VN MediagidsSander Thoenes-lezing: persvrijheid in Indonesië
30.09.2000
Sander Thoenes was correspondent van de Financial Times, The Christian Science Monitor en Vrij Nederland. Een jaar geleden, 21 september 1999, werd hij tijdens zijn werk in Oost-Timor vermoord. Vrij Nederland en de Nederlandse Vereniging van Journalisten wilden zijn dood herdenken door het instellen van een jaarlijkse lezing. Professor Jan Breman sprak afgelopen week deze (eerste) rede uit: over de CNN-factor in het buitenlands beleid.
'Een volk dat voor tirannen zwicht,
zal meer dan lijf en goed verliezen,
dan dooft het licht.'
(H.M. van Randwijk)
Sander Thoenes bracht zijn bezoek aan Oost-Timor in de nadagen van de tweede koloniale overheersing met het einde al in zicht. Met Habibie was ook de publieke opinie in Indonesië van tevoren overtuigd van een gunstige uitslag van het referendum. Dat was namelijk de bijna unanieme voorspelling geweest niet alleen van het machts- en gezagsapparaat ter plaatse, maar ook van de Indonesische persberichters. Opmerkelijk was dat net voor de slotronde van de geweldsexplosie, die onder de bevolking zoveel slachtoffers heeft gemaakt, de Indonesische journalisten het eiland al en bloc verlieten. Waren ze op de hoogte van wat er stond te gebeuren? Wie zal het zeggen. In ieder geval hadden de vertegenwoordigers van de Indonesische media gemaakt dat ze wegkwamen nadat vrijkorpsen, gesteund door het leger, met plunderen, brandstichten en moorden waren begonnen.
Wat in de buitenlandse berichtgeving vrij weinig aandacht heeft gekregen, is de enorme schok en verbijstering die de uitslag van het Oost-Timorese referendum teweegbracht in Indonesië zelf. Ik belde in die dagen met mijn Indonesische vrienden en hoorde van hen een heel andere visie op de werkelijkheid dan de persbronnen vermeldden waarin ik meer vertrouwen had. Namelijk dat de VN de raadpleging op grote schaal gemanipuleerd zouden hebben door in de stemlokalen als tellers alleen voorstanders van de onafhankelijkheidswording aan te wijzen en meer nog, door rechtstreekse vervalsing van de stembusuitslagen. Uit die reacties van ongeloof, woede en vernedering bleek het pijnlijke gemis aan elke kennis van zaken, niet alleen van het drama dat zich op dat ogenblik afspeelde, maar ook van de voorgeschiedenis: het despotische en misdadige karakter van het bewind in de voorgaande jaren van bezetting. Natuurlijk, in kringen van oppositie en dissidenten waren die verhalen niet helemaal onbekend, maar wel de schaal en intensiteit ervan. Degenen die beter wisten, spraken er niet over, zeker niet met buitenlanders, maar evenmin onder elkaar. Dat had te maken met de gemuilkorfde pers die geen afstand kon nemen van de geautoriseerde versie waarin het zegenrijke ontwikkelingswerk vooropstond dat het leger in Oost-Timor verrichtte.
Het gebrek aan werkelijkheidszin, de neiging om de eigen schuld of medeplichtigheid aan kwade zaken te verbloemen, werd nog eens duidelijk gedemonstreerd toen huurlingenbenden op 6 september drie VN-hulpverleners om het leven brachten, werkzaam in kampen op West-Timor, waar tienduizenden ontvoerde/uitgedreven Oost-Timorezen in krijgsgevangenschap werden gehouden. Wat in de Indonesische berichtgeving over dit incident opvalt, is de herhaling van eerdere reacties. Eerst komt de ontkenning of afzwakking van de ernst van het incident. Dan het afwijzen van elke buitenlandse bemoeienis met de belofte het voorgevallene zelf te zullen uitzoeken. Vervolgens het vragen van begrip voor tegenwerking in eigen kring ondervonden bij de poging tot opheldering. Tenslotte de totale omdraaiing van de wandaad met de suggestie dat die het werk is van duistere buitenlandse krachten, uit op destabilisatie van Indonesië.
