VN MediagidsWayne Shorter: Gevaarlijk spel

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

muziek 21.06.2007

Door Rudie Kagie

Afbeelding bij Wayne Shorter: Gevaarlijk spel

23 juni 2007
Door Rudie Kagie

Symphonie meets chaos. Het kwartet van jazzlegende Wayne Shorter speelt deze week, onder auspiciën van het Holland Festival, met het orkest van het Koninklijk Concertgebouw. De orkestleden hebben nog geen idee wat het wordt. Shorter garandeert risico.

Waarschijnlijk is hij gewoon afkomstig van een andere planeet of zo. Dat zou meteen verklaren waarom de saxofonist verzot is op verhalen over ufo’s, marsmannetjes en kosmische vibraties. Of waarom hij soms een beetje raar praat. Over interplanetaire dimensies die hij in syncopen beluistert of dat een bepaalde solo best een scheutje water kan gebruiken, maar dan wel schóón water. Pianist en collega Herbie Hancock twijfelde ooit of hij een gek of een genie tegenover zich had. Uiteindelijk koos Hancock voor de tweede mogelijkheid, ongetwijfeld mede met het oog op een soepele samenwerking in de toekomst.

Ach, Wayne is Wayne, maar toch blijkt hij bij nader inzien minder ondoorgrondelijk dan het lijkt. Je moet er alleen rekening mee houden dat hij zich uitdrukt in een soms wat cryptisch idioom dat raakvlakken vertoont met de logica die zijn composities en improvisaties kenmerkt. Rechttoe rechtaan was hem altijd te gemakkelijk.

Zijn zwak voor uiteenzettingen vatbaar voor meer dan één uitleg leverde hem op de middelbare school al de bijnaam Mister Weird op. Als zijn vrienden elkaar aanstootten omdat er een verdraaid lekkere meid voorbij kwam, voelde Wayne zich geïnspireerd om een wiskundig exposé te houden over de afstand tussen de zon en de maan in verhouding tot de kloof tussen mens en dier. Inmiddels is hij de pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd, maar hij gaat nog steeds prat op zijn constante gevecht met het versleten cliché.

De musicus die in 1953 op zijn zesentwintigste debuteerde als rietblazende belofte van de hardbop, mengt deze week, bijna vierenzeventig jaar oud, onder auspiciën van het Holland Festival de klankkleur van zijn eigen kwartet met die van het orkest van het Koninklijk Concertgebouw. Er gaat een opmerkelijk waagstuk in première. De saxofonist beproefde in zijn werkzame leven vrijwel alle denkbare varianten op het breukvlak tussen jazz, rock, fusion en pop, maar de symfonische cultuur ging tot dusver aan hem voorbij. Zijn eerste optreden in die richting kan nog leuk worden.

Geen repetitieschema
Op het programma staan stukken van Duke Ellington, Wayne Shorter zelf, de Duitse componist Moritz Eggert en de Amsterdamse jazzpianist en toondichter Guus Janssen, die voor de gelegenheid Dutch Mambo schreef. Persoonlijk ligt Janssen niet wakker van de ongedirigeerde chaos, maar hij heeft zich laten vertellen dat sommige musici van het Concertgebouworkest hem knijpen: ‘Er is geen repetitieschema of niks. Ik denk dat Shorter de partituur straks op de lessenaar zet en begint te spelen. Hij reageert niet op het verzoek om te overleggen. Dat is nogal jazz-achtig, maar strijkers houden daar niet van. Die markeren de partijen die ze moeten spelen graag met streepjes en denken er met zijn allen over na hoe ze zo’n stuk gaan aanpakken. Daar is in dit geval nauwelijks tijd voor.’

