VN MediagidsPeter en Gerard van Straaten: 'Volgens ons is Van Gogh een prutser'

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

18.03.2005

Door Martje Breedt Bruyn

Ze waren met zijn vijven ‘en Rob, Jan en Herman konden óók goed tekenen.’ Maar Gerard en Peter van Straaten maakten er hun beroep van. De twee broers vinden het ‘ontzettend leuk’: een paar uur praten over elkaars werk.

Ze waren met zijn vijven ‘en Rob, Jan en Herman konden óók goed tekenen.’ Maar Gerard en Peter van Straaten maakten er hun beroep van. De twee broers vinden het ‘ontzettend leuk’: een paar uur praten over elkaars werk. Ze barsten los in herinneringen en overtreffen elkaar in complimenten, al is er ook plaats voor een kritische noot: ‘Heel wat van Peters figuren hebben twee linkerschoenen.’

Er waren eens vijf broers: Herman, Gerard, Rob, Jan en Peter. Toen ze klein waren zaten ze thuis in Arnhem vaak uren aan tafel te tekenen. Met Sinterklaas kregen ze geen kikkers van chocola in hun schoen, maar een bosje potloden. ‘Van Caran d’Ache,’ vertelt Peter van Straaten, de jongste. ‘Geen kleurpotloden in prachtige dozen, maar degelijke, okergele tekenpotloden.’ Papier en inkt waren er in overvloed, want hun vader was architect en had zijn kantoor aan huis. De zonen zagen hem en zijn medewerkers soms dagenlang achter tekentafels staan.

Jan is, net als zijn vader, architect geworden. Twee van de broers hebben van hun liefde voor tekenen hun beroep gemaakt: Gerard (1924) en Peter (1935). Al wilde Gerard ooit boswachter worden of zeeman, en Peter bioloog of acteur – ‘alle verlegen mensen willen op een podium staan’.

Peter heeft ook succes als schrijver, maar hij ziet zichzelf vooral als tekenaar. In zijn prenten schetst hij graag, licht melancholiek, het zorgelijke bestaan van volwassenen.

Kinderen kennen het werk van Gerard van Straaten. Hij maakte strips voor de Marten Toonder studio’s en illustreerde honderden kinderboeken, waaronder Dik Trom, Swiebertje en Pietje Bell. Maar Gerard van Straaten is vooral de man die de avonturen van de Friese tweeling Hielke en Sietse Klinkhamer en hun motorscheepje De Kameleon tekende. Generaties kinderen hebben die boeken verslonden, en Gerard gaf hun helden een gezicht. Gerard: ‘Ik hou eigenlijk helemaal niet van kinderen. Ze luisteren niet, zijn ongezeglijk, maar in je tekeningen kun je ze laten doen wat je wilt.’

In het Friese Terherne is het dorpje uit de boeken nagebouwd: Kameleondorp. Er staat een borstbeeld van Gerard. En in het ‘Ervarium’ is een Gerard van Straatenkamer ingericht, waar ook het werk hangt dat hem het dierbaarst is: forse olieverfschilderijen van zeilschepen op volle zee.

De broers delen een intense liefde voor de natuur, vogels, water – en boten. Gerard: ‘Vader hield zich intensief met zijn jongetjes bezig als ze zaten te tekenen. Hij leerde ons hoe het zat met de perspectief. Als je vroeg: vader, hoe teken je een reddingssloep schuin van voren, deed hij dat feilloos voor. En hij besprak de illustraties uit boeken die ik las. “Die schommel,— zei hij dan, “is verkeerd getekend,— en hij liet zien waarom. Heel waardevol.’

Peter: ‘En jij leerde dat later weer aan mij. Jij leerde me ook om met inkt te tekenen, want potlood kon niet worden afgedrukt, zoals jij al wist. Ik was pas zes, dus dat werd een enorm gespetter.’

Gerard: ‘Rob, Jan en Herman konden ook goed tekenen. Herman haalde op zijn eindexamen hbs een tien voor stereometrie, hij had een zeer goed ruimtelijk inzicht. Dat is schaars. Hoeveel illustraties zie je niet waarin een scène van bovenaf gezien is getekend? Dan gaat het vaak mis met de horizon – jou overkomt dat ook. Die horizon is er dan niet meer. Zoiets doe ik van nature goed.’

Peter: ‘Dat is ook niet te leren.’

