VN MediagidsSchelto Patijn (1936-2007)

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

16.07.2007

Door Thijs Niemantsverdriet

Afbeelding bij Schelto Patijn (1936-2007)

Een stad, 355 bouwputten


&copy Bert Nienhuis
© Bert Nienhuis

20-11-2004
Door Thijs Niemantsverdriet

De hoofdstad ligt open als nooit tevoren: in honderden bouwputten tegelijk wordt er gewerkt. Oud-burgemeester Schelto Patijn ziet er de vrolijkheid wel van in. ‘Amsterdam houdt van graven.’ Anderen hebben de buik vol van de ambtelijke hoogmoed: ‘De gemeente heeft geen geheugen. Wíj wel.’

Vóór de gevel van Amsterdam-Centraal staat een grote blauwe schutting. Daarachter liggen grote hopen zand en stenen, opeengestapelde bouwketen, cementmolens en een chemisch toilet. Werklui in feloranje hesjes manoeuvreren hun graafmachines behoedzaam tussen de stapels biels en buizen door. Waar normaal de vertrouwde rondvaartboten dobberen, bevindt zich een vlakte van opgespoten zand. Even verderop biedt een kolossaal betonnen platform asiel aan een nieuwe batterij bouwketen, afvalbakken en containers.

Een ongekende bouwlust heeft de hoofdstad veranderd in één grote ground zero. Amsterdam ligt open. Dwars door het oude centrum wordt de Noord-Zuidlijn aangelegd, het paradepaardje van de gemeente. Van oost naar west bouwt men aan een gigantische nieuwe rioolleiding, in ambtelijke kringen liefkozend aangeduid als ‘de strontsnelweg’. De westelijke tuinsteden moeten van hun beroerde imago worden bevrijd door een ‘extreme make over’. Rondom station Zuid-WTC verrijst de Zuidas, het nieuwe zakencentrum van de stad. Het Rijksmuseum verbouwt. Het Stedelijk Museum verbouwt. Tel daarbij op de gebruikelijke ‘herprofilering’ van straten, bruggen, pleintjes, parken en plantsoenen, en je vraagt je af of er één plek is waar niet geklust wordt. In mei van dit jaar waren er in Amsterdam niet minder dan 355 bouwputten, zo becijferde een gemeentelijk onderzoeksbureau. Méér dan ooit tevoren.

Amsterdammers kankeren graag – en al helemaal als ze daar een goede reden voor hebben. De brievenrubriek van stadskrant Het Parool puilt al maanden uit van boze buurtbewoners, verongelijkte automobilisten en gefrustreerde winkeliers. ‘Geld dat de stad hard nodig heeft verdwijnt in diepe bouwputten,’ foetert de één. ‘Dit is een complot,’ gromt een ander. ‘Bedankt, moordenaars van de stad,’ bijt een derde het gemeentebestuur toe. Eén bewoner heeft een briljante oplossing: ‘Gooi al die bouwputten dicht en zeg tegen de aannemers dat hun schadevergoeding reeds is verdisconteerd met de schaduwboekhouding.’

Gemeentelijke instanties worden bestookt met brieven en e-mails, niet altijd even genuanceerd. ‘Ik baal er echt van als de overheid probeert om mijn pand aan flarden te trillen,’ schrijft een vasthoudende correspondent aan het projectbureau Noord-Zuidlijn. ‘U moet zich realiseren dat u telkens de grenzen een stukje verder oprekt. Dit is onbehoorlijk! Dit is puberaal!’ In een andere brief wordt verwezen naar de beruchte zompigheid van de Amsterdamse bodem: ‘We worden met z’n allen in een steeds dieper moeras meegezogen.’ Het projectbureau antwoordt in onnavolgbaar voorlichtersproza: ‘We bevorderen de infrastructuur van het contact tussen de projectorganisatie en de projectomgeving.’ Gelukkig maar.

Maar hoe zit het nou echt met die vermaledijde bouwputten? Vrij Nederland nam de proef op de som met een stadswandeling. Het tijdstip: een kraakheldere ochtend in oktober. De route: een willekeurige ommegang uit d’Ailly’s Historische Gids van Amsterdam, al vijfenzeventig jaar lang het onmisbare handboek voor de serieuze stadswandelaar. Onderweg letten we niet op klok- of trapgevels, kruisgewelven en rondboogvensters, maar op graafmachines, drilboren en rioolbuizen.

