VN MediagidsN+1: ‘Hip is dood’
10-11-2007
Door Rudie Kagie
Zo’n feestje als gisteravond zouden ze eigenlijk niet te vaak moeten doen. Kijk die hoofdjes toch eens. Asgrauw, met vleeskwabben die vermoeid onder de oogkassen hangen. Oh boy, zelfs nu de zondagmiddag een aflopende zaak is, weigeren de katers te verdwijnen.
‘Het was fun,’ kreunt de drieëndertigjarige succesauteur Benjamin Kunkel. Zijn romandebuut Indecision werd in zestien vertalingen uitgegeven en nu werkt meneer simultaan aan een toneelstuk, een filmscript en een verhalenbundel. Kunkel ziet eruit als een vervloekte dichter die zichzelf wat meer zonlicht zou moeten gunnen, maar heeft zich desondanks naar een morsig kantoorhok in Chinatown gesleept voor de redactievergadering van het literaire tijdschrift n+1. Onderuitgezakt in een fauteuil onderdrukt hij een geeuwtje.
‘Ja,’ beaamt collega-redacteur Keith Gessen (32), ‘het was fun. Zonder meer.’
Dat wil zeggen, het was weer zo’n typisch New Yorks partijtje voor vrienden en bekenden geweest. Voor buitenstaanders viel er nauwelijks lol te beleven temidden van de anonieme meute, ook al omdat elke poging tot gesprek in pneumatisch kabaal uit manshoge speakerkasten werd gesmoord. Ondanks lauwe slobberwijn uit vreugdeloze weggooibekertjes zagen de genodigden er allemaal okselfris uit, alsof ze net onder de douche vandaan kwamen. Aanleiding voor dit carnaval der ijdelheden was de lancering van Paper Monument, ‘a journal of contemporary art’, geafficheerd als ‘het zusterblad’ van n+1. De twee grondleggers van het nieuwe tijdschrift kweten zich met zoveel vlijt van hun medewerking aan het door plaatsgebrek geplaagde n+1, dat ze net zo goed hun eigen blad konden beginnen. Waarom niet? De drukkosten vallen reuze mee. Het redigeren van zo’n periodiek is bovenal een kwestie van doorzettingsvermogen en smaak. Dat de samenwerking tussen n+1 en Paper Monument de aanwezigheid van een nieuwe stroming in de Amerikaanse letteren en beeldende kunst suggereert, is en passant mooi meegenomen.
‘Ik denk niet dat één ander literair tijdschrift party’s voor jonge lezers organiseert,’ zegt n+1-redacteur Marco Roth. ‘In de Verenigde Staten in elk geval niet. Misschien in de hele wereld niet.’
‘Al zenden we met die feesten van ons natuurlijk een verkeerde boodschap uit,’ vindt Keith Gessen. ‘De indruk zou kunnen ontstaan dat we een jong, hip blad maken, terwijl lifestyle precies het tegenovergestelde is van wat we beogen. Het lijkt er soms op dat onze generatie alleen nog interesse heeft voor internet, bioscoop en videoclips, maar er zijn nog steeds jonge intellectuelen die graag lezen, debatteren en nadenken. Dat is de groep waar n+1 zich op richt. We zijn tégen vrijblijvend geleuter en oppervlakkig vermaak. Niemand weet welke culturele variant op termijn de meest dominante zal zijn. Gaan mensen over vijftig jaar nog naar de bioscoop? Ik zou het niet weten.’
‘Hip is dood,’ vult redacteur Mark Greif aan. ‘New York meende ooit dat het hip was om buurten als etnische enclaves te beschouwen. Dat was het begin van het einde. Wij willen een tijdschrift maken dat nadrukkelijk niet hip is.’
‘Maar wél voor een tegencultuur staat,’ zegt Marco Roth. ‘Dat was de reden om met n+1 te beginnen: een platform creëren voor artikelen die buiten het kader van de bestaande bladen vallen. Een intelligent essay over een hedendaags onderwerp druist eigenlijk al tegen de heersende cultuur in. Intelligente stukken gaan doorgaans over geschiedenis. Het is een uitdaging om hoogstaand over lagere cultuur te schrijven. Luchtig over zware onderwerpen schrijven en zwaar over luchtige onderwerpen, dat is de kunst. Dat proberen we te doen.’