Shorter maakte in de eerste helft van de jaren zestig deel uit van het allerbeste kwintet dat Miles Davis in zijn lange loopbaan bij elkaar bracht. Creatiever en hechter dan toen zou zijn muziek nooit meer klinken. Met de reputatie die pianist Herbie Hancock, drummer Tony Williams, bassist Ron Carter en Wayne Shorter in die periode vergaarden, konden ze de rest van hun leven vooruit. ‘Wayne cirkelde altijd, hoog boven ons, in zijn eigen vliegtuig rond zijn eigen planeet. De rest van de band liep gewoon hier beneden op aarde,’ vertelde Miles Davis aan zijn biograaf. De trompettist beschouwde zichzelf als de man die leiding gaf aan vier uiteenlopende talenten: Tony was het vuur, Ron en Herbie de ankers en Wayne de onvermoeibare bedenker van muzikale ideeën. Zijn vernieuwingsdrift van toen – credo: ‘Don’t show me what I’ve already heard before’ – maakt het nog steeds onmogelijk om op het resultaat van een halve eeuw muzikaal doorzettingsvermogen een eenduidig kwaliteitsoordeel te plakken.

Het is ieders goed recht om niet van de muziek van Wayne Shorter te houden, maar in dit geval prikkelt die mening tot even dóórvragen. Want over wélke Wayne Shorter hebben we het? De saxofonist deed voor het eerst van zich spreken als lid van de razend populaire Jazz Messengers, de formatie van drummer Art Blakey die hij tal van succesnummers bezorgde. Trompettist Lee Morgan zat bij die groep, totdat hij al spelend op het podium zou bezwijken aan de kogel die een jaloerse minnares hem door het lijf joeg. Met de fenomenale Morgan had Shorter altijd goed overweg gekund. Om de een of andere reden vinden Shorter-composities baat bij een dominante inbreng van de trompet. Voor de band van Blakey schreef hij onder meer de tijdloze ballade ‘Lester Left Town’, die vooral frappeert vanwege de vitale solopartijen die voor het koper zijn weggelegd.

Geen wonder dat Wayne Shorter het na vijf jaar en vijfentwintig platen bij Art Blakey voor gezien hield en overstapte naar de band van Miles Davis. Daar lonkte het avontuur dat hij in de veilige formatie van de behoudzuchtige slagwerker steeds meer was gaan missen. Daar kwam bij dat Miles een vacature had voor een saxofonist omdat John Coltrane verderging met een eigen groep.

Minimum aan emotie
De opvolger zou het nog knap lastig krijgen om zich te ontworstelen aan de schaduw van de grote Coltrane. Diens positie in de jazz was zo overheersend dat hij vrijwel elke saxofonist van zijn generatie beïnvloedde (of tijdelijk het zwijgen oplegde, zoals bij Sonny Rollins, die zich ‘om na te denken’ enkele jaren terugtrok uit het openbare leven). Hoewel het als een compliment was bedoeld, stoorde het Shorter toch als de kritiek hem weer eens tot ‘een kloon van John Coltrane’ uitriep. Uit balorigheid ging hij zo cool mogelijk spelen, met een minimum aan emotie. Na verloop van tijd werd hij The Sphinx genoemd, een bijnaam die hem wél beviel. Miles Davis was blij dat hij na enig zoeken de saxofonist had gevonden die feilloos aansloot bij de muziek die hij nastreefde.

Wayne Shorter was de derde saxofonist die het mocht komen proberen. Het vakmanschap van George Coleman had getuigd van een onberispelijke techniek, maar diens brave spel vermocht de aandacht niet lang vast te houden. Hij werd ingewisseld tegen Sam Rivers, een grote geest die tot op de dag van vandaag tot de helden van de avant garde wordt gerekend, maar diens vrije improvisaties contrasteerden met de gestructureerde aanpak die Davis voor ogen stond. Shorters kandidatuur was een schot in de roos omdat, naar Miles Davis achteraf in zijn memoires meldde, hij ‘vrij’ speelt met respect voor de traditie. ‘Daarom vond ik hem perfect voor waar ik met mijn muziek heen wilde. Het was de manier waarop hij op de tel schreef, een echte componist. (…) Met de komst van Wayne kwam er in de band ook een nieuwe opvatting over het werken met regels. Als die regels niet voldeden, dan hield hij zich er niet aan, maar dan wel uit een muzikaal gevoel. Hij begreep dat vrijheid in muziek het vermogen is de regels te kennen om ze vervolgens naar je eigen tevredenheid en smaak om te buigen.’

