VN MediagidsUruzgan: ‘We zitten daar goed’
Afghanistan 06.01.2007
Het werd verkocht als een wederopbouwmissie. Nederlandse militairen zouden de handen uit de mouwen gaan steken in Uruzgan. Nu mag de ‘embedded’ pers mee naar de stad Chora om de eerste resultaten te zien. Maar het thuisfront moet geen wonderen verwachten. ‘We kunnen de provincie niet in twee jaar omvormen tot het Noord-Brabant van Afghanistan.’
Bij een lange colonne militaire voertuigen verzamelen zich zwaarbewapende militairen, een diplomaat van Buitenlandse Zaken, een medewerkster van de Amerikaanse hulporganisatie USAID en luitenant-kolonel Gerard Koot. Hij is de baas van het Provincial Reconstruction Team (PRT) in Uruzgan. Iedereen heeft een scherfvest om en een helm op zijn hoofd. Doel van de reis: het gouverneursgebouw, vijf kilometer verderop in Tarin Kowt. Een dag eerder hebben de Taliban een Afghaanse politieman door zijn nek geschoten. Ze zijn er vervolgens met zijn auto vandoor gegaan. ‘Dit voertuig zal waarschijnlijk voor een zelfmoordaanslag worden gebruikt, dus uiterste voorzichtigheid is geboden,’ zegt de officier die de briefing doet. Ook zijn vlak bij Tarin Kowt twee Afghaanse vertalers die samenwerkten met de Amerikaanse Special Forces omgekomen bij een bomaanslag.
We rijden niet over de verharde weg, maar nemen een afslag over hobbelige achterafstraatjes om mogelijke bommenleggers te slim af te zijn. Vanuit de Nyala (een Zuid-Afrikaanse pantserwagen met een kanon op het dak) is te zien hoe de winkeltjes van de bazaar een verfbeurt hebben gekregen, onderdeel van de actie Clean Up Tarin Kowt, waarmee de Nederlanders zijn begonnen. Het stadje was toen de missie begon totaal vervuild. Je stond tot je enkels in de stront, kadavers lagen in de straten. Inmiddels zijn zestig vuilnismannen aan het werk, betaald door de Nederlanders.
Neutrale buitenstaander
Gouverneur Maulavi Abdul Hakim Munib zetelt in een eenvoudig wit gebouw, omzoomd door een tuin. Op het terrein zitten ook Amerikanen die zich bezighouden met de bestrijding van de papaverteelt. De tweeëndertigjarige Munib is opgeleid in een Pakistaanse madrassa (koranschool) en kent de Koran uit zijn hoofd. Hij was jarenlang betrokken bij de Taliban en was onderminister voor tribale en grenszaken. Hij doorliep een verzoeningsprogramma, maar staat nog steeds op de VN-lijst van gezochte personen. Toch werken de Nederlanders met Munib samen. Ze zien hem als neutrale buitenstaander, omdat hij niet uit Uruzgan komt maar uit de provincie Paktia. Munib is voor zover bekend niet betrokken bij drugshandel zoals zijn voorganger, de wrede Jan Mohammed. Munib behoort tot de Ghilzai-stam, net als veel Taliban, en is in staat stamoudsten over te halen te kiezen voor de Afghaanse regering.
De begroeting tussen Koot en Munib is hartelijk. Terwijl Nederlandse militairen posities innemen, praten de twee mannen in de ochtendzon via een tolk over de aanslag op de politieman. Die ligt op dat moment nog in het militaire ziekenhuis op de basis, maar zal later aan zijn verwondingen sterven. Munib is bedroefd over het verlies. Koot: ‘Zulke aanslagen zijn moeilijk te voorkomen.’
Dan gaat het naar de ‘ontvangstkamer’. Neo-rococco-stoelen met gele skai bekleding staan op een tapijt met grote rode bloemen. Munib en de andere Afghanen doen hun instapschoenen uit, de militairen mogen hun woestijnschoenen aanhouden. Munib informeert naar de voortgang bij het installeren van elektriciteit in Tarin Kowt. ‘Daar wordt aan gewerkt,’ zegt een officier uit het gevolg van Koot.
Na vijf minuten staat iedereen weer op en gaan ze de trap op naar de grote vergaderzaal. Om de tafel zitten zestien mannen die nog het meest weg hebben van bijbelse figuren, met lange baarden en tulbanden. Munib zit aan het hoofd van de tafel, door het raam achter hem is de vallei van de rivier de Dorufshan te zien, een vruchtbare strook land in een verder woestijnachtig gebied met bergen.