Geldproblemen
Dan is het tijd voor de maandelijkse redactievergadering. Die verschilt bij n+1 niet wezenlijk van het collectieve overleg dat elders in de vrije wereld de illusie in stand houdt dat het maken van een blaadje een hoogst democratische aangelegenheid is. Mark Greif, de enige niet-New Yorker in het gezelschap, kwam voor de gelegenheid met de bus uit Boston. Formeel voert hij samen met Keith Gessen de hoofdredactie, maar vanmiddag soleert hij als voorzitter. Boven aan de agenda staat het prangende onderwerp ‘geldproblemen’, gevolgd door het nog te schrijven ‘ten geleide’ voor nummer zes, waarvan het zetsel aanstaande woensdag bij de drukker moet liggen. Punt drie op de agenda is de tournee die redacteuren langs de Westkust van de Verenigde Staten gaan maken, ten einde terrein te winnen op het concurrerende literaire blad The Believer, ‘our enemy’, volgens Greif. Vervolgens zal de redactie ideeën voor publiciteit uitwisselen. Dan moet er nog worden doorgenomen welke uitnodigingen er liggen om te participeren in panelbijeenkomsten en debatten, gevolgd door informatie over de master class creative writing die n+1 houdt voor studenten van de Columbia-universiteit. Het laatste punt vóór de rondvraag betreft het pamflet (onderwerp: Boeken Waarvan Je Spijt Hebt Dat Je Ze Niet Eerder In Je Leven Hebt Gelezen) dat onder auspiciën van n+1 in een oplage van zestigduizend exemplaren gratis onder studenten in New York verspreid gaat worden.
Alle redacteuren vergaderen leuk mee, met uitzondering van Benjamin Kunkel. Die mompelt af en toe instemmend, tot weinig anders in staat vanwege feestelijkheden die hem tot het krieken van de ochtend wakker hielden.
Solidariteit onder schrijvers
De late jaren negentig van de vorige eeuw vielen in de Verenigde Staten samen met een explosieve bloei van literaire bladen, een genre dat tot de wat stoffige tak van de letterkunde was gaan behoren. The Baffler, McSweeney’s, Lingua Franca en Feed zouden bewijzen dat er wel degelijk een markt was voor een tijdschrift met goedgeschreven proza en slimme essays, zónder rekening te houden met de visueel ingestelde lezer die zeurt dat er plaatjes in moeten omdat plaatjes de ‘toegankelijkheid’ vergroten. Hoewel niet alle nieuwe uitgaven stand hielden, was het duidelijk welk signaal van deze impuls uitging. Juist in tijden waarin geklaagd wordt over het gebrek aan diepgang bij de steeds snellere media, groeit de behoefte aan drukwerk dat de essentie van het bestaan aanroert. Dave Eggers, die in zijn roman A Heartbreaking Work of Staggering Genius het magazine al had neergezet als wapen voor het bevechten van revolutionaire veranderingen in de samenleving, gaf zelf het voorbeeld door de oprichting van het hilarische kwartaalbad McSweeney’s. Zijdelings is hij betrokken bij The Believer, dat mede door zijn echtgenote wordt gemaakt.