De erfgenamen van Soeharto's Nieuwe Orde - in feite gaat het voor een belangrijk deel ook om de voortzetters van dit regime - verkeren nog steeds in een traumatische toestand over het wegvallen van de royale buitenlandse steun en de internationale goede wil waarop Indonesië gedurende een lange reeks van jaren aanspraak kon maken. De veroordeling van het regime van onderdrukking gedurende de afgelopen dertig jaar en van het staatshoofd als een jatgrage tiran is immers een vrij nieuw gegeven. De staatsgreep waarmee Soeharto, met nauwelijks verhulde Amerikaanse steun, aan de macht kwam en waarbij een half miljoen tot een miljoen mensen al meteen om het leven kwamen terwijl een nog veel groter aantal voor onbeperkte tijd in detentie ging, werd door Time (juli l966) als 'het beste nieuws sinds jaren uit Azië' toegejuicht. Soortgelijke reacties vielen ook in Nederland te vernemen. Eindelijk was een einde gekomen aan het leiderschap van de door ons zo gehate Soekarno die, in onze nog steeds koloniale ogen, de ellende van zijn land en volk alleen maar had vergroot. Ik herinner mij nog Vondeling toen hij aan het hoofd van een parlementaire delegatie terugkwam en in de vip-room van Schiphol, met een boerenhoed op zijn guitig hoofd, verklaarde dat Soeharto en zijn generaals misschien wel niet democratisch aan de macht waren gekomen, maar toch voor herstel van orde en rust hadden gezorgd met als gevolg dat de vooruitzichten voor herstel van de handelsbetrekkingen sterk verbeterd waren.
Dat laatste klopte wel. Met steun van Nederlands ontwikkelingsgeld heeft bijvoorbeeld het bedrijf Hollandia, geleid door de broer van onze voormalige premier, erg veel verdiend aan bruggenbouw door de gehele archipel. Veel van de transacties die met deze contracten gepaard gingen, konden het daglicht niet velen. In de niet zo overdadige berichtgeving hierover is altijd de nadruk gelegd op fraude en corruptie aan de andere, Indonesische kant en de volgehouden bewering dat aan deze kant de handen schoon bleven. Indonesië werd de lieveling van het internationale bankwezen en ook de Nederlandse hulp aan Soeharto en zijn trawanten steeg van jaar tot jaar, niet alleen, maar evenmin in de laatste plaats, onder Pronk. Dat geld is voor het overgrote deel geen weggegooid geld geweest. Het kwam immers terecht in de zakken van de Soeharto-huishouding en de grotere of kleinere trawanten daarvan. In dit verband wil ik nog even de befaamde windtunnel van Habibie noemen, die nodig heette te zijn voor het ontwikkelen van een vliegtuig dat nooit gevlogen heeft. Maar zoals een Indonesische collega me uitlegde, dat was ook niet de bedoeling. De met Nederlands geld aangeschafte windtunnel had volgens hem een heel andere toepassing: aan de voorkant gingen de hulpbedragen en leningen erin, die er aan de achterkant nooit uitkwamen. Nogmaals, ons nationaal bedrijfsleven heeft veel profijt gehad met wat voor ontwikkelingssamenwerking doorging. In een tijd dat goed bestuur nog niet het begin en einde van de besteding van dit budget was en op transparantie niet zo gelet werd, bleef Indonesië bovenaan de lijst van begunstigde landen staan. Ook onder Pronk, maar die had tenminste nog het lef zijn nek uit te steken door niet alleen binnenskamers over de zorgelijke staat van de mensenrechten te praten, maar tijdens zijn bezoeken bijvoorbeeld discussies met studenten aan te gaan. Hij had de moed zijn gastheren te zeggen ogenblikkelijk te zullen vertrekken als tijdens zijn verblijf weer een van de overblijvende politieke gevangenen, speciaal voor dit doel in gereedheid gehouden, tegen de muur gezet zou worden. En deze bewindsman maakte ook het sympathieke gebaar om bij zijn terugkeer van dat bezoek aan Indonesië rechtstreeks van Schiphol naar het Beursplein in Amsterdam te gaan, waar een aantal bejaarde overlevenden van de slachtpartij in 1965 in hongerstaking waren om de aandacht te vestigen op de misdaden van Suharto c.s. Dat werd hem niet in dank afgenomen, door de Indonesische machthebbers niet, maar al evenmin door een groot deel van politiek Nederland dat vond dat de goede verstandhouding niet onnodig belast mocht worden.
