VN MediagidsLeven na de suikerbiet, De mannen van de CSM-fabriek
Samenleving 19.11.2005
19-11-2005
Door Thijs Niemantsverdriet
Ze hadden functies met archaïsche namen als ‘werkmeester’, ‘wachtchef’ en ‘voorman verdamping’. Tot de CSM-fabriek negen maanden geleden moest sluiten. Vrij Nederland zocht de ex-werknemers van de Bredase suiker fabriek op. ‘Toen de bietenwagens begonnen te rijden voor de campagne van de concurrent, had ik het even héél moeilijk.’
Op donderdag 6 januari 2005 riep de directie van bietenverwerkingsfabriek Wittouck in Breda het voltallige personeel naar de bedrijfskantine. De stemming op industrieterrein De Zoete Inval was opperbest: twee weken eerder was de suikercampagne afgerond, succesvoller dan ooit tevoren. 873.000 ton bieten was in eenentachtig dagen tot glanzende suiker verwerkt, met niet één storing in het kookstation, het ketelhuis of de broeitroggen. De werknemers hadden een welverdiende vakantie achter de rug. Ze maakten zich op voor het jaarlijkse grote onderhoud aan de machines.
Achter een grote tafel zaten de fabrieksdirecteur en het hoofd van CSM Suiker. Hun gezichten stonden gespannen. Ze waren overduidelijk niet naar Breda afgereisd om over koetjes en kalfjes te praten. Toen alle honderdvijfentwintig werknemers had plaatsgenomen op speciaal aangerukte plastic klapstoeltjes, deden de heren op afgemeten toon hun mededelingen. De fabriek ging dicht. De suikerproductie werd verplaatst naar Groningen. De campagne van 2004 was Breda’s laatste geweest. Alle medewerkers zouden hun baan verliezen.
Het was halfvier ’s middags.
‘Dood- en doodstil was het,’ zegt reparatiemonteur Ludo Bekers (veertien dienstjaren). ‘Niemand kwam op het idee om vragen te stellen. Die kwamen pas na afloop.’
Wachtmeester Geert Roosendaaal (drie dienstjaren): ‘Iedereen was lamgeslagen. We dachten altijd: zo’n grote, machtige fabriek die al honderddertig jaar oud is, die houdt nooit op te bestaan.’
‘Het was net een sterfgeval,’ zegt elektromonteur Leon Peijen (vijftien dienstjaren). ‘Ook al weet je dat iemand doodgaat, het moment dat je het nieuws krijgt, is spijkerhard.’
Om vier uur was de sessie ten einde. De werknemers mochten naar huis. Drie kwartier eerder dan gebruikelijk, opdat het thuisfront niet zou worden overvallen door het nieuws op televisie. De volgende dag kreeg iedereen vrij.
Negen maanden later is de sluiting van fabriek Wittouck nagenoeg voltooid. De directie van CSM Suiker is ‘behoorlijk tevreden’. De operatie verliep vlotter dan verwacht, meldt de chef personeelszaken: zeker een paar weken sneller dan de laatste grote sluiting bij CSM, veertien jaar geleden in Halfweg. ‘Bedrijfseconomisch gezien’ was het een noodzakelijk besluit. CSM, zo zegt hij, kan de verlaging van de Europese suikerprijzen met vertrouwen tegemoet zien.
Maar hoe is het met de honderdvijfentwintig mannen op de klapstoeltjes?
Vier maanden lang zaten ze in onzekerheid, terwijl de directie en de bonden onderhandelden over een sociaal plan. Toen begonnen de gesprekken. Eén voor een werden ze ontboden bij de directeur en de personeelschef om te horen of er nog toekomst voor ze was bij CSM. Na twee weken was iedereen op de hoogte gebracht van zijn lot.