In de vergadering zit geen enkele lijn. Het ene moment gaat het over de bestrijding van de opiumteelt, dan over de aanleg van een park (met gescheiden delen voor mannen en vrouwen), de bouw van huizen voor vluchtelingen en dan over de overstroming van de rivier. Beslissingen worden niet genomen. Na een halfuur besluit Munib dat de vergadering ten einde is. Koot en Munib trekken zich terug in een kamertje. De rest van het gezelschap blijft rond de tafel napraten. Tussen de mannen zit één Afghaanse vrouw, Frista, belast met vrouwenzaken. Een opvallende verschijning in een wit gewaad. Ze is dik en op haar neus staat een dure zonnebril. Het meest opvallend is dat ze geen burka draagt maar een naar achter vallende sluier. De zevenentwintigjarige luitenant Gwenda (achternamen van lagere officieren worden om veiligheidsreden niet genoemd) is net begonnen aan haar vier maanden Uruzgan. De Limburgse is voor de eerste keer bij de wekelijks vergadering en probeert met Frista in gesprek te komen. Bij gebrek aan een tolk (die zit bij Munib en Koot) wil de conversatie niet vlotten. Uiteindelijk worden telefoonnummers uitgewisseld via een Afghaan die een paar woorden Engels spreekt. ‘We maken snel een afspraak,’ zegt Gwenda. En dan loopt Frista in de richting van de trap, haalt een burka uit haar tas en verdwijnt. ‘De Amerikanen hebben haar veel geld gegeven,’ zegt Gwenda. ‘Maar ze organiseert alleen een naaiclubje. De noden van de vrouwen in Uruzgan zijn volgens mij groter dan dat. De Amerikanen hebben nooit gecontroleerd wat ze met het geld heeft gedaan. Ze vonden het wel best, zo’n moderne vrouw in het conservatieve Uruzgan. Nu wil ze geld voor nieuwe stoffen, die ze volgens mij in de bazaar verkoopt.’
Koot vertelt later dat hij achter gesloten deuren met Munib heeft doorgepraat over de bestrijding van de papaverteelt. Munib had tijdens de vergadering in vijf minuten drie oplossingen aangedragen, volgens Koot niet echt realistisch. ‘Zomaar alles vernietigen kan natuurlijk niet. Er moeten alternatieven komen. Het is ingewikkelde materie, Munib heeft niet echt een plan. Ik wilde hem niet voor het front van de troepen afvallen daarom zijn we apart in een kamertje gaan zitten. Hij wil dat wij een plan voor hem maken, maar dat doen we niet. We gaan wel met hem meedenken.’
Volgens Koot lopen er in Uruzgan weinig mensen rond die bestuurlijk capabel zijn. De provinciale minister van Onderwijs kan bijvoorbeeld nauwelijks lezen of schrijven. ‘De vergadering had de diepgang van een surfplank. En Munib heeft moeite met leiding geven,’ zegt Koot.
Olievlekmodel
Overste Koot behoort tot de tweede groep Nederlandse militairen in Uruzgan, de eerste groep is net ‘uitgeroteerd’, defensie-speak voor ‘terug naar huis’. Kamp Holland is grotendeels af. Het ligt in een grote vallei, omgeven door bergen. Als het regent is het een modderpoel, als het droog is een grote stofbende. De militairen van andere Navo-landen slapen in tenten, maar Nederland wil elk risico uitsluiten en kocht peperdure gepantserde slaapcontainers. De mannen draaien zich nu nog een keertje om als midden in de nacht het alarm voor inkomend vuur klinkt.
Het Nederlandse leger werkt als enige Navo-land consequent volgens het zogenaamde olievlekmodel. Eerst voet aan de grond krijgen op één plek en dan langzaam naar buiten werken. Koot gelooft in dat model, maar waarschuwt het thuisfront om geen wonderen te verwachten. ‘Uruzgan is zelfs voor Afghaanse begrippen een achtergebleven gebied. We kunnen de provincie niet in twee jaar omvormen tot het Noord-Brabant van Afghanistan.’
Onder de Pasthu-stammen in Zuid-Afghanistan hebben de Taliban hun sterktste aanhang, maar niet alle Pashtu’s zijn Taliban. Voor buitenstaanders is het een bijna onontwarbare kluwen van clans en sub-clans. Maar zonder begrip van hoe de stammen in elkaar zitten is het onmogelijk in Uruzgan iets voor elkaar te krijgen.
De twee hoofdstammen zijn de Durrani en de Ghilzai. Uit de laatste groep komen veel Taliban voort, waaronder de eenogige leider Mullah Omar (als boerenzoon geboren in de buurt van Tarin Kowt). Ook gouverneur Munib is een Ghilzai. Hij was verbonden met de Taliban, maar werkt nu samen met de Afghaanse regering.