De beruchte moordpartij waarmee het Indonesische leger op het kerkhof van Dili een einde maakte aan een protestactie van studenten was voor Pronk, en trouwens ook voor Van den Broek, aanleiding om Indonesië 'voor de laatste keer' te waarschuwen. De reactie bleef niet uit en Nederland mocht voortaan niet meer meedoen met de club van rijke landen die Soeharto's regime van gulle gaven bleef voorzien. Verenigd trokken in de Tweede Kamer VVD en CDA tegen de bewindsman van leer over zijn onbezonnen gedrag. De vaderlandse pers wreef hem ook in later jaren aan de verbreker te zijn geweest van de ontwikkelingsrelatie met Indonesië en een goede markt voor het Nederlands bedrijfsleven te hebben bedorven.
Indonesië betoonde zich een trouwe bondgenoot van het rijke Westen dat voor zijn grondstoffen een inschikkelijke leverancier in dit deel van de wereld vond. Zoals Soeharto bij zijn aantreden kon rekenen op de steun van de Verenigde Staten, zo stond ook Australië zijn buurland niet in de weg bij de inname van Oost-Timor in 1975. Naar we al konden vermoeden en sinds kort zeker weten, gaf Australië te kennen zich niet te zullen verzetten tegen inlijving van het eiland nadat Portugal deze kolonie had prijsgegeven. De bezetting kostte vijf Australische journalisten het leven. Net als Sander Thoenes werden ze vermoord door het Indonesische leger. De autoriteiten ontkenden schuld en dit bedrijfsongeval stond de hartelijke betrekkingen tussen beide landen niet in de weg. Het kwam tot een militair pact dat voorzag in wapenleveranties, de training van Indonesische officieren in Australië en samenwerking tussen de inlichtingendiensten volgens een formule die al eerder met de Verenigde Staten was overeengekomen. Nederland droeg zijn steentje bij aan Soeharto's rust en orde in de archipel met de levering van korvetten en ander oorlogstuig. De Nederlandse militaire attaché in Jakarta - wie herinnert het zich nog - ging prat op zijn vriendschap met de chef van de gehate inlichtendienst en was met hem vaak op de golfvelden te vinden.
Wisten we dan echt niet wat er mis was met de mensenrechten in de archipel? Natuurlijk wel. Soeharto behoorde tot een selecte categorie van machthebbers in de derde wereld: 'A bastard, but our bastard.' Kritiek kon geleverd worden, mits die niet al te luid en openlijk klonk. We kregen uitgelegd dat dit in de wereld van Azië aan gezichtsverlies gelijk stond en dat hun elementaire waarden, zoals mensenrechten, anders luidden dan die waarvoor wij stonden. Bij mijn dorpsonderzoek op Java aan het begin van de jaren negentig stuitte ik op praktijken van dwang waaraan vrouwen onderworpen werden om het kindertal te beperken. Ik schreef daarover in OnzeWereld en kreeg heel vijandig commentaar. Pronk schortte in reactie op mijn berichtgeving de hulp aan het familyplanning-programma op tot grote woede van de Indonesische autoriteiten. Het was immers een affront voor de leider van de natie, liefkozend 'vadertje ontwikkeling' (bapak pemban gunan) genoemd, die net de U.N. Award van de Population Council had gekregen voor het succes bereikt met de daling van het geboortecijfer.
Aanklachten tegen het onrecht begaan in Indonesië, vanaf de progressieve kant van het politieke spectrum geuit, konden terzijde worden geschoven juist omdat critici al bij voorbaat met hun linkse praatjes de verdenking op zich hadden geladen niet 'objectief' te zijn. Wertheim, de voorzitter van het Indonesië-comité, was de man die toch al niet deugde vanwege zijn sympathie voor de manier waarop de sociale revolutie in China zich had voltrokken en zijn blindheid voor de excessen van het regime-Mao. En voor de uiteindelijk vrijgelaten Pramoedya Ananta Toer in Indonesië gold hetzelfde. Na ontslag uit langdurige detentie leek deze schrijver zijn recht op aanklacht verloren te hebben en kwam weer de herinnering op aan zijn bereidheid zich te lenen voor de gelijkschakeling van het schrijverschap in de tijd van Soekarno. De geloofwaardigheid van deze dissidenten was, met andere woorden, twijfelachtig. Maar Wertheim was wel een van de eersten die berichtte over de bloedbaden in 1965 en begin 1966 en hij was het ook die met vasthoudendheid naar bewijzen bleef zoeken voor de centrale rol van Soeharto bij de staatsgreep, feiten die overlevende getuigen inmiddels bevestigd hebben. Alleen daarom ben ik al blij dat hij niet kort na de vrijwording van 'onze' gordel van smaragd de bloempot op zijn hoofd heeft gekregen die Kousbroek hem als gebaar van genade toewenste.