Gerard: ‘Er kwam eens een meisje bij me langs met haar tekeningen. Ze was bij de Famous Artists geslaagd voor illustratief tekenen. Ik bekeek haar werk: huilen met de pet op. Schandalig, dat die leerlingen zo genept worden. Maar ja, met onkunde kun je miljoenen verdienen. Die tekenaar van Nijntje, Dick Bruna, die kan helemaal niet tekenen. De ogen van zijn konijn zitten verkeerd in de kop.’

Peter: ‘Hij heeft wel fraaie boekomslagen gemaakt.’

Gerard: ‘Max Velthuijs, die bij mij in Arnhem in de klas zat op de opleiding ‘de Kunstoefening’, kon ook niet tekenen. Voor de lol maakte hij eens een kikker, nog gepikt van Kermit ook, en daar kreeg hij succes mee. Ik ben jaloers op die gasten. Ze verdienen enorm, maar tekenen kunnen ze niet. Volgens ons’ – hij kijkt Peter aan, die weet wat er komen gaat en begint te lachen – ‘is ook Van Gogh een prutser. Dat beroemde straatcafé in Arles bij nacht, dat is zo lullig geschilderd. Maar Peter is grandioos.’

Gerard haalt een blaadje van Peters Zeurkalender 2005 te voorschijn, vrijdag 4 november, en barst los in een loflied. ‘Kijk nu eens, het meest minimale dat er getekend kan worden. Twee vriendinnen van een jaar of veertig babbelen met elkaar. Je ziet de vrouw des huizes op de rug, ze zit in zo’n moderne stoel. De schouderpartij is gedraaid, wat wordt gecompenseerd door de draaiing van het hoofd, en schitterend geaccentueerd door dat kettinkje. Haar vriendin, die het leven kennelijk ook niet zo ziet zitten, heeft haar dure jas over de leuning van de stoel gehangen. Moet je kijken, haar decolleté! En die pump van de gastvrouw, met zo’n enorme hak! Ook een sloerie natuurlijk, de kat zoekt zijn heil maar vast elders. Er zit diepte in, vanwege het raam, en een gearceerde muur waarbinnen een wit vlak is uitgespaard. Daar kun je van alles bij fantaseren. En dan dat onderschrift: “Schat, doe het niet. Het is nu geen gunstige tijd om te scheiden.— Wie kan zoiets? Alleen Peter.’

Peter hoort het licht gegeneerd aan. Een paar dagen voor het gesprek, toen hij zijn wekelijkse politieke prent voor VN kwam inleveren, had hij verbaasd gezegd: ‘Weet je, mijn broer Gerard belde me op. Voor het eerst van mijn leven maakte hij me een compliment. Voor de prent van 4 november.’

Peter gaat in op zijn voorliefde voor arceren: ‘Dat geeft een tekening zoveel stevigheid. Ik heb moeite met geheel zwarte vlakken, dat doe ik nooit. Ik heb wel geleerd dat je degene die aan het woord is een zwart accentje moet geven.’ Gerard: ‘En je moet het aan het mondje kunnen zien, natuurlijk.’

Peter: ‘Als jongen wilde ik net zo’n tekenaar worden als Gerard. In mijn laatste jaren op de kunstnijverheidsschool in Amsterdam kreeg ik wel eens een opdrachtje van hem, als Gerard geen tijd had. Prentjes maken van wat er in een bepaalde streek te doen was: een jaarmarkt, schapen scheren, pannenkoekenhuizen. Ik bakte er niets van.’ ‘Jezus,’ valt Gerard in, ‘ik zag dat en riep: ik moet het verdorie weer zelf doen.’ Peter: ‘Ik vond dat ik geen talent had voor de dingen die je op die academie moest doen, ik wilde iets anders proberen. Gelukkig was daar docent Lex Metz. Hij zag dat er een journalistieke tekenaar in mij school. Hij kwam aanzetten met de illustraties van Gustave Doré: “Zo moet het, Peter! Even het grote voorbeeldenboek erbij.— ‘

Gerard: ‘Ik ben op de expositie van Peters eindexamenwerk geweest. Prachtig werk, bijna cum laude.’

Peter: ‘Sommige dingen kan ik niet goed, zoals perspectief. En ik kan niet naar model of naar de natuur tekenen, ik moet het uit mijn hoofd doen.’