Okselfrisse heren
De jaren zestig brachten de verbeelding aan de macht, maar het aanbreken van het ludieke tijdperk viel samen met een tanende populariteit van de jazz, die het als genre moest afleggen toen de popmuziek in opmars was. Het Miles Davis Quintet in de herziene bezetting was in 1964 van start gegaan als vijf okselfrisse heren in scherp gesneden kostuums, maar het duurde niet lang of de kapsels, de kleding en de muzikale interactie getuigden van een wufte tijdgeest die lak aan conventies had. Als componist én als solist zong Wayne Shorter zichzelf steeds verder los van knellende schema’s en patronen, daarbij aangemoedigd door de trompettist die het heilige vuur graag mocht oppoken. Voor het Blue Note-label nam Shorter vanaf 1964 platen op onder eigen naam (elf albums in zeven jaar), maar op Adam’s Apple bijvoorbeeld klonk zijn interpretatie van de blues Footprints aanzienlijk bedeesder dan in de versie waar het Miles Davis Quintet de studio mee verliet.

Terwijl de jazz onder aanvoering van Coltrane haar amusementswaarde verloor en als abstracte kunstvorm in aanzien steeg, zocht Davis de vernieuwing in de hoek van de popmuziek. Hij koesterde een mateloze bewondering voor gitarist Jimi Hendrix. Ook nam hij de jongens van zijn band mee naar een concert van James Brown in het beroemde Apollo-theater in Harlem, New York. Niet zozeer vanwege de aldaar ten gehore gebrachte muziek, maar vooral vanwege het ‘gevoel’ en de ‘sfeer’ die hij wilde transporteren naar zijn nieuwe jazz. De speurtocht resulteerde in Bitches Brew, een dubbel-lp uit 1968 waarmee Miles Davis de mogelijkheden van de elektronische fusionjazz exploreerde met een gretigheid die een deel van zijn verstokte aanhang deed afhaken, maar die tegelijkertijd een nieuw, jong publiek naar zijn muziek trok. Deze mijlpaal werd ook het einde van het Miles Davis Quintet, al zou Wayne Shorter na het uiteenvallen van de groep de leider nog twee jaar trouw ter zijde staan. Daarbij verruilde hij de tenorsax steeds vaker voor de sopraansaxofoon, een instrument dat met minder moeite boven de elektronica uitkomt.

In 1970 nam Shorter definitief afscheid van Miles Davis. Zijn nieuwe geluid zocht en vond hij bij Weather Report, een onderneming die was ontsproten aan de van oorsprong Oostenrijkse toetsenist Joe Zawinul. Bassist Miroslav Vitous was aanvankelijk ook van de partij, maar zou vervangen worden door de legendarische basgitarist Jaco Pastorius.

Opzichtig kabaal
Vijf jaar had Wayne Shorter in de band van Art Blakey gespeeld, gevolgd door vijf jaar in de groep van Miles Davis. Maar bij Weather Report hield hij het wel vijftien jaar uit, voor Shorter dus meer dan een voetnoot bij zijn carrière. Toch zijn uitgerekend deze tropenjaren de periode die jazzliefhebbers het liefst onder het tapijt vegen. In een even lang als bewonderend artikel waarin de Amerikaanse jazzpublicist Kevin Whitehead vijf jaar geleden Wayne Shorter in de Volkskrant portretteerde, volstaan over Weather Report welgeteld acht venijnige regels: ‘leeg en onbenullig’, ‘opzichtig kabaal’, ‘gedomineerd door Zawinuls overgrote ego’, ‘smakeloze platen met synthesizers’.