Vrij Nederland zocht, negen maanden na de onheilstijding in de bedrijfskantine, de mannen van CSM op. Om te praten over het post-suiker-tijdperk waarin ze tegen wil en dank zijn beland. Over de goede moed waarmee ze een nieuwe professie hebben omarmd, of de vruchteloosheid van hun zoektocht naar werk.
Rond hun twintigste zijn ze er komen aanwaaien, de mannen van fabriek Wittouck. Ze kwamen van de lts of de mts. Ze hadden hun dienstplicht vervuld, een poosje op een andere fabriek gewerkt, bestellingen rondgebracht voor een supermarkt, gevaren met de marine. Totdat de bieten begonnen te lonken. Vaak zat het suikerambacht in het bloed: vaders, ooms en oudere broers werkten al voor CSM. Dus meldden ze zich aan als jongste hulpje in de bietencampagne. Het jaar daarop waren ze er weer, want het bleek verdomd leuk werk te zijn. Dan kwamen ze in vaste dienst. Heel eenvoudig ging dat: geen motivatiebrief of curriculum vitae, laat staan een tweede sollicitatieronde. Gewoon bij de baas op kantoor komen, zeggen dat je wilde blijven en een papiertje tekenen.
Wie eenmaal op de bietenfabriek belandde, wilde er niet meer weg. De dienstverbanden bij CSM waren van een adembenemende lengte: veertien jaar, zesentwintig jaar, negenendertig jaar. Op de werkvloer telde je niet mee als je niet ruimschoots in de dubbele cijfers zat. ‘Suiker plakt,’ heette dat.
Ze bleven plakken vanwege de campagne. Drie maanden per jaar, vanaf half september, draaide de fabriek volcontinu. Elke drie minuten arriveerde er aan de poort een kiepwagen tjokvol suikerbieten uit Zeeland, Brabant of Limburg. Uit de schoorsteen gulpte onophoudelijk de weeïge walm van gekookte bieten die in Breda en omstreken gehaat én bemind werd. Rond Kerstmis, als de campagne was afgelopen, zaten de twee silo’s aan het spoor tot de nok toe gevuld met suiker.
In die drie maanden bestond het leven van de CSM-mannen uit maar één ding: de suikerfabriek. Ze werkten in drie ploegendiensten van acht uur: ’s ochtends, ’s middags of ’s avonds. Zeven dagen op, twee dagen af. Ze hadden functies met archaïsche namen als ‘werkmeester’, ‘wachtchef’ en ‘voorman verdamping’. Onderling heerste een geweldige loyaliteit. Ziekteverzuim? Vergeet het maar – wie thuis bleef met een griepje wist dat een collega moest komen opdraven. Onverwacht een technisch mankement? Dan bleven ze langer – dat hoefde niemand te vragen. Grappenmakers beleefden hun finest hour, want iedere dag werd er wel een geintje uitgehaald. De deurkrukken onder het vet. Perspulp in de zakken van iemands overall. Broekspijpen dichtgenaaid.
Maar het mooiste was de tijd dat er géén campagne was. Negen maanden per jaar lag de fabriek stil. Dan pleegden de monteurs op hun dooie akkertje onderhoud aan de pompvaten, de voorwastrommel of de diffusietoren. Wanneer, dat mochten ze zelf weten. Hoe, dat mochten ze ook zelf weten. Als het maar gebeurde. Tijdens de intercampagne was het vrijheid troef. En die vrijheid schiep, paradoxaal genoeg, een groot gevoel van verantwoordelijkheid. Wie de mannen van Wittouck hoort praten over hun machines, krijgt bijna de indruk dat bij de CSM, hoofdrolspeler op de Amsterdamse Euronext, sprake was van collectief bezit van de productiemiddelen. ‘Het was ons fabriekje, en dat hoorde lekker te draaien,’ zegt de een. ‘Wanneer tijdens de campagne iets niet goed ging, dan zorgden we dat het volgend jaar beter liep.’