De Durrani zijn onderverdeeld in onder andere de Barakzai, de Achakzai en de Popolzai. President Hamid Karzai en de voormalige gouverneur van Uruzgan Jan Mohammed behoren beiden tot de Popolzai. Al deze groepen liggen met elkaar overhoop, en zijn ook onderling verdeeld.
Op zijn computer toont Koot een kaart waarop is aangegeven waar de verschillende stammen wonen. En dan blijkt dat de Ghilzai in het Dorufshan-dal zitten, waar de Taliban heel sterk is. Tarin Kowt heeft een gemengde bevolking. Ten noorden van het dal – in het stadje Chora – wonen Popolzai, Barakzai en Achakzai, van wie veel leden zich altijd tegen de Taliban hebben verzet. Daar stonden de mensen dan ook open voor de komst van de Nederlanders. En het is ook daar, op de grens van Ghilzai en Popolzai/Barakzai/Achakzai, dat het de afgelopen tijd tot incidenten kwam.
De Nederlanders spelen een ragfijn spel om de verschillende stammen bij elkaar te brengen. Hiervoor is door het ministerie van Buitenlandse Zaken zelfs een speciale ‘tribal adviser’ ingehuurd, die op Kamp Holland woont en de militairen bijstaat bij het ontwarren van de ingewikkelde conflicten. De man – hij praat niet met de pers – werkt al sinds 1989 in Pakistan en Afghanistan, spreekt behoorlijk Pashtu en kent alles en iedereen in Afghanistan.
Bij een gepantserde container staan vier Afghaanse tolken te wachten tot ze kunnen telefoneren. Jongens van een jaar of twintig, met spijkerbroeken en zonnebrillen op het voorhoofd. Ze zaten nog op de middelbare school toen de Taliban in 2001 werden verslagen. Ze spreken perfect Engels en verdienen met hun vertaalwerk zeshonderd dollar per maand. Ze gaan mee met wederopbouwmissies, vechtoperaties of vertalen gesprekken met stamoudsten. Alle vier werken ze liever met de Nederlanders dan met de Amerikanen, die nog steeds actief zijn in Uruzgan. ‘De Amerikaanse Special Forces zijn grof. Ze roepen de hele tijd fuck this en fuck that,’ zegt er een. Een ander vertelt dat hij eens besloot het veelvuldige gebruik van fuck, shit en motherfucker letterlijk te vertalen. ‘De mensen waren geschokt en werden boos op me. Hoe kon ik zulke grove taal gebruiken. Wij Afghanen zijn veel voorzichtiger in ons woordgebruik.’
Niet alleen de tolken zijn kritisch over het Amerikaanse optreden. Aan het begin van mijn reis sprak ik in het Holland House (muziek van André Hazes en Marco Borsato, alcoholvrij bier, oranje ballonnen en pingpongtafels) in Kaboel drie officieren die op weg terug waren naar Nederland.
Majoor Frans de Vries was verantwoordelijk geweest voor de PRT-activiteiten in Chora. Hij noemde de verhouding met de Amerikanen ‘moeizaam’. De Vries: ‘De Amerikanen denken alleen maar aan het opruimen van de Taliban. En ze zijn vrij absoluut in hun denken. De Ghilzai-stam staat volgens hen gelijk aan de Taliban. Nou, dat ligt veel genuanceerder.’ Volgens De Vries stellen Amerikanen zich tegenover de Uruzgani’s hooghartig op. Ze zeggen dingen als ‘wij weten wat goed voor jullie is’ en ‘jullie moeten doen wat wij zeggen’. De Vries: ‘Zo deden ze ook tegen ons. Ik had er niets mee.’
Ook majoor Auke Krakau de Jong, die verantwoordelijk was voor de PRT in Tarin Kowt had bedenkingen bij de Amerikaanse aanpak. ‘Ze bouwden wel scholen, maar deden niets aan de follow-up. Ze deden ook alles zelf, en betrokken de lokale bevolking nauwelijks bij de wederopbouw. Dus werden die scholen steeds in brand gestoken.’ Robin van der Zwan, PRT-majoor van het kleinere Nederlandse kamp in Deh Rawod. ‘Wij vinden het niet leuk dat er Special Forces in Tarin Kowt en Deh Rawod zitten. Ze grijpen heel snel naar het luchtwapen en dat brengt veel nevenschade met zich mee.’
Krakau de Jong: ‘We snappen er niets van.’