Natuurlijk mag Whitehead dat vinden, maar als pianist Michiel Borstlap dat met hem eens was, zou hij tien jaar geleden geen bewerkingen van Weather Report-stukken op de plaat hebben gezet. ‘Het is hard, hoog en ver. Technisch uitermate knap,’ vindt Borstlap. ‘Weather Report heeft een stuk of vijftien albums gemaakt. Ik durf te beweren dat daar de mooiste hoogtepunten uit de geschiedenis van de jazz op staan.’ Vanaf 1976 liet Shorter bovendien horen dat hij behalve het explosieve geluidsamalgaam van Weather Report de akoestische variant nog steeds onverminderd in de vingers had. De band VSOP was een incidentele voortzetting van het Miles Davis Quintet, waarbij de plaats van de trompettist werd ingenomen door Freddie Hubbard.

Zacht gespeelde, ingetogen jazz wordt al gauw vereenzelvigd met intelligente muziek. Komt er elektronica aan te pas, dan wordt het resultaat verketterd als ‘smakeloos’ en ‘onbenullig’. Niettemin klinken subtiel vertolkte arrangementen soms uiterst banaal terwijl elektronisch versterkte klanken de aanwezigheid van enorme verstandelijke vermogens doen vermoeden. De kunst is vooroordelen te laten varen en onbevangen te luisteren, legt Borstlap voor de laatste keer uit. ‘In de jazz, vooral in de ouwelullenjazz, draait alles om muzikale wetten en akkoorden. Maar werkelijk grote componisten, zoals Bach en Ellington, schreven vanuit de melodie. Daar is Wayne Shorter een koning in. Melodisch behoort hij tot de allerbesten, ook in zijn tijd bij Weather Report.’

Legende
Zijn naam stond in kleine letters op platenhoezen van artiesten als Carlinhos Brown, Joni Mitchell of Steely Dan. De saxofonist zou nooit zo bekend worden als de velen met wie hij speelde, maar wie lang genoeg doorgaat in de jazz groeit bij het klimmen der jaren vanzelf uit tot een legende. Nu Wayne Shorter die status onderhand heeft bereikt, stapelen de bijbehorende blijken van waardering zich automatisch op. Vijf jaar geleden figureerde hij als ‘artist in residence’ op het North Sea Jazz festival dat hem met de Edison Award eerde. De prijzenkast zal deze week aangevuld worden met de Concertgebouw Jazz Award.

Eigenlijk ontbreekt alleen nog een kloeke cd-box die een overzicht geeft van Shorters oeuvre. Liefhebbers moeten genoegen nemen met de compilatie Footprints, een dubbel-cd die Columbia uitbracht naar aanleiding van het verschijnen van de gelijknamige biografie die journaliste Michelle Mercer over Wayne Shorter schreef. Dat zij er in slaagde om het relaas van de saxofonist om te zetten in een coherent exposé mag een prestatie heten, want interviews met de maestro zijn gewoonlijk doordrenkt met wanhoop van de interviewer. ‘Zijn zinnen zijn vaak net zo mysterieus en buitenaards als zijn composities. Goed doordachte woorden druppelen onregelmatig maar gestaag uit zijn mond,’ noteerde het Algemeen Dagblad in 1988. Zeven jaar later noemde Het Parool hem spottend ‘meneer Van Vaaghuizen’: ‘Zijn bloedserieuze karakter maakt hem niet bepaald tot een vlotte gesprekspartner. Hij uit zich in trage, moeizaam geconstrueerde zinnen, onderbroken door veel pauzes en veel uuumms en aahs.’