‘Amsterdam houdt ervan om te graven. Lekker rondwentelen in de prut,’ zegt Schelto Patijn. De oud-burgemeester van Amsterdam vergezelt ons op de tocht. Hij is, zoals gebruikelijk, goed geluimd. Naast voorzitter van het Theaterfestival en commissaris bij Schiphol is hij sinds kort voorzitter van Leve de Bouwput. Achter dit kernachtige motto gaat een stichting schuil die de Amsterdamse bevolking door middel van kunst tracht te overtuigen dat werk aan de weg niet alléén maar kommer en kwel is.

‘Bouwen is natuurlijk ellendig, en het wordt altijd honderd miljoen euro duurder dan gepland. Maar het heeft ook iets vrolijks,’ zegt Patijn. We kijken uit over het Rokin, een van de lokaties in de Amsterdamse binnenstad die het hevigst onder handen wordt genomen. ‘Laten we wel wezen,’ meent Patijn, ‘het Rokin stelde ook niet veel voor. Het was een rommelig parkeerplaatsje.’ Inmiddels is dat omgetoverd tot een futuristisch landschap. In een langgerekte zandvlakte staat een drietal torenhoge heimachines, geflankeerd door containers en betonmolens. Her en der zijn damwanden in de grond geslagen, overal liggen slangen en buizen. Metershoge palen met enorme bouwlampen moeten het panorama bij nacht kunstig uitlichten. Een grimmig bord van de aannemer waarschuwt ons: ‘Bouwplaats betreden op eigen risico.’ En mochten we tóch zo vermetel zijn, dan alléén met helm, veiligheidsschoenen, gehoor- en oogbescherming.

‘We zouden willen dat het weer eens leuk werd in Amsterdam,’ verzuchten Carlo en Mieke van Someren. ‘Dat we weer met plezier door de stad kunnen wandelen, zoals in Parijs.’ Vier decennia levert het echtpaar Van Someren nu slag met de gemeente Amsterdam. Als aanjagers van het Bewonerscomité Kerkstraat hebben ze een eindeloze reeks aan bouwprojecten, herprofileringen en omleidingen achter de kiezen. Maar zoals de stad er anno 2004 bij ligt, is zelfs voor deze actietijgers ongekend. Mieke van Someren: ‘We hebben ons leven lang van Amsterdam gehouden. Maar de laatste jaren wordt het ons wel héél moeilijk gemaakt.’ Vlak bij hen om de hoek hebben de bulldozers en heimachines van de Noord-Zuidlijn op overweldigende wijze bezit genomen van de Vijzelgracht. Mieke: ‘Onze buurt is echt onbegaanbaar geworden voor ouderen, invaliden of mensen met kleine kinderen.’

Okay, de openbare ruimte wordt vandaag de dag wat voortvarender onder handen genomen dan vroeger, dat moeten de Van Somerens toegeven. Straten liggen niet meer een eeuwigheid open, en het omgeleide verkeer wordt niet meer met minimalistische bewegwijzering het bos ingestuurd. Maar daar staat tegenover dat de bewonersinspraak een regelrechte farce is. Carlo: ‘Vroeger luisterde de gemeente nog naar ons. Tegenwoordig duwen ze ons iets door de strot dat al voorgekookt is. Aan de uitgangspunten wordt niet meer getornd.’ Het ‘bewonersklankbord’, dat zijn mening mag geven over de plannen van de gemeente, wordt volgens Mieke nauwelijks serieus genomen: ‘Dat zit er gewoon voor Piet Snot bij.’

Schelto Patijn ziet het openbare bestuur in een wat vrolijker licht. Als burgemeester stond hij bekend als een rasoptimist, die voor iedereen een handdruk, schouderklop en gulle lach paraat had. Bijna vier jaar na zijn afscheid is hij nog steeds dezelfde onverbiddelijke positivo. ‘Kijk die koene schoonmakers toch eens!’ zegt hij, wijzend op een wagentje van de stadsreiniging. Vol verrukking kijkt hij naar twee graffitikunstenaars die druk bezig zijn een winkelrolluik te beschilderen: ‘Prachtig, wat ze daar maken.’