‘Als er iets stuk was aan de machines, trokken wij ons dat als monteurs enorm aan,’ zegt een ander. ‘In september begon alles ineens te stomen, te blazen, te kraken en te piepen,’ zegt de derde. ‘Wat een prachtig spel was dat.’ En de laatste: ‘Ik was constant met mijn gedachten bij de fabriek. Als ik thuis was en geen rookpluim uit de schoorsteen zag komen, belde ik onmiddellijk op om te vragen wat er aan de hand was.’
Elektromonteur Leon Peijen wist meteen wat hem te doen stond in januari: zo snel mogelijk wegwezen. Vijftien jaar had hij gewerkt op de fabriek, met grote liefde voor het suikervak (en de vele vrije dagen buiten de campagne). Vijftien campagnes had hij tussen de dampende ketels van het kookstation gestaan, vijftien keer had hij alle machines uit elkaar gehaald en ieder moertje en lagertje onderworpen aan inspectie.
Terwijl hij de bedrijskantine verliet, overdacht Leon de mogelijkheden. Misschien dat CSM hem vervangend werk zou aanbieden in de aanpalende specialiteitenfabriek, waar vloeibare suiker, appelstroop en basterdsuiker worden gefabriceerd. Die bleef wél open. Maar daar zat hij niet op te wachten. Niet omdat hij CSM geen warm hart toedraagt. Integendeel, de suiker zit Leon in de genen. Zijn vader werkte drieënveertig jaar voor CSM, zijn broer zevenentwintig, en hijzelf werd zevenendertig jaar geleden op het fabrieksterrein verwekt, op de plaats waar nu het kookstation staat. Maar de rest van zijn leven doppen op strooppotjes schroeven, dat ging zelfs een geboren CSM’er als Leon te ver.
Gelukkig had hij het onheil zien aankomen. ‘Er werd al decennialang gefluisterd over een sluiting,’ zegt hij. ‘Toen mijn vader in de jaren vijftig ging werken vooe CSM, was het al onderwerp van gesprek op de werkvloer. En toen mijn broer in dienst trad, zeiden ze ook: wat kom je doen? Die fabriek gaat toch binnenkort dicht.’
In de avonduren haalde Leon daarom zijn makelaarsdiploma. ‘Ik moet iets achter de hand hebben, dacht ik. Stel dat de fabriek ooit sluit, dan begin ik voor mezelf in het onroerend goed.’ Aldus geschiedde. Leon wisselde zijn blauwe monteurstuniek in voor een pak en schreef zich in bij de Kamer van Koophandel van Breda. Hij liet briefpapier maken, bouwde een website en huurde een kantoor in Oosterhout. Begin oktober plantte hij een bord met de tekst ‘Te koop’ in een voortuin in de Bredase voorstad De Haagse Beemden. Zijn nieuwe bestaan was een feit.
‘Het zal een jaar of drie, vier duren om een stevige klantenkring op te bouwen,’ zegt Leon terwijl hij zich opmaakt voor zijn tweede huisbezichtiging als zelfstandig makelaar. Niets in zijn voorkomen doet nog denken aan de fabrieksmonteur die hij tot enkele maanden geleden was. Hij is gekleed in een onberispelijk zwart pak en zachtroze overhemd, onder zijn arm heeft hij een leren mapje met paperassen. Zijn schoenen zijn keurig gepoetst. ‘Als ik straks twintig huizen per jaar verkoop, kan ik er goed van leven. Tot die tijd doe ik zo nu en dan een hypotheek voor de baas van mijn vrouw.’ Hij loopt door het huis om te kijken of alles in goede staat is, links en rechts een lade of een gangkast opentrekkend. ‘Ik had nooit voor mezelf kunnen beginnen als ik geen ontslagvergoeding van zeventigduizend euro had gekregen. Maar het is ook een kwestie van initiatieven nemen. De oudere werknemers bleven allemaal veertig jaar plakken. Als ze dat niet hadden gedaan, stonden ze nu niet aan de lopende band in de specialiteitenfabriek.’