In 2003 ondernam een andere Parool-journalist een nieuwe poging: ‘In zijn Amsterdamse hotelkamer heeft Wayne Shorter een reisaltaar ingericht. De vraag waar die stenen en kralen voor dienen, had beter niet kunnen worden gesteld. Het gevolg is een zo’n twintig minuten durende monoloog over het boeddhisme, waar met de beste wil van de wereld geen touw aan vast te knopen valt.’ Een ondervrager van de glossy Jazz informeerde in 2003 beleefdheidshalve of Shorter zojuist in Nederland was gearriveerd. Antwoord: ‘Dat is een interessant gegeven. Iedere taal heeft zo zijn eigen maniertjes en kenmerken om formaliteiten uit te drukken. Maar het hier en nu – of ik in een vliegtuig zit of in een kleedkamer of hotel – is volstrekt onbelangrijk. Het leidt alleen maar af en leert ons niets over het enige wezenlijke: de eeuwigheid.’

Patserig
Verbazingwekkend was het duo-concert dat Shorter en Herbie Hancock tijdens het North Sea in 2003 gaven. Het resultaat droeg meer het karakter van steriele kamermuziek dan van onversneden jazz – en zo was het ook bedoeld, legde de saxofonist uit in het Jazz-interview. ‘Herbie en ik keken door de gordijnen naar de zaal en het bleek zo’n patserig auditorium. Het is zo’n zaal waarvoor je extra moet betalen. Je ziet de mannen met stropdas al zitten tijdens het concert: opgeprikt, en met een vrouw naast zich die niet van jazz houdt. Ik heb er in ieder geval voor gezorgd dat ze elkaar niet zouden aanstoten met zo’n veelbetekenend knikje, zo van: goed hè, die Wayne Shorter.’

In de biografie Footprints is te lezen wat Shorter ertoe had bewogen om met Hancock duetten te gaan spelen. Beider levens bevonden zich op een keerpunt, in het geval van Shorter omdat kort tevoren zijn vrouw en een zeventienjarig nichtje bij een vliegtuigongeluk om het leven waren gekomen. Tijd voor contemplatie. De akoestische reünie met Hancock leverde in 1997 het album 1+1 op, een feest der herkenning voor de liefhebbers van weleer en het begin van hernieuwde samenwerking van de twee veteranen. Een van de stukken op de cd was ‘Memory of Enchantment’, de compositie waarmee Michiel Borstlap in Washington internationaal de aandacht op zich vestigde toen hij de Thelonious Monk Award verwierf. Borstlap vervloekt het feit dat hij deze week beroepshalve door Italië toert; veel liever zou hij in het Concertgebouw getuige zijn geweest van het evenement rond middelpunt Shorter.

Wat hij zo in de saxofonist waardeert, zegt Borstlap, is diens durf om risico’s te nemen. Dat houdt het spannend. Sterren van het formaat van Wayne Shorter of Herbie Hancock zouden moeiteloos elk concert een acht kunnen scoren, maar de veilige middelmaat levert zelden interessante muziek op. Rusteloos blijven ze op zoek naar muziek die nog moet worden uitgevonden. Dat levert uitschieters naar boven op, maar het is niet uitgesloten dat de prestaties zakken tot beneden het niveau waar het duo mee vereenzelvigd wordt.

Tien jaar geleden, kort na het uitkomen van de cd met de vertolking van zijn winnende thema, woonde Borstlap in Berlijn een ‘rampzalig concert’ van het tweetal bij. ‘Het was echt vreselijk. Toen ik na afloop in de kleedkamer kwam, zaten ze alletwee sip voor zich uit te kijken. Wayne keek me aan en zei: “You see, it’s a very long way…” Dat vond ik mooi. Een halfjaar later hoorde ik Wayne en Herbie samen in Los Angeles spelen. Ongelooflijk, wát een verschil met Berlijn. Ineens klopte alles. Dit concert straalde niets meer uit van: luister eens, wat we nú weer hebben bedacht. Berlijn was een mager zeventje geweest, Los Angeles werd een dikke negen. Kijk, dat is ook een manier om gemiddeld een acht te scoren. In de muziek is het zoals het gaat in het leven. Om te kunnen genieten van je triomfen, moet je ook af en toe verliezen.’







  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?