstede nimmer over zijn homoseksualiteit. Duivenstein: ‘Ik wilde geen problemen. Die mensen leven nu eenmaal in een andere wereld. Er waren behoorlijk strenge moslims onder mijn leerlingen.’ Wél probeerde hij het onderwerp homoseksualiteit in zijn lessen bespreekbaar te maken: ‘Maar de impuls om mijn leerlingen te vertellen dat ik zelf homo was heb ik altijd ingehouden. Als ze er een rechtstreekse vraag over stelden, gaf ik er een draai aan. Of ik een vrouw had? Ik heb een stel vrienden, zei ik dan, jullie toch ook?’
Paul Meijer, docent Engels te Arnhem, houdt er een vergelijkbaar idee op na. ‘Als iedereen aan het begin van het jaar al weet: hé, die Meijer is een homo, dan is het meteen zó beladen,’ zegt hij. ‘Als ze het daarentegen pas halverwege het jaar horen, dan zou de reactie zijn: o, maar daar staat een heel normale vent. Ik voel me gevleid als iemand verbaasd is dat ik homo ben.’ In zijn appartement in de Arnhemse binnenstad vertelt Meijer zijn geschiedenis als homodocent op drie middelbare scholen.
Op zijn eerste school, een rouwdouw-lts in Hilversum (‘een beetje het vuilnisvat van het onderwijs’), hield hij zich begrijpelijkerwijs gedeisd over zijn homoseksualiteit. Maar ook bij zijn tweede werkgever, de Wethouder Bronkhorstschool voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen in Arnhem, verzweeg hij zijn voorkeur voor de herenliefde. Een leugentje om bestwil was geen probleem: ‘Leerlingen hadden me een keer met mijn zus in de stad gezien. Is dat je vriendin? vroegen ze. Dat heb ik toen maar zo gelaten.’
Drie jaar geleden trad er een ‘jonge, vlotte directeur’ aan. Meijer haastte zich naar diens kantoor en verklaarde dat hij opener over zijn homoseksualiteit wilde zijn. Na een hoop geneuzel over het format waarbinnen zijn nieuwverworven openhartigheid zou moeten geschieden, stemde de school met Meijers voorstel in. Sindsdien wist een aantal klassen van zijn homo-zijn. Dat ging goed, een enkele raddraaier die hem in getto-stijl voor ‘butty boy’ uitmaakte daargelaten. Totdat een Turkse jongen – een moeilijk geval, ‘typisch ADHD’ – vorig jaar ineens rondbazuinde dat Meijer hem had aangerand. ‘Ik zou hem tegen de muur gedrukt hebben en met mijn onderlijf tegen hem hebben staan aanrijden. Nou, toen stortte mijn wereld in elkaar. Ik heb er drie maanden slecht van geslapen.’ Meijer overkwam hetzelfde als veel van zijn homoseksuele collega’s: de schoolleiding schaarde zich niet onvoorwaardelijk achter hem, en mededogen van collega’s hoefde hij ook niet te rekenen.
Aan het eind van het jaar werd hem verzocht zich ‘vrijwillig mobiel’ op te stellen. Speelde de kwestie met de Turkse jongen daarbij een rol? Wellicht, zegt Meijer. Op geen enkele wijze, zegt Erick Loermans, de jonge, vlotte directeur van de Wethouder Bronkhorstschool. Meijers vertrek had slechts te maken met ‘formatieve verschillen binnen het bestuur’, ofwel: het aantal leerlingen nam af, dus moesten er leerkrachten weg. Loermans begrijpt dat Meijer zich danig in de steek gelaten voelde. Toch is hij helder over zijn eigen positie: ‘Waarheidsvinding is niet aan mij. Als directeur ga ik niet op de stoel van de rechter zitten.’ Persoonlijk, zegt Loermans, had hij geen enkele reden om te twijfelen aan Meijers integriteit. Maar: ‘Beide partijen hebben een belang, en ik sta daar onafhankelijk tegenover. Dat is je rol als manager.’
Aan een specifieke homo-aanpak doet Loermans niet. Sterker nog, het is van essentieel belang dat er géén onderscheid gemaakt wordt met andere vormen van discriminatie: ‘Ik formuleer toch ook geen heterobeleid? Het is verkeerd om homo’s als minderheid te zien. Dan ligt het gevaar voor stigmatisering altijd op de loer.’ Loermans praat liever in termen van respect, al sinds jaar en dag hét uitgangspunt van zijn school. Lang voordat Jan Peter Balkenende normen en waarden in het vaandel hees, werd het de leerlingen van de Wethouder Bronkhorstschool al ingepeperd. Loermans: ‘In de aula hebben we een groot kunstwerk hangen, gemaakt door leerlingen. Daar staan alle R’en in die voor onze school belangrijk zijn: Ruimte, Regelmaat, Respect.’
Gelukkig zijn ze er nog in Nederland: de vrijplaatsen waar homoseksuele docenten absoluut niets te duchten hebben, noch van leerlingen die bloed ruiken, noch van benauwde directies. ‘Ik ervaar mijn school als een waar homoparadijs,’ zegt Yvonne Verschragen. ‘Dat gemiddelde van tien procent halen we in het docentenkorps met gemak. Twee vrouwelijke leraren zijn met elkaar getrouwd, en twee conrectoren zijn openlijk homo, dus ook binnen de schoolleiding zijn we goed vertegenwoordigd.’ Sinds 1986 werkt Verschragen – paarse bril, paarse trui, paarse haarlok – op het Segbroek College in Den Haag, een brede scholengemeenschap van gemengde populatie. Eerst als gymnastieklerares (‘ik ben geboren als gymjuf’), en sinds de invoering van de basisvorming als docent verzorging en als leerlingenbegeleidster.