Schelto’s optimisme is hard nodig, vindt Helga Lasschuijt, directeur van Leve de Bouwput. Een halfjaar is ze nu bezig, en ze wordt geregeld moedeloos van de hoofdstedelijke behoudzucht. ‘Amsterdammers willen helemaal níéts veranderen. Op palen en blubber wordt heel krampachtig gereageerd. Ik heb het idee dat ze alles alleen maar bij het oude willen laten.’ Zelf heeft Lasschuijt een levenslange fascinatie voor bulldozers, betonplaten en hijskranen. ‘Ik heb acht jaar in Hongkong gewoond. Die stad heeft een enorme dynamiek. Als ik drie maanden was weg geweest en ik kwam weer terug, dan trof ik een andere stad aan.’ Zoiets overkomt haar in Amsterdam nou nooit. ‘De stad is qua identiteit dichtgeslibd,’ vindt Lasschuijt. ‘Die bouwputten zijn de enige manier om de boel open te scheuren.’

In april dit jaar werd de stichting feestelijk gelanceerd in sociëteit Arti et Amicitiae aan het Rokin, met eersteklasuitzicht op het slagveld van de Noord-Zuidlijn. Op het hoogtepunt van de feestvreugde togen de genodigden naar buiten, alwaar zangeres Jenny Arean in een speciaal voor de gelegenheid geschreven lied haar liefde voor de bouwput bezong. Terwijl de betonwagens af en aan reden, schalde de stem van Arean, zelf geposteerd op een bouwlift, over het Rokin: ‘Leve de bouwput, luider dan luid / Leve de bouwput, we komen eruit / Wie in de bouwputten blijft geloven / Komt met de jaren de afbraak te boven.’

Daarna kon de stichting aan de slag. Directeur Lasschuijt schreef een prijsvraag uit voor een verrijdbare tribune voor bouwputtenkijkers, en omwonenden van een langdurig bouwproject in de wijk Zeeburg kregen een buurtfeest aangeboden. Ook verzocht ze een aantal kunstenaars om beeld- en geluidsinstallaties te ontwerpen die in de gigantische rioolschacht voor het Rijksmuseum geëxposeerd zullen worden.

Ondanks een trits zwaargewichten uit het bedrijfsleven in het bestuur blijft het sappelen voor Leve de Bouwput. Lasschuijt: ‘Het is lastig om geld bijeen te krijgen. Er wordt hard bezuinigd op de kunstensector. En de promotie van de nieuwe stadsslogan “I AMsterdam— heeft de sponsormarkt voor de rest van het jaar dichtgegooid. Daarom is een aantal projecten gesneuveld, zoals een festival met werk-aan-de-wegfilms en de installatie van webcams bij bouwputten.’ Het uitlichten van alle hijskranen in de stad, een ander ambitieus plan van Lasschuijt, loopt ook al wat minder vlot dan gewenst.

Maar bovenal moet Leve de Bouwput een voortdurende strijd leveren met sceptische aannemers. ‘Die hebben zoiets van: laat mij maar bouwen,’ zegt Lasschuijt. ‘Communicatie met de bewoners? Dat is een taak van de overheid. Overlast? Taak van de overheid. Ze voelen zich op geen enkele manier verantwoordelijk en zijn angstig dat er iets in die bouwput gebeurt.’

Wie denkt dat de aannemers sinds de bouwfraude-enquête proberen om hun publieke imago te verbeteren, heeft het mis. Lasschuijt: ‘Laatst ging ik naar een aannemer met wat verzoeken. Kreeg ik twintig minuten lang op iedere vraag “nee— te horen. Totdat ik zei: komen júllie dan eens met plannen. Toen kwam er aarzelend een bouwtekening op tafel.’ Tijdens de voorbereiding van een ander project kreeg Lasschuijt plots een factuur van zeventienduizend euro onder de neus geschoven: ‘De aannemer wilde geld zien indien hij een paar stenen moest verslepen! Die rekening heb ik natuurlijk niet betaald.’

Schelto Patijn struikelt bijna over een hoop vuilniszakken. ‘Amsterdam ziet er altijd een beetje rommelig uit. Iedereen is hartstikke trots op de stad, maar niemand hoeft het op te ruimen.’

We staan op het Singel. Voor ons wordt de brug vernieuwd. Een viertal werklieden is bezig om het wegdek steen voor steen te plaveien. Patijn loopt meteen op een stratemaker toe die op zijn knieën straatstenen aan het leggen is. ‘Kijk, daar hebben we de oude burgemeester,’ zegt de man.
Patijn: ‘Hoe lang doet u dit werk al?’
Stratemaker: ‘Veertig jaar.’
Patijn: ‘En hoe oud bent u nu?’
Stratemaker: ‘Vierenvijftig.’
Patijn: ‘Dan heeft u nog elf jaar te gaan tot uw pensioen. Ik vind het belachelijk dat u tot uw vijfenzestigste moet doorwerken. Dat mag u best weten.’
Als we weer weglopen, roept de stratemaker lachend tegen zijn kornuiten: ‘Meneer Patijn gaat zorgen dat we eerder kunnen stoppen met werken!’