Van der Zwan: ‘Je moet mensen ervan overtuigen dat er een andere keuze is en dat lukt niet op deze manier.’
Van der Zwan: ‘De Amerikanen hebben schijt aan iedereen.’
De Vries: ‘Laat de Amerikanen in godsnaam weggaan uit Uruzgan. Laat het een Nederlands feestje zijn.’
Geen enkel risico
Ritmeester Richard Betten is de opvolger van De Vries. Hij zit op de bijrijdersplaats van een Bushmaster, een pantserwagen van Australische makelij. Naast hem zit chauffeur Bram. Achter het machinegeweer staat sergeant-majoor Jaap, die jarig is en al zes buitenlandse missies achter de rug heeft. Achterin staan de luitenanten Paul en Gwenda, zij was eerder ook aanwezig bij de vergadering met Munib. Doel van de reis is Chora, het districtscentrum aan de andere kant van de Dorufshan-vallei, waar De Vries al vanaf september bezig is met het opzetten van wederopbouwprojecten.
De inzittenden van de pantserwagen hebben koptelefoons op en een microfoontje voor hun mond, zodat ze met elkaar kunnen praten. Voor de gezelligheid heeft chauffeur Bram zijn MP-3-speler aangesloten op het systeem zodat op de achtergrond Rod Stewart klinkt.
Terwijl we over onverharde wegen hobbelen, kletsen de militairen erop los. De mooiste meiden van het kamp worden doorgenomen (Gwenda doet gezellig mee), maar ook een concert van Robbie Williams, en het wel en wee van Patty Brard. Als er een paar Afghaanse politiemensen passeren, gehuld in door de Amerikanen geleverde uniformen, zegt iemand: ‘Die mannen glimmen als een hondelul in de manenschijn.’
Er is een pantserauto mee met experts die bermbommen onschadelijk kunnen maken en een wagen vol afluisterapparatuur waarmee het radioverkeer van de Taliban wordt gevolgd. In vijf open wagens rijden zwaarbewapende militairen mee die moeten zorgen voor de veiligheid. Andere Navo-landen sturen bij dit soort missies veel minder militairen mee ter bescherming, waardoor zij meer buiten de poort kunnen doen. Maar opnieuw neemt Nederland geen enkel risico.
Het konvooi rijdt langs akkers en amandelboomgaarden, de takken hebben hun blad verloren. De lemen boerenhuizen zijn aan het zicht onttrokken door hoge muren, zodat de vrouwen zonder sluier op de binnenplaats kunnen leven en werken. Langs de weg staan mannen en kinderen die zwaaien en roepen. ‘Blijven zwaaien,’ zegt Richard. ‘Ik voel me net Sinterklaas’, roept Gwenda.
Na een halfuur buigt een deel van het konvooi af naar OP 1431, een heuvel aan de ingang van de Dorufshan-vallei. In de verte is de strategisch gelegen uitkijkpost te zien die de genietroepen in sneltreinvaart hebben gebouwd. OP 1431 heet in de wandelgangen ‘Poentjak’, een weinig fijnzinnige verwijzing naar de eerste buitenpost die de Irenebrigade in 1946 betrok tijdens de onafhankelijksoorlog van de Indonesiërs.
Hier kwam het de afgelopen weken geregeld tot incidenten. De Taliban vuurden mortieren en Rocket Propelled Granades (RPG’s) af. Een explosief kwam binnen de omheining terecht waardoor een tent in brand vloog. Bij toeval zat er niemand in. De Lucky Dutch, zoals de Nederlanders door de Navo-bondgenoten worden genoemd, kwamen weer eens goed weg. De stemming onder de infanteristen die Poentjak bemannen varieert van heldhaftig (‘laat de Taliban maar komen’) tot twijfelend (‘wanneer valt de eerste dode’). De leiding van Kamp Holland is vast besloten Poentjak ondanks de aanvallen te handhaven. ‘De Taliban hebben last van ons. We gaan niet weg, wij zitten daar goed,’ zegt luitenant-kolonel Koot.
Loos alarm
Als we Chora naderen, horen de militairen in de voorste verkenningsvoertuigen geweerschoten. Iedereen staat stil. Wordt er gevochten in het stadje? Het blijkt loos alarm, politiemensen die hun wapens testen. We rijden verder door een lieflijk, groen landschap. Tussen de bomen scharrelen ganzen.
Chora werd in juni nog aangevallen door de Taliban, die het een paar dagen bezet hielden. Ze staken de middelbare school in brand en vernielden alles wat los en vast zat in Het Witte Huis, het districtskantoor dat de Amerikanen hebben gebouwd. Met Nederlandse steun is het gebouw weer hersteld en van een nieuw verfje voorzien.