Leon Peijen was een van de jeugdige werknemers van fabriek Wittouck – met zevenendertig jaar behoorde je bij CSM tot de sectie jong grut. De meeste van zijn leeftijdgenoten hebben weinig moeite gehad om elders emplooi te vinden. Jazeker, ze waren geschokt door de sluiting. Maar ze konden zich een toekomst voorstellen zonder CSM. Nog voordat het bedrijf in mei ontslag voor ze aanvroeg, hadden ze vaak al een nieuwe baan. Dat geldt ook voor Ludo Bekers (35), sinds zijn eenentwintigste in dienst van de fabriek. Tijdens de campagne werkte hij in de centrale bedieningskamer, in de tussenliggende maanden zat hij in de reparatieploeg van het ketelhuis. ‘De laatste campagne was de mooiste van mijn leven,’ zegt Ludo in het huisje op het Zeeuwse eiland Tholen, waar hij met zijn vrouw woont in het gezelschap van twee honden, een fret, vier konijnen en vier shetlandpony’s. ‘Ik was drie maanden lang surveillant over de sapzuivering en de verdamping. Nog nooit heeft mijn werk me zoveel voldoening gegeven als toen.’
Op het erf van Ludo’s huis is CSM nog nadrukkelijk aanwezig. Het gietijzeren tuinhek laste hij tijdens de dode uren op de fabriek, het walnootboompje in de ponyweide kreeg hij cadeau van zijn collega Henk Flipsen. Maar bovenal zie je vanuit de woonkamer de suikerbietenvelden liggen, zo ver als het oog reikt. ‘Toen in september de bietenwagens begonnen te rijden voor de campagne van de concurrent, had ik het even héél moeilijk,’ vertelt Ludo. ‘Er valt hier op Tholen niet te ontkomen aan de bieten. Als ik met de honden ga wandelen, stapt er een boer uit zijn tractor en zegt: Ludo, waarom is die fabriek van jullie in godsnaam gesloten?’
Ondanks zijn liefde voor alles wat stoomt en knarst koos Ludo een volstrekt nieuwe professie: hij wordt verpleger. ‘Ik heb de afgelopen jaren veel voor mijn moeder moeten zorgen, die ziek is. Toen heb ik bedacht dat de zorg misschien wel een geschikt vak voor me was. De sluiting was precies het duwtje in de rug dat ik nodig had.’ Ludo’s vrouw Edith stond vierkant achter zijn besluit om waterpomptang en schroefboor in te ruilen voor thermometer en patiëntenlijst. ‘Tien jaar geleden was zíj het die ontslagen werd. Ik heb toen tegen haar gezegd: meiske, je moet nu je kans grijpen en gaan doen wat je écht leuk vindt. Ik heb een vaste baan, we redden het voorlopig wel even. Okay, zei Edith, dan wil ik een hondentrimsalon beginnen.’
Sinds twee maanden volgt Ludo een verpleegkundeopleiding bij het ROC in Roosendaal. Het is wel even wennen om weer naar school te gaan. Zijn klas bestaat hoofdzakelijk uit vrouwen en de gemiddelde leeftijd ligt rond de twintig jaar. Als hij op de maandagmorgen fris en gemotiveerd het werkboek openslaat, zijn de jeugdige klasgenoten nog aan het bijkomen van hun weekend. Bovendien wordt er lesgegeven volgens de methode van het ‘probleemgestuurd leren’. ‘Toen ik twintig jaar geleden op de mts zat, schreef de leraar gewoon op het bord hoe iets in elkaar zat en dan stampte ik dat in mijn hoofd. Nu stoppen ze je een steeklaken of een beensling in handen en zeggen: kijk maar of je er zelf uitkomt.’ Hij heeft het zo druk met practica en handboeken menselijke anatomie dat hij Edith nog maar zelden kan helpen met het föhnen en wassen van koningspoedels en chihuahua’s.