Op dezelfde brug heeft Carlo van Someren hoofdzakelijk oog voor de nieuwe stoepranden. ‘Die stoepranden zien er chic uit, ja. Maar ze kosten bakken met geld,’ zegt hij. ‘Net zoals die gele betonbanden die een paar jaar geleden ineens overal in de stad opdoken. Maar die waren vreselijk, vond iedereen. Na een hoop geharrewar, gesmoes en getraineer werden ze uiteindelijk weer weggehaald. En dan heeft de gemeente het lef om dat herstel van de oorspronkelijke situatie als een verbetering te presenteren.’

De collectieve amnesie bij de gemeente is een terugkerend motief bij de Van Somerens. Mieke vat het kernachtig samen: ‘De gemeente heeft geen geheugen. Maar wíj wel.’
Van ambtelijke hoogmoed weet Carlo van Someren meer dan hem lief is. Zelf werkte hij achttien jaar voor het ministerie van Volkshuisvesting in Den Haag. Onder staatssecretaris Jan Schaefer welteverstaan, die ooit de befaamde woorden sprak: ‘In gelul kun je niet wonen.’ Schaefers adagium schiet Van Someren nog vaak te binnen als hij tijdens een inspraakavond weer eens naar een hopeloos zwetsende voorlichter zit te luisteren. ‘Ze hebben geen benul waar ze het over hebben. Bij het informatiecentrum over de Noord-Zuidlijn is prachtig drukwerk in kleur en fraaie maquettes. Maar dat wat je echt wil hebben, zoals bijvoorbeeld een dwarsdoorsnee van de bouwtekeningen – dat hebben ze niet. Het is allemaal heel oppervlakkig.’ Van Someren hóúdt van het woord ‘oppervlakkig’. Niet alleen de voorlichting van de gemeente is oppervlakkig. Ook de besluitvorming. En de inspraakprocedures. Eigenlijk is het hele Amsterdamse bestuur oppervlakkig.

De Teerketelsteeg, een nauwe doorgang onder de rook van het Centraal Station, is één grote zandbak. Een voorbijganger struikelt over het waterpas gespannen lijntje waarlangs de straatstenen gelegd worden. Een oude man ploegt met horten en stoten zijn fiets door het zand. ‘Zodra er op het ministerie een subsidieaanvraag voor het herstel van bruggen binnenkwam uit Amsterdam,’ mijmert Van Someren verder over zijn Haagse ervaring, ‘dan riep iedereen: o, daar heb je Amsterdam weer. Het is hier echt krankzinnig vergeleken met de rest van Nederland.’

Patijn beaamt dat bouwprojecten in Amsterdam doorgaans langer duren dan elders. ‘Dat is typisch Amsterdams. Als we iets bouwen, zullen we het laten weten ook.’ Maar hij verwijst ook graag naar het hoofdstelijke volkstemperament: ‘Amsterdammers houden ervan om op bouwputten te mopperen. Maar ze vinden het ook prachtig als er grappen over gemaakt worden.’ Hij zwaait naar een voorbijfietsende vrouw. ‘Uiteindelijk willen ze gewoon zaken doen.’

Helemaal ongelijk kan je de cynici niet geven. Amsterdam stemt pas sinds enige tijd de bouwactiviteiten op elkaar af. Voordien konden de centrale stad, de deelraden, het vervoerbedrijf of de rioleringsdienst naar eigen goeddunken aan de stad klussen. En dat deden ze graag. Straten gingen in korte tijd tweemaal open: eerst voor nieuwe kabels, vervolgens voor de riolering. Na lang nadenken kwam de gemeente in 1999 met een oplossing: de stadsregisseur.

‘Er moest iemand komen die rücksichtslos kon ingrijpen en projecten desnoods kon stopzetten,’ zegt Piet Polderman, die sinds twee jaar als stadsregisseur het werk aan de weg in Amsterdam coordineert. Hij praat over zijn functie graag in sportjargon: ‘Als je een potje gaat voetballen in het Vondelpark, kun je best zonder scheidsrechter. Wil je er een serieus spelletje van maken, dan heb je zo’n vervelende figuur nodig. Dat vinden zelfs de spelende partijen.’ Polderman probeert te voorkomen dat de verschillende bestuurslagen en diensten elkaar voor de voeten lopen – een ‘bureaucratic breakout’, zoals hij het zelf noemt.