In het eerste jaar op het Segbroek deelde Verschragen – die zichzelf beurtelings als een ‘bijdehand’, ‘stoer’ en ‘tof wijf’ omschrijft – haar leerlingen niet onmiddellijk mee dat ze van de vrouwenliefde was. ‘Ik had besloten dat ik geen geouwehoer wilde. Ik wilde gewoon Yvonne Verschragen de gymjuf zijn, niet “die pot—. Eerst een sfeertje bouwen voordat ik meteen die reputatie kreeg.’ Lang hield Verschragen haar zwijgzaamheid niet vol. ‘Vrij snel vertelde een meisje me dat de hele school liep te lullen dat ik pot was. Geen idee waar dat vandaan kwam, maar ineens was het zo. Toen heb ik besloten: als ze het vragen, dan zeg ik gewoon dat ik lesbisch ben. Want als je bevestigt noch ontkent, blijven ze roddelen.’
Waar het genoeglijke homoklimaat bij haar op school vandaan komt, weet Verschragen ook niet. Zoals op verreweg de meeste middelbare scholen wordt er voornamelijk ad hoc gereageerd. Misschien heeft het er iets mee te maken dat Verschragen zich als lesbische lerares niet in een hokje wil laten stoppen: ze mag van de schoolleiding onbegrensd en openhartig voorlichting geven. Verschragen: ‘In de les besteed ik twee maanden per jaar een uur in de week aandacht aan seks. Je wilt niet weten hoeveel “gadvers— ik hoor als ik een tekenfilm, let wel: tekenfilm, laat zien waarin mensen van hetzelfde geslacht met elkaar vrijen. Maar dan leg ik uit dat geen enkele vorm van seks vies is, als twee mensen er maar vrijwillig voor gekozen hebben. Of het nou pijn-is-fijn-seks, plas- en poepseks of homoseks is.’
Toch koestert Verschragen geen overspannen verwachtingen van haar emancipatorische inspanningen. ‘Ik ben ervan overtuigd dat je sommige leerlingen nooit zult bereiken. Net als bij alcohol- en drugsvoorlichting, daar verlies je onderweg ook altijd mensen. Ik kan er niet voor instaan dat een van mijn leerlingen niet af en toe meedoet met een partijtje potenrammen.’ En dat Verschragens pupillen haar homoseksualiteit accepteren, wil niet zeggen dat ze dat automatisch ook doen bij collega’s die minder stevig in hun schoenen staan. ‘Laatst ging er bij een jongere collega een anti-homorap rond in de klas. Daar stonden echt vreselijke dingen in: dat ze doodgeschoten moeten worden en van de daken gegooid.’
Ook Verschragens missiedrang kent grenzen. Een paar jaar geleden vroeg een collega-decaan van een andere school of ze wilde komen solliciteren. Een prachtkans, maar wel op een aanmerkelijk zwartere school dan het Segbroek College. Verschragen: ‘Ik zat te wachten tot ik naar binnen moest voor het sollicitatiegesprek en ik zag al die hoofddoekjes voorbijkomen. Hoewel ik tijdens het gesprek zeker wist dat ze me wilden hebben, dacht ik na afloop: Jezus Christus, ik ga als lesbo die het niet onder stoelen of banken steekt niet op een school werken met zoveel moslimleerlingen. Dit voelt niet goed.’ Dan liever het comfort van haar vermeende homoparadijs: ‘Ik kies ervoor om mijn kruistocht lekker op het Segbroek College te houden.’
Inmiddels werkt Paul Meijer op een andere school in Arnhem, naar volle tevredenheid. Maar de affaire met de Turkse jongen heeft hem gesterkt in zijn opvatting dat homodocenten zich enigszins gedeisd moeten houden. ‘Het gaat in het onderwijs mis bij de mensen die zich stereotiep gedragen. Hoe harder je schreeuwt dat je homo bent, des te minder je geaccepteerd wordt. Je maakt er een issue van door het iedereen zo door de strot te duwen.’ Geëxalteerde vertoningen als de Gay Pride zijn er volgens Meijer schuldig aan dat veel Nederlanders een verwrongen beeld hebben van homo’s. De druktemakers verpesten het feestje voor de deugdzame homo. Meijer: ‘Ik wil gewoon niet de dupe zijn van een stel relnichten, zodat heel Nederland denkt dat ik ook in een roze tutu rondloop.’
Aan Dirk Duivensteins verbeten zwijgzaamheid kwam onlangs een onverwacht einde. Door de daling van het aantal asielzoekers werd hij binnen het Landstede overgeplaatst naar Mode en Handel, afdeling Uiterlijke Verzorging. Hij voelde zich er meteen als een vis in het water. Duivenstein: ‘In het begin zei ik wederom niets over mijn homoseksualiteit. Maar in de eerste week kwam mijn mentorgroep collectief naar me toe. Meneer, zeiden ze, wij denken dat u homo bent. Ja, dat klopt, zei ik. Het werd een leuk gesprek.’
Boudewijn van Wijk keerde na drie jaar thuiszitten terug op zijn oude praktijkschool in Hilversum. Niet als kookleraar, maar als docent facilitaire dienstverlening. Van Wijk: ‘Ik leer de kinderen ramen zemen, boodschappen doen, of met een automatische mop- en dweilmachine omgaan, zodat ze na school in de professionele schoonmaakbranche terecht kunnen.’ Hij is blij om na de ontberingen in Amsterdam-West terug te zijn op een vertrouwde plek. Maar ook in Hilversum is de verdraagzaamheid voor homoseksualiteit op de terugtocht. ‘De ziel is uit mijn werk. De onbevangenheid tegenover mijn leerlingen ben ik helemaal kwijt. Het voelt alsof ik iedere dag een gewapende strijd aan moet gaan.’
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