Vanaf januari gaat hij vier dagen in de week in het ziekenhuis werken. Tegen betaling van het minimumloon. ‘Ik heb me suf moeten lullen om aangenomen te worden voor deze baan. Ze wilden maar niet geloven dat ik vrijwillig mijn salaris halveerde. Maar zolang Edith en ik met onze shetlanders op Tholen kunnen blijven wonen, ben ik bereid in te leveren. De vette jaren zijn voorbij.’ Hoewel gezegd moet worden dat hij een fijne ontslagvergoeding kreeg: € 63.000,–.
Vlak na zijn vertrek bij CSM werd Ludo op straat aangesproken door een meneer van de Novib. Of hij donateur wilde worden. ‘Nou, zei ik tegen die man, ik zal je míjn gironummer geven, want dankzij jullie ben ik mijn baan kwijt. Ik begrijp best dat suiker uit de Derde Wereld een eerlijke kans verdient op de wereldmarkt. Maar bij de CSM zijn we daar wel mooi het slachtoffer van geworden.’
De meeste CSM’ers denken er net zo over. Ze hebben begrip voor het besluit van de directie. Ze snappen dat fabriek Wittouck niet langer open kon blijven. Ze weten dat het spook van de mondialisering ook in Breda aan de stadspoort klopt, en dat een vaste suikerprijs niet meer van deze tijd is. Maar toch zijn ze boos. ‘De regering vindt dat arme landen ook een kans moeten krijgen,’ zeggen ze. ‘Maar in Brazilië profiteren alleen de rijke boeren.’
‘De Derde Wereld zegt dat ze hun suikerindustrie niet subsidiëren, zoals in Europa gebeurt,’ vinden ze. ‘Maar ze doen het heus wel hoor, alleen dan op slinkse wijze.’
En: ‘Ik zou wel eens willen weten wat ze in Brazilië met hun vuile afvalwater doen.’
Aan de rand van fabrieksterrein De Zoete Inval staat een bakstenen gebouwtje van één verdieping hoog. Hier werden tot vorig jaar de zojuist gearriveerde bieten gewogen en op suikerpercentage onderzocht, voordat ze via de wastrommel in de snijmachine verdwenen. Het tarreerlokaal, want zo noemen de suikermannen deze plek, was tijdens de campagne nonstop in gebruik.
Nu staan er vier bureaus, voorzien van computer en telefoontoestel. Er is een printer, een koffiemachine en een waterautomaat. Op tafel liggen lokale kranten en multomappen, aan de muur hangen verkleurde prenten van bloemstukken. Uit de radio komt classic rock-muziek. Dit is het outplacementbureau, het thuishonk van de CSM’ers die op zoek zijn naar werk.
Iedere ochtend om acht uur komt Geert Roosendaal naar het tarreerlokaal. Hij zet een computer aan, draait een shaggie en drinkt een bakje koffie. Daarna slaat hij aan het solliciteren. Hij pluist de advertentiepagina’s van de kranten uit, checkt de site van het CWI en schaaft aan een brief of zijn cv. Vijf dagen per week is Geert in het tarreerlokaal – tenzij hij op computercursus is, of bij het uitzendbureau. Rond het middaguur pakt hij zijn oude werkfiets en rijdt het terrein over naar de kantine, waar hij een broodje gehaktstaaf eet of een kop tomatensoep. Om kwart voor vijf klokt hij zich uit en rijdt hij met twee collega’s terug naar zijn woonplaats Steenbergen.