De omdraaiing van het dominante beeld van Soeharto van de succesvolle staatsman die zorgde voor politieke stabiliteit en economische groei, tot hoofdman van een bende die de bronnen van de staat privatiseerde voor eigen gerief en profijt en zijn volk in terreur gevangen hield, is van vrij recente datum. Bij de diplomatieke omgangsvormen hoorde niet dat in die laatste termen over het hoofd van een bevriende mogendheid werd gesproken. We moesten er maar op vertrouwen dat eerst Van der Stoel, vervolgens Van den Broek en tenslotte Van Mierlo in hun gesprekken met Alatas - die al deze Nederlandse ambtgenoten versleten heeft - pijnlijke vragen op een delicate wijze aan de orde bleven stellen. Al die jaren werd hun minzaam duidelijk gemaakt zich niet met andermans zaken te bemoeien.
Terwijl het drama in Oost-Timor zich voltrok, sprak minister Van Aartsen een jaar geleden, mede onder verwijzing naar deze gebeurtenis, zijn irritatie uit over de manier waarop de haastige berichtgeving in de pers hem dwong aanstonds en publiekelijk stelling te nemen. Hij noemde dit de CNN-factor in het buitenlands beleid. Het is vandaag de dag maar lastig als minister zuiver en adequaat te moeten reageren op grove schendingen van mensenrechten, in plaats van op meer afstand je oordeel te mogen vellen en daaraan in behoedzaam diplomatiek overleg wel of geen consequenties te verbinden. Dezelfde minister heeft zich vorige week een pleitbezorger getoond van wat naar mijn mening een echte CNN-factor is. Namelijk het betrekken van het multinationale bedrijfsleven bij de Verenigde Naties om de private sector, gebaseerd op het welbegrepen eigenbelang, tot bondgenoot te maken bij de bestrijding van armoede in de wereld. Dus zoals de Nederlandse bedrijven zich in Soeharto's Indonesië voor dit mooie doel hebben ingespannen? Ik zie nog de heer Timmer voor mij, al weer drie Philips-managers terug, bij een van die op beeld vastgelegde zakenmissies in zijn fabriek in Soerabaja in hemdsmouwen en bretels op de werkvloer driftig rondstappen. Hij wijdde enthousiast uit over de arbeidzaamheid en gezeggelijkheid van de Philips-werknemers in dit lagelonenland, de laagste in Azië. Het Philips-bedrijf ligt dicht bij de plaats waar in 1993 Marsinah werd verkracht, gemarteld, vermoord en vervolgens als vuilnis werd weggegooid. De jonge fabrieksarbeidster had de moed om tegen het overheidsverbod in actie te voeren voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden en voor vrije vakbonden. Over die kant van de armoedebestrijding is het nooit gegaan in de lofzang van het Nederlandse bedrijfsleven op het gunstige investeringsklimaat - lage belasting en hoge winsten - onder de Nieuwe Orde.
Evenmin wordt momenteel in de Nederlandse media veel aandacht besteed aan de uitlevering van Indonesië aan het dictaat van de grote internationale instellingen, met de Wereldbank en het IMF voorop. Nederland is onder de huidige minister belast met de portefeuille voor Ontwikkelingssamenwerking een gulle geldschieter van beide instellingen geworden. Met slechts een summiere discussie daarover in het parlement zijn van de jaarlijks leningen en giften vele honderden miljoenen guldens geoormerkt voor hulpverlening aan Indonesië. Althans, zo wordt het genoemd. Maar de enorme armoede waarin een groot deel van de Indonesische bevolking is gedompeld, hangt ten nauwste samen met het monetair economische beleid ten dienste van westerse belangen dat op aanwijzing van deze instellingen wordt gevoerd.
Ik belijd graag mijn geloof in de vrijheid van de pers als een onmisbaar bestanddeel van een maatschappelijke orde die democratisch is ingericht. Zojuist heb ik aangegeven dat een vrije pers nog geen garantie is voor een kritische berichtgeving, het aanzetten van contrapunten in de beoordeling van het doen en laten van politici en beleidsmakers. Maar die vrijheid van meningsuiting, het vermogen om feiten te onderzoeken, te controleren en te publiceren, is wel een belangrijke voorwaarde ervoor. Nu kom ik terug op het punt waarmee ik begon, namelijk dat iemand anders hier had moeten zitten. Een Indonesische journalist, zoals Hersri die tegen de verdrukking in heeft meegewerkt aan de vergroting van de vrijheid van meningsuiting waardoor de studenten in beweging durfden te komen en Soeharto uiteindelijk, door binnenlands verzet en niet onder buitenlandse druk, tot aftreden gedwongen werd. Dat verzet van binnenuit is heel langzaam op gang gekomen.
Ik herinner me nog dat ik Hersri na zijn vrijlating in Jakarta thuis opzocht. Hij werkte aan het einde van de jaren tachtig aan de vertaling van een boek van mij. Hij moest zich niet alleen wekelijks bij de politie melden, maar ook werd iedere bezoeker van hem in de gaten gehouden, in de politiestaat die Indonesië toen was. Hersri had de moed om op te schrijven wat hem in gevangenschap overkwam en voor zijn indrukwekkende relaas verwijs ik naar de bijdrage die van zijn hand in Index on Censorship is verschenen. Journalisten leerden te schrijven op een manier die anders uitgelegd kon worden en tussen de regels feiten en meningen door te geven die het regime onwelgevallig waren. Nog iemand die dat met meer moed deed dan veel van zijn collega's was Goenawan Mohamad, de uitgever en hoofdredacteur van Tempo. Voor de manier waarop hij de smalle marges overschreed, is hij herhaaldelijk tot de orde geroepen en zijn blad werd zo vaak door een verschijningsverbod getroffen dat hij tenslotte de uitgave moest staken. In dit post-Soeharto-tijdperk komt Tempo weer uit, door Goenawan Mohamad in dezelfde kritische stijl geredigeerd als voorheen. Ik heb de organisatoren van deze bijeenkomst, gehouden ter onderstreping van het recht en de plicht van journalisten om in vrijheid nieuws te vergaren en te publiceren, hem genoemd als iemand die deze inleiding zou moeten geven. Ook om de indruk te vermijden dat in het Indonesië van vandaag het belang van persvrijheid begrepen noch gewaardeerd zou worden en zich slechts van buitenaf laat aanreiken. Voor de overgang van een militaire tirannie naar een civiele samenleving is de contramacht van het vrije woord van ongemeen groot belang. Besteding van Nederlands ontwikkelingsgeld aan ondersteuning van de persvrijheid in Indonesië zou geen gek idee zijn en al helemaal niet als die bijdrage gekort zou worden op het budget aan het IMF gegund. Wanneer ik bij nader inzien toch niet zo'n warm voorstander ben van die gedachte heeft dat te maken met de constatering dat veel van wat met het toverstokje van buitenlandse hulp wordt aangeraakt in het tegendeel verkeert: niet minder maar meer armoede, niet meer vrijheid maar meer gebondenheid.
Indonesië heeft een president die sukkelt. Niet alleen wat zijn gezondheid betreft, maar ook in politiek opzicht. Ik wens hem een lang leven toe, als mens en als president. Want met alle kritiek die op zijn leiderschap kan worden uitgeoefend, de man is een overtuigd democraat, een voorvechter van tolerantie en van vrijheid van meningsuiting en vereniging. Op dit punt zijn veel van zijn rivalen veel minder betrouwbaar of zelfs uitgesproken onbetrouwbaar. Het zijn de handlangers en bondgenoten van deze laatsten die belang hebben bij destabilisering van het broze tussenbewind dat gevolgd is op de val van Soeharto.
Sander Thoenes was geen held, maar iemand die als journalist fatsoenlijk zijn werk deed en onfatsoenlijk om het leven is gebracht. Dat lot is een ongehoord aantal mensen onder de Nieuwe Orde overkomen en bijna allen waren het Indonesiërs. Die misdaden zijn niet alleen in en sinds 1965 begaan in naam van Soeharto's moorddadige regime. Door elementen binnen en buiten het leger wordt dat vuile werk tot aan de dag van vandaag voortgezet.
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