Het rek met literaire bladen bij de Amerikaanse boekhandel is weldadig gevuld, maar dat nam niet weg dat drie jaar geleden onder de titel n+1 een nieuwkomer zijn opwachting maakte. In het eerste nummer trok de redactie meteen van leer tegen ‘tiener-idool’ Dave Eggers en diens McSweeney’s, dat zou vlassen op het behagen van een jeugdig publiek. Zelf doet n+1 geen enkele moeite om door uitzonderlijke vormgeving in de smaak te vallen bij welke doelgroep dan ook. Het tijdschrift is een paperback, met eventueel wat kleur verstopt in het zakelijke omslag. Het grijze binnenwerk wordt hier en daar hooguit opgeleukt door een zwart-witillustratie. De polemiek wordt allerminst geschuwd, al vertelt Marco Roth na afloop van de redactievergadering dat het blad zich met zijn aanval op Dave Eggers wel degelijk kwetsbaar opstelde. Zodra er een nieuw nummer van de persen is gerold, reist Roth met een stapeltje exemplaren de kwaliteitsboekhandels van New York en omgeving af. Tot zijn verbazing ving hij onlangs bot bij een alleraardigst winkeltje in Brooklyn dat het vileine stuk dermate sneu voor Eggers vond dat het n+1 nog langer weigert te verkopen.
‘Dat bewijst het onderontwikkelde niveauvan de literaire polemiek in ons land. Kritiek wordt met haat verward,’ vindt Roth. Het gemis van een debat was een van de redenen om het tijdschrift te starten. ‘Er bestaat een soort solidariteit onder schrijvers die tot kortzichtigheid leidt,’ zegt mederedacteur Chad Harbach. ‘Literaire kritiek is zelden echt fel. Er heerst op dit moment een stemming waarin schrijvers, of ze het met elkaar eens zijn of niet, de rijen sluiten. Ze zijn opmerkelijk aardig voor elkaar, waarschijnlijk omdat het boek wordt bedreigd doordat nieuwe media zo in opkomst zijn. Natuurlijk slaat dit nergens op, voor ons reden temeer om dit fenomeen in n+1 aan de kaak te stellen.’
Alles zelf
In het allereerste nummer rechtvaardigde n+1 zijn urgente bestaansrecht onder verwijzing naar de noodzaak ‘om te zeggen wat je werkelijk vindt’. Ook jonge intellectuelen hoeven er zich niet voor te schamen dat ze boeken lezen en dat ze hun klassieken kennen. Om een bijdrage te leveren aan het misverstand dat alle auteurs die er werkelijk toe doen inmiddels dood en begraven zijn, hanteert n+1 de stelregel dat het nooit beschouwingen zal publiceren over auteurs die dood en begraven zijn. Gezien de ijver van de zes redacteuren resteert er nauwelijks ruimte in het blad om kopij van anderen af te drukken, maar sommigen beschouwen publicatie op de website als een minstens zo eervolle blijk van erkenning. Jargon, belangrijkdoenerij of populisme zijn taboe. ‘Een journalistieke benadering van de wetenschap en een wetenschappelijke benadering van de journalistiek’, dat soort stukken, daar lust Keith Gessen wel pap van. Trouwens, zou de bezoeker ruimte in de koffer hebben om een stapeltje exemplaren van Paper Monument en n+1 mee te nemen voor boekhandels in Amsterdam en omstreken? De zes redacteuren doen namelijk alles zelf, inclusief het werven van advertenties die vijfhonderd dollar per pagina kosten. Het was een bewuste keuze om het periodiek in eigen beheer uit te geven, want onder de paraplu van een groot concern is het vrijwel ondoenlijk om gedetailleerd greep te houden op het eindproduct. Bovendien zou het collectief dan de halfjaarlijkse rit met de gehuurde vrachtwagen missen om bij de drukker in Pennsylvania de oplage van het nieuwe nummer op te halen.
Boven een Aziatisch gerecht dat in een van de restaurants nabij het redactielokaal aan Christy Street in dampende porties wordt uitgeschept, voorspelt Chad Harbach dat het blad binnen vijf jaar van de zevenduizend verkochte nummers nu zal stijgen tot twintigduizend.
‘Zodat we een aantrekkelijke partner zijn om door een grote uitgeverij te worden overgenomen,’ grapt Mark Greif.
‘Ja, die biedt ons dan een paar miljoen,’ vult Keith Gessen aan. ‘En dat aanbod wijzen we dan uiteraard af. Met als gevolg dat we onszelf ontzettend rijk gaan voelen.’
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