Op de binnenplaats worden de militairen verwelkomd door Afghaanse politieagenten die zo high zijn van de marihuana dat ze niet meer recht uit hun ogen kunnen kijken. Een van de mannen streelt de gladde kin van een negentienjarige soldaat die nog nooit buiten Europa is geweest. ‘Wat ben jij een mooie jongen,’ zegt de politieman. ‘Wat heb je een gladde huid.’
Op de binnenplaats tref ik de twintigjarige Mohammed Wali, ook totaal stoned, die behoort tot de Barakzai-stam. Hij heeft een zwarte tulband om zijn hoofd, een wijde broek en zwarte, rubberen instapschoenen. Aanvankelijk stonden de inwoners van Chora niet te trappelen om als politieman aan het werk te gaan. Ze waren bang door de Taliban vermoord te worden. Maar sinds het Nederlandse leger een paar keer te hulp schoot toen politieposten werden aangevallen is het vertrouwen in de buitenlanders gestegen en heeft ook Wali zich als vrijwilliger gemeld. Trots laat hij zien dat hij kan schrijven. Met knoestige vinger schrijft hij een paar zinnen in mijn kladblok. ‘De Taliban zitten daar achter de bergen,’ zegt Wali. ‘Waarom gaan we er niet op af? Schiet maar een paar lichtkogels, dan zullen wij ze pakken.’ Zijn broer ging in de jaren negentig naar Pakistan en belandde in een madrassa. Hij zit sindsdien bij de Taliban. Maar Wali moet niets van die scherpslijpers hebben. ‘Dan mag je geen marihuana meer roken. En moet je een lange baard laten staan en mag je niet meer naar muziek luisteren.’ De Amerikanen, de Nederlanders, hij vindt ze allemaal even goed. ‘Ik wil de Taliban vermoorden.’ En zijn broer? Wali, stoned en overmoedig: ‘Ja, mijn broer ook.’
De avond valt en het wordt koud. Op het dak van Het Witte Huis hebben soldaten wachtposten gemaakt van zandzakken waarachter mitrailleurs zijn opgesteld. Met nachtkijkers speuren ze de omgeving af. Wie niet op wacht staat maakt een MRE open, een Meal Ready to Eat: een volledige maaltijd die zonder vuur verwarmd kan worden. Een beetje water bij een zakje chemicaliën en het wordt kokend heet. Het is nog lekker ook.
Tijdens het eten worden de laatste ontwikkelingen doorgenomen. Bij een recent treffen met de Taliban in de Dorufshan-vallei zijn dertig doden gevallen, onder wie twee mullahs. Sindsdien is het rustig in Chora. Dorpelingen van de Ghilzai-stam hebben contact opgenomen met districtschef Faroek. ‘Een goed teken,’ zegt ritmeester Richard. Dankzij een recent ingericht checkpoint kunnen leden van de Durrani-stam die in de dorpen Awi-hoog en Awi-laag wonen zonder problemen over de weg naar Chora komen, dwars door Ghilzai-gebied.
Bedtijd. Terwijl de Afghaanse politiemannen in een kamer stoned rond de houtkachel liggen, ritsen de militairen in de ijskoude kantoor- annex slaapvertrekken hun extra dikke slaapzakken dicht. Zo nu en dan loopt iemand met een zaklamp voorbij om de wacht af te lossen op het dak of bij de radio.
Rust in Chora
Haji Dad Mohammed is de burgemeester van Chora. Hij is haji omdat hij naar Mekka op bedevaart is geweest. Tijdens de oorlog met de Russische bezetter was hij moedjahedien, en vocht hij tot in Kaboel. De Taliban heeft hij altijd verfoeid. Hij is Barakzai en die hadden het altijd al niet zo op de Taliban en als grootgrondbezitter en stamoudste had hij veel te verliezen. Dad Mohammed was erbij toen in 2001 de dan nog volslagen onbekende Hamid Karzai (nu president van Afghanistan) met een groep Amerikaanse commando’s en milities door Uruzgan trok. Hij stopte toen ook in Chora, op weg naar Tarin Kowt, waar Karzai en de Amerikanen een glorieuze overwinning zouden behalen op een overmacht aan Talibanstrijders. ‘Karzai vertrouwde mij toen de leiding over Chora toe.’
Nu is Dad Mohammed blij met de komst van de Nederlanders. ‘Door de nieuwe checkpoints is er rust gekomen in Chora,’ zegt hij.
Maar hij heeft ook zorgen. Amerikaanse sproeivliegtuigen hebben vorig jaar verdelgingsmiddel gesproeid over de papavervelden. ‘Dat is niet goed, daardoor gaan onze graanoogsten verloren.’
Met Mohammed rijdt het konvooi naar een half afgebouwde school in het dorpje Peikala, vlak buiten Chora. De school is door de Amerikanen nooit afgebouwd vanwege de onveilige situatie. De Taliban zaten tot voor kort ’s nachts in een koranschool, een leemkleurig gebouw boven op een heuvel. ‘Maar we hebben ze al drie maanden niet meer gezien,’ verzekert een plaatselijke notabele. ‘De kinderen krijgen nu les onder een boom. Er zijn twintig leraren, die worden betaald door de overheid.’ Gwenda noteert alles in een opschrijfboekje.
Als ritmeester Richard vraagt of de Taliban misschien toch nog in het dorp komen, vertellen de dorpelingen dat er soms ‘nachtbrieven’ aan de deur van de moskee worden gespijkerd waarin staat dat iedereen die met de Isaf-troepen samenwerkt kan worden gedood. ‘We denken dat het mensen uit het dorp zijn die die brieven ophangen. Het zijn gekken,’ zegt de man onder instemmend geknik van de omstanders.
Als ik op de terugweg opnieuw in gesprek raak met de burgemeester over de Taliban, zegt sergeant-majoor Jaap, die achter het machinegeweer staat, opeens tegen de tolk dat hij niet meer voor mij mag vertalen. Ik snap er niets van. ‘Jij praat te veel over de Taliban, dat is niet goed,’ zegt hij afgemeten. Van tevoren is er niets afgesproken over het soort vragen dat ik mag stellen. Het wordt nog erger als ik opeens niet meer mee mag op een voetpatrouille door Chora. Waarom? Formeel omdat er te weinig protection is, maar het lijkt eerder een soort straf. Woedend blijf ik achter op de binnenplaats van Het Witte Huis, met om me heen boerende en moppen tappende militairen.
Op de binnenplaats worden deelnemers geregistreerd aan de cursus politievaardigheden in Kamp Holland. Onder leiding van Nederlandse en Amerikaanse instructeurs leren de Afghanen schieten, arresteren, fouilleren en hoe zich te gedragen op een roadblock. Een aantal Afghanen heeft de cursus al achter de rug en laat vol trots hun nieuwe identiteitskaart zien. ‘De cursus was goed, het eten was goed en we hebben ook nog een nieuw uniform gekregen,’ zeggen ze. Het winning hearts and minds lijkt hier te werken.
Een probleem in Chora voor de Nederlanders is de samenwerking met politiecommissaris Mahmad Gul, een kleine man met een enorme baard en een wijdvallende broek. De voormalige moedjahedienstrijder zegt zelf dat hij in 2001 met Karzai optrok naar Tarin Kowt en daar de Afghaanse vlag hees toen de Taliban een beslissende klap werd toegebracht. Anderen beweren dat hij corrupt is en er schandknaapjes op na houdt. Op het binnenterrein van het Witte Huis hangt inderdaad een jongetje rond met kohl onder zijn ogen, gehuld in een schattig minipolitie-uniformpje. ‘Dat is mijn zoon,’ zegt Gul, het standaardantwoord van mannen die het met schandknaapjes doen.
Hoe kan de gemiddelde bewoner van Uruzgan de nieuwe door Munib benoemde bestuurders vertrouwen als daar mensen als Gul tussen zitten? ‘We moeten anderen niet onze normen en waarden opleggen,’ zegt Gwenda. ‘Ik heb zelf geen kinderen, dat maakt het misschien makkelijker om te accepteren dat Gul er schandknaapjes op na houdt. We moeten het land wederopbouwen en dus moet ik ook met Gul samenwerken.’ Richard is wantrouwend over Gul. ‘We hebben een hele partij winterjassen bezorgd, maar daarvan is maar een deel bij de agenten terechtgekomen. Waar is de rest gebleven? Dat gaan we onderzoeken. Corruptie is voor ons onacceptabel, maar het moet wel eerst honderd procent worden bewezen.’
Cursus Afghaanse cultuur
In een verwarmde kamer van het Witte Huis liggen kussens op de grond. Luitenant Gwenda ontvangt aannemer Haji Habibullah die de afgelopen maanden met honderd arbeiders hard heeft gewerkt aan de restauratie van het districtskantoor van Chora. Hier en daar zitten vochtplekken in het plafond en niet alle deuren sluiten even goed, maar dat is volgens Gwenda normaal in Afghanistan. Nu komt de aannemer zijn geld halen. Gwenda heeft haar cursus Afghaanse cultuur gehad en vraagt naar het welzijn van Habibullah’s familie. Daar gaat het uitstekend mee. ‘Nu je naar mijn familie vraagt, moet je langskomen. Dan krijg je traditionele gewaden uit deze regio als geschenk.’ De aannemer wil haar het liefste nu al uitnodigen. Maar daar is geen tijd voor. ‘De volgende keer als ik langskom,’ zegt Gwenda, ‘neem ik mijn familiefoto’s mee.’ Dan komt het gesprek op Mekka, waar Habibullah op bedevaart is geweest. ‘Misschien moet ik ook een keer gaan,’ zegt Gwenda enthousiast, zich blijkbaar niet bewust dat Mekka verboden gebied is voor niet-moslims. ‘Hebben jullie nog meer werk voor me?’ vraagt de aannemer, terwijl hij de 25.000 dollar telt die Gwenda uit kleine plastic zakjes heeft gehaald. Hij benadrukt dat het voor hem niet makkelijk is in Chora. ‘De Taliban weten dat ik voor jullie werk. Ik ben bang dat ze mijn keel afsnijden.’ Gwenda houdt zich op de vlakte. ‘We zullen zien wat we kunnen doen.’
Aansluitend aan de betalingen ontvangt Richard een delegatie van zesentwintig mollahs en bestuursleden van de moskeeën in de omgeving. Ze zitten dicht op elkaar te wachten in een kleine kamer. Het is bijna donker en het is zo tijd om te bidden, dus de bijeenkomst kan niet langer dan drie kwartier duren. ‘We hebben tijd om drie problemen te bespreken,’ zegt Richard. De mannen beginnen onderling te mompelen, dan staat er eentje op. ‘Wij willen graag spreken over de brug, de moskee en de weg langs de bazaar.’ Dat zijn makkies voor Richard. Over de rivier zal een nieuwe brug worden gebouwd, om de verbinding met Tarin Kowt te verbeteren. Net als de Nederlandse militairen gaan ook de bewoners van Chora nooit door de Dorufshan-vallei, waar de Taliban de baas zijn. ‘Wij willen niet dat Chora geïsoleerd ligt als de rivier in het voorjaar vol water staat. Binnenkort komen ingenieurs kijken waar de brug moet komen.’ Ook het verharden van de centrale straat in Chora zit al in de pijplijn, net als het opknappen van de grote moskee, die door de Taliban is uitgewoond toen ze in juni een paar dagen de stad bezet hielden. Dan komt het onderwerp waar de mollahs het echt over willen hebben: de bouw van een madrassa pal achter het Witte Huis. ‘Als we hier een koranschool hebben, hoeven onze zonen niet meer naar Pakistan, en komen ze niet meer zo makkelijk onder invloed van het Taliban-gedachtegoed,’ zegt een rijzige man met een witte baard. ‘We willen een grote madrassa met vijftig lokalen en vijftienhonderd leerlingen,’ zegt een jongere man die duidelijk respect heeft onder de anderen aanwezigen. Richard: ‘Maar krijgen de kinderen alleen koranles of ook wiskunde, aardrijkskunde en taal?’ De mollahs verzekeren dat er ook algemeen onderwijs zal worden gegeven. ‘Mogen dan alle stammen hier komen? Ook de Tokhi’s en de Hotaki’s?’ Dit is een strikvraag, de Tokhi’s en Hotaki’s wonen in het dal en behoren tot de Ghilzai-stam, waarmee de bewoners van Chora vaak overhoop liggen. De mollahs benadrukken dat ook zij welkom zijn. ‘We mogen er anders uit zien, maar wat ons bindt is het geloof in een God,’ zegt Richard met zijn ernstigste gezicht. Op dat moment is er niet veel te zien van de lolbroek die hij onderweg naar Chora was. Een mollah neemt Richards handen vast en zegt: ‘We zullen voor je bidden in de moskee.’
Na afloop toont Richard zich enthousiast over het idee om een koranschool te bouwen. Ook de komst van de jonge mollah beschouwt hij als belangrijk. ‘Die zagen we hier voor de eerste keer. Volgens mij is het een Ghilzai en komt hij uit een dorp ergens in de vallei, dat moet ik uitzoeken.’ Maar moet in een provincie als Uruzgan, waar maar een handjevol dokters werkt, waar de kindersterfte hoog is en waar een groot gedeelte van de mensen analfabeet is, een koranschool komen? ‘Voor de mensen hier heeft een koranschool grote prioriteit. Dat moet je respecteren.’
Richard, Gwenda en de andere Nederlanders staan op het punt naar bed te gaan als zich een nieuwe kwestie aandient. Een paar kamertjes verderop blijken twee mannen opgesloten te zijn in opdracht van districtschef Faroek. Deze man, in wie de Nederlanders veel vertrouwen hebben (Richard: ‘Hij komt zijn afspraken na en bevoordeelt niet alleen zijn eigen stam’) is op dit moment bij vrouw en kinderen in Tarin Kowt en telefonisch onbereikbaar. De twee gearresteerden zijn bij het districtskantoor komen klagen over Faroek, zo blijkt uit hun verklaringen. De districtschef zou zakken graan en ander voedsel dat bedoeld was voor de armen en behoeftigen in het gebied achterover hebben gedrukt en in zijn eigen winkel hebben opgeslagen. Maar medewerkers van Faroek beweren dat de twee mannen een halfjaar geleden nog bewakingsklusjes opknapten voor de Taliban en dat ze onbetrouwbaar zijn. De zakken graan staan inderdaad in de winkel van Faroek, maar dat is bedoeld als tijdelijke opslag. Ook zou een dorp in de buurt al voorzien zijn van voedsel. Gwenda en Richard zijn meer dan twee uur met de zaak bezig en komen dan zichtbaar uitgeput binnen. ‘Ik snap er geen hol meer van,’ puft Richard. ‘Rare jongens die Afghanen,’ zegt Gwenda. Ze hebben Faroeks mannen gevraagd de gearresteerden te eten te geven en ze te laten slapen in de verwarmde kamer waar ook de rest van de Afghanen de nacht doorbrengt. ‘Ze mogen niet weg. We zullen deze kwestie in de gaten houden,’ zegt Richard. ‘Faroek mag dan wel een eigen legertje hebben, hij mag niet zomaar iedereen die kritiek op hem heeft arresteren,’ zegt Gwenda.
Het laatste nieuws uit Poentjak, aan de andere kant van de vallei: er is weer geschoten met Rocket Propelled Grenades, maar er zijn geen gewonden gevallen.
Baal marihuanaplanten
De volgende ochtend zet het konvooi zich weer in beweging, terug naar Kamp Holland. Richard en Gwenda gaan nog langs twee observatieposten, vlak buiten Chora, met uitzicht op de Dorufshan-vallei. De ene post, in Niazy, is door politiemannen die onder controle staan van Gul verlaten na een aanval van de Taliban. Alles wat er nog van rest zijn een paar verbrande zandzakken. ‘Hier moet Gul zijn mensen dus weer neerzetten,’ zegt Richard. Het uitzicht is overweldigend. Hoge bergen, besneeuwde pieken, langs de rivier huizen en bomen. Een halfuur later arriveren we bij de post in Kalakala, die wordt bemand door de troepen van disctrictschef Faroek. Zij zijn niet weggelopen, hebben loopgraven gegraven en hebben in de heuvel een kamertje gemaakt waar een vuurtje brandt. Tegen de muur ligt een grote baal marihuanaplanten. De mannen zijn ook vroeg op de ochtend niet zo scherp meer. Als Richard en Gwenda dekens, emmers en plastic zakjes met shampoo, zeep en scheergerei uitdelen, verschijnt een glimlach op de gezichten.
Op het heli-platform wacht ik samen met acht Amerikaanse Special Forces en Afghaanse soldaten op een Chinook-helikopter die ons terug moet brengen naar Kandahar. Een Amerikaan komt naar ons toelopen. ‘De fucking helikopter heeft een fucking probleem,’ zegt hij, ‘jullie moeten een fucking uur wachten.’
Die avond slaap ik in het grote legerkamp net buiten Kandahar. Behalve een Burger King, Pizzahut, en een winkeltje met Afghaanse snuisterijen zijn er twee kerken en een immense gym. Van slapen komt niet veel. In Uruzgan mag het dan rustig zijn, in de stad Kandahar vallen dagelijks slachtoffers door bomaanslagen en bermbommen. En ten zuiden van Kandahar is het volop oorlog. De Navo is begonnen met de operatie Baaz Tsuka (‘Valkennest’) om de Panjawi-vallei ten zuiden van de stad van Taliban te zuiveren. De bevolking is van tevoren gewaarschuwd en geëvacueerd. De Navo probeert via een chirurgische operatie waarbij zo weinig mogelijk slachtoffers mogen vallen de leiding van de Taliban uit te schakelen. De hele nacht vliegen helikopters, transportvliegtuigen en F16’s af en aan – ook Nederlandse.
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