De oudere broer blijft altijd de oudere, de jongste is eeuwig het nakomertje. Ook bij de Van Straatens, zoals in de loop van het gesprek zichtbaar wordt. Gerard wordt steeds spraakzamer en domineert de discussie, terwijl Peter zich dat laat welgevallen. Onvoorstelbaar dat Gerard bij het begin van het gesprek nog liet weten dat hij tot zijn zestigste ‘een zwijgzaam figuur’ was. Enthousiast geeft hij, met zijn eenentachtig jaar, hoog op van zijn kleine broertje: ‘Hij heeft zoveel briljante dingen gemaakt. Neem dat stel aan de Côte d’Azur. Ze genieten hoog in zo’n stadje, bestraat met bobbelkeitjes, van het uitzicht. In de diepte zien ze een oud wijfje met een takkenbos op haar rug dat even uithijgt van het sjouwen. Zegt de vrouw: “Hans,— – of Richard, of hoe die mannen bij Peter heten – “zou je niet eens een briefje aan je moeder schrijven?— En denk aan die patser die met zijn verkreukelde vrouw op een bank in een chic interieur zit. De manier waarop hij haar verachtelijk aankijkt!’

Peter, bescheiden: ‘Gerard is een écht talent. Dat precieze, die beweging in zijn tekeningen, de golven, het water – dat kun je nergens leren. Al was jouw opleiding veel gedegener dan de mijne.’

Gerard: ‘Ze zagen in mij een na-aper van Anton Pieck. Dat vond ik het ergste van het ergste.’

Peter, instemmend: ‘Doeve, Jo Spier, daar moest je ook op mijn opleiding niet mee aankomen. Volgens mij is tekenen een kwestie van afkijken. Als jongens waren wij gek op Prins Valiant, Ridder zonder Vrees, van Harold Foster. Die strip stond in het blad Sjors, bijgevoegd bij Panorama. Valiant leefde zeer bij ons thuis, Gerard en ik hebben hem beiden terdege bestudeerd. We vochten erom wie een nieuwe aflevering als eerste mocht bekijken.’

De Kameleon, volgens Hotze de Roos, de schrijver van de serie ‘een lompe maar sterke motorboot’, heeft Gerard getekend als een knikspantje. In de film De gelukkige hand, die Pieter Verhoeff vanwege ‘Peter 70’ heeft gemaakt, zie je Peter werken aan een politieke prent voor VN. Overheersend in het kader is de massief oprijzende boeg van een gigantisch schip. De naam, in witte letters uitgespaard in een zwart vlak: NEELIE. Het gevaarte wordt voortgeduwd door een klein bootje, met Balkenende aan het roer. Dat scheepje lijkt sprekend op De Kameleon. Een knipoog naar de creatie van zijn broer? Peter haalt zijn hand door zijn volle haardos en zegt: ‘JPdeMP bestuurt inderdaad een knikspantje. Dat moet je zien als een citaat, een stijlcitaat. Ik heb er niet bewust over nagedacht, bij bootjes denk ik altíjd aan Gerard. Die tekening heeft trouwens nooit de krant gehaald. Een dag later werd Theo van Gogh vermoord, ik heb hem vervangen door een actuele prent. En de week daarop was de benoeming van Neelie erdoor.’

Gerard: ‘Ik heb een boek gemaakt van al mijn maritieme tekeningen, Bootjes kijken met Gerard van Straaten. Wat doe je als je in een haven ligt? Bootjes bekijken, natuurlijk. Het is in oblong formaat, met commentaar erbij. Het opent met een artikel van Paul Steenhuis. Daarin staat alles wat er over mij en boten te zeggen is.’

Peter, verrast: ‘Dat wist ik niet. Is het uitgegeven, is het verkrijgbaar?’

Gerard: ‘Ik had het aan een uitgever aangeboden. Plotseling kreeg ik een enorme stamp geld op mijn rekening van een andere uitgever, Unieboek. Ik belde daarover op, en ze reageerden hartstikke blij. Ze waren dat geld kwijt. Het was bestemd voor onze neef Harmen van Straaten (zoon van broer Rob), ook een illustrator. Nadat ik het bedrag had teruggestort, dacht ik, ik bied Unieboek mijn boek aan. Desnoods als pr-object. Heel veel mensen hebben iets met de watersport en ik zou me zeer vereerd voelen.’ Hij haalt droevig zijn schouders op: ‘Het werd niks. In dat boek, Peter, staat trouwens als openingsblaadje een brief van jou aan mij. Daarin bedank je me voor het toezenden van het door mij geïllustreerde boek De horizon zeilde mee.’

Peter: ‘Mensen vragen mij weleens: die en die neemt afscheid, wil je een cartoon voor hem maken? Dat kan ik niet naar foto’s, het lijkt nooit.’

Gerard: ‘Teken je al die politieke cartoons uit je hoofd? Als ik denk aan Bij ons in het dorp, over de verkiezingen van 1977, het is om je te bescheuren over wat er allemaal gebeurt in dat verhaal.’

Peter: ‘Ja, dat boek heeft heel goed gelopen. Maar het boek over de volgende verkiezingen, waarvoor ik veel van Harold Foster had geleend, is bijna in zijn geheel bij De Slegte terechtgekomen. Het derde trouwens ook.’

In een interview met zijn vrouw Els Timmerman zei Peter: ‘Mijn vrije werk uit de jaren vijftig en zestig lijkt op dat van Gerard. Op tekengebied heb ik hem als kleine jongen schaamteloos geïmiteerd.’

Peter, nu: ‘Het líjkt er niet op. Maar ik deed wel mijn best. Iedere keer als ik een zogenaamde vrije tekening maakte, was het commentaar: waar is dat voor? Het leek altijd een illustratie.’ Peter herhaalt nog eens zijn zwakke punten: auto’s, fietsen, naar model tekenen. En zijn zeilboten, heeft hij gehoord, hebben veel te hoge masten. Gerard voegt daaraan toe dat Peter ook heel wat personen heeft getekend met twee linkerschoenen. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘geen auto’s, geen fietsen, wat maakt het uit. Al die andere dingen, plus die teksten, dat is toch fantastisch.

Kijk naar de prachtige schoolplaten van J.H. Isings. Die zijn allemaal getekend alsof je als kijker in het publiek staat. De horizon is verkeerd, de camera-instelling zou veel hoger moeten zijn. Isings had nog een andere afwijking: al zijn figuren hebben te korte onderbenen. Nu ja, alle tekenaars hebben wel een makke. Daar komen ze maar niet van af. Ikzelf tekende aanvankelijk de afstand van oog naar oor te kort. Dat geeft rare koppen. Je moet er echt hard aan werken om dat beter te maken.’

Peter: ‘Iemand als Rien Poortvliet deed het allemaal met behulp van een camera.’

Gerard: ‘Ik heb een archief. Bij mij moet ieder detail kloppen. Het staat bol van de tekeningen uit de Saturday Evening Post en Collier’s. En The Illustrated London News, met die bruine foto’s en gekleurde platen: om je vingers bij af te likken.’

Peter: ‘Weet je nog? Wij hadden vroeger thuis een boek met alleen tekeningen over de Eerste Wereldoorlog. Dat was van Rob. Fantastisch, we hebben het verslonden.’

Gerard: ‘Ik heb voor Rob een keer een torpedoboot geschilderd. Rob was botengek, hield van oorlogsbodems en marineschepen. Hij wilde marine-officier worden, maar is afgekeurd vanwege zijn ogen.’ Grommerig: ‘Maar hij is wel opgeroepen om in Indië te gaan vechten. Dat heeft hij gedaan. Hij kwam er behoorlijk ontregeld van terug.

Voor de oorlog,’ herinnert Gerard zich, ‘had vader een opdracht voor een bankgebouw in Vlissingen. Hij ging er naartoe en zei bij terugkomst: “Vlissingen is leuk! Daar hebben ze schitterende loodsboten.— Vader had ook iets met boten. Hij boekte daar hotel Oosterhuis, waar we tijdens vakanties vaak logeerden. Als het regende zaten we allemaal binnen boten te tekenen. Elke dag kwam de Engelse mailboot langs, met twee van die schuine pijpen. Met een noodgang, hij maakte grote golven, je kon die boot op de fiets niet bijhouden. Weet je dat nog, Peter?’ Nee, Peter was te klein.

Peter heeft weleens gezegd dat hij graag een boek zou tekenen dat alleen over water gaat. ‘Met de pen, en dan al die golfjes en spiegelingen...’

Peter: ‘Waanzinnig. Een zeer ambitieus plan.’

Gerard: ‘Het uitvoeren van zo’n plan is gewoon hard werken. Zwoegen.’

Gerard ziet het voor zich, Peter niet: ‘Echt iets voor mijn oude dag. Els heeft weleens gezegd: teken je memoires! Dat komt er óók niet van.’

 





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?