‘Bij het Rijksmuseum moest op een gegeven moment van alles gebeuren. De riolering werd vernieuwd, de deelraad wilde de straat herprofileren en er moest een groot bassin komen om regenwater af te voeren. Bovendien wordt het museum verbouwd, met alle gevolgen van dien.’ Polderman kreeg alle aanvragen apart binnen: ‘Toen heb ik alle partijen bij elkaar gezet rond een grote vergadertafel. Ik heb een kaart opgehangen en gezegd: geven jullie nou allemaal eens precies aan wat jullie willen. Het was even stil. En toen begon het bij iedereen te dagen dat we de zaken beter op elkaar af moeten stemmen.’

De stadsregisseur is er niet uitsluitend ter bevordering van de gemeentelijke harmonie. Poldermans hoogste ambitie is niets minder dan een cultuuromslag onder Amsterdammers. ‘De stad is nu eenmaal nooit af,’ zegt hij. ‘Daar kun je heel treurig over worden, maar dat heeft geen enkele zin. Net zoals je in de herfst niet kwaad moet worden als de bladeren van de bomen vallen.’ Voortdurende bouwactiviteit is iets heel normaals, vindt Polderman, en Amsterdammers zouden dat gewoon moeten accepteren. ‘Dat is het leven in de stad. Als je geborgenheid zoekt, moet je op het platteland gaan wonen.’ Maar ook de overheid zou wat soepeler met haar bouwputten moeten omgaan. Polderman: ‘Laat de mensen straks voor tien euro in de tunnelbuis van de Noord-Zuidlijn! Het zou storm lopen, en van het geld kunnen ze mooi het tekort op de balans terugdringen.’

Onze tocht eindigt bij de fraaiste bouwput: het Centraal Station. ‘Het station ondergaat de komende jaren een fascinerende metamorfose,’ staat er eufemistisch op een bord. Patijn wandelt met ferme tred naar de grote blauwe schutting op het Stationsplein. ‘Het mooie van bouwputten is hun vergankelijkheid,’ zegt hij, terwijl hij door een van de kijkgaten gluurt. ‘Zodra het voorbij is, vergeet iedereen ze. Wie herinnert zich nog de bouw van De Nederlandsche Bank? Of van de Stopera? Of het Museumplein?’

Mieke van Someren heeft een fraaie metafoor paraat: ‘Een bouwput is zoiets als het krijgen van een kind. Het is een heel gedoe, maar daarna ben je de pijn ook weer gauw vergeten.’ Haar man werpt een zuinige blik op het handjevol werklui dat achter de schutting bezig is: ‘Als je een mopperaar bent, zou je nu zeggen: dat schiet ook niet erg op.’

De statige stationsrestauratie is een oase van rust in het heiende, borende en lassende Amsterdam. We tellen het aantal bouwputten dat we zijn tegengekomen. Drie openliggende straten, één gapend gat in de stoep en twee immense kraters voor de Noord-Zuidlijn. Zes stuks in drie kwartier wandelen: gemiddeld iedere zeven en een halve minuut een bouwput. Patijn vindt de oogst wel meevallen. ‘Het lijkt veel, maar ze liggen behoorlijk verspreid,’ zegt hij. ‘Amsterdammers zijn enorm flexibele mensen. Als het ene steegje is afgesloten, dan nemen ze gewoon het volgende.’

Op de Nieuwezijds Voorburgwal valt het oog van Carlo van Someren op het hekwerk. De fabrikaten van de firma Heras zijn inderdaad in nogal uitbundige proporties uitgestald langs de trambaan. Grinnikend zegt Van Someren: ‘Ik heb de indruk dat ze tegenwoordig meer van die hekken hebben dan vroeger. En dus moeten ze er ook iets mee doen.’

Maar Schelto Patijn kijkt niet naar de hekken. Hij heeft slechts aandacht voor een oudere dame in een oranje hesje, die druk staat te gebaren. Het blijkt een verkeersregelaar die met gevaar voor eigen leven probeert te voorkomen dat achteloze automobilisten hun voertuig in het hekwerk planten. Patijn, vol vertedering: ‘Kijk die mevrouw nou met haar bibberende handjes. Alsof ze haar hele leven al niets anders doet.’ Dan schiet hem een lumineus idee te binnen: ‘Kunnen we niet een zangkoor maken van alle verkeersregelaars, en ze een mooi lied laten instuderen?’ ?





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?