Zevenendertig jaar werkte Geert in de houtindustrie. Eerst als machinaal houtbewerker bij een firma in Roosendaal. Hij raakte zijn baan kwijt. Vervolgens werkte hij als productieleider op een timmerfabriek te Bergen op Zoom. Hij raakte weer zijn baan kwijt. Drie jaar geleden draaide hij zijn eerste campagne bij CSM, als wachtchef op het tarreerlokaal. Het werk was hem op het lijf geschreven, zegt Geert. ‘Ik ben een echte leidinggevende. Ik kan verschrikkelijk goed met mensen omgaan, al zeg ik het zelf.’
Nu is hij voor de derde keer zijn baan kwijt.
Geert Roosendaal is een rampzalig geval voor de arbeidsmarkt, zo geeft hij grif toe. Om twee redenen. Eén: hij is vijfenvijftig jaar. En al zeggen bedrijven het niet hardop, een werknemer op leeftijd moeten ze niet. De opmerkingen in zijn sollicitatiedossier zeggen genoeg: ‘Volgens insiders was ik te oud, en men zocht een jonger iemand.’ ‘Reden van afwijzing: ze zoeken een jonge schoolverlater.’ ‘Naar alle waarschijnlijkheid afgewezen: men zoekt iemand onder de vijfenveertig.’ Twee: Geert heeft weinig scholing. Ja, hij bezit alle mogelijke diploma’s in bandzagen en frasen, maar dat helpt geen donder als je met nog driehonderd anderen naar een baan als conciërge solliciteert. Tot overmaat van ramp staat hem op 1 januari, als zijn contract bij CSM stopt, nauwelijks een ontslagvergoeding te wachten.
Toch blijft Geert geloven dat hij weer aan het werk raakt. Hij spreidt een toewijding tentoon die grenst aan fanatisme. ‘Kijk,’ zegt hij, terwijl hij een vuistdikke klapper uit de kast naast het bureau vist, ‘zo pak ik de zaken aan.’ Op een reeks Excel-sheets heeft hij al zijn sollicitaties nauwgezet gedocumenteerd: de bedrijfsnaam, de contactpersoon, de functie, de datum, het resultaat. De laatste drie maanden heeft Geert twee bouwbedrijven (magazijnopzichter gevraagd), vier scholen (gezocht: conciërge), acht wooncorporaties (huismeester m/v), een hostel (beheerder) en een bedrijf in raamkozijnen (productieleider met ervaring) aangeschreven. De oogst uit vijfenveertig sollicitaties: één gesprek.
Het eelt op zijn ziel wordt steeds dikker. ‘Iedere keer dat ik een afwijzingsbrief krijg, is het weer slikken. Laatst had ik een envelop waarvan ik dacht: hé, die is lekker dik, dat is een goed teken. Toen bleek dat ze vanwege de privacywetgeving mijn cv mee terug hadden gestuurd.’
Geert heeft naar eigen zeggen één sterke troef: zijn netwerk. ‘Ik ken ontzettend veel mensen,’ zegt hij, terwijl hij de website van de gemeente Bergen op Zoom aanklikt. ‘Kijk, deze wethouder is bijvoorbeeld een oude schoolmaat van me. Die bel ik op, om te vragen of hij iets voor me kan regelen. Laatst heb ik nog een sollicitatie gevonden via iemand van dansles. En dan ken ik nog een heleboel van de hardloopcursus die ik elke week geef.’
Als hij geen reactie krijgt op een sollicitatiebrief, hangt hij aan de telefoon. Iedere week. ‘Dan denken ze misschien: die Roosendaal, dat is toch een fanatiekeling, misschien kunnen we die wel gebruiken.’ Hij prikt met zijn vinger op de Excel-sheet. ‘Dit bedrijf hier heeft bijvoorbeeld nog tot morgenavond om te reageren. De volgende dag ga ik bellen.’
Het lijkt wel alsof Geert met iedere afwijzing vastberadener wordt. ‘Ik wil nog per se tien jaar werken,’ zegt hij. ‘Ik heb geen zin om straks in de WW te belanden. De man hoort geld thuis te brengen. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar.’
Twee dagen later zit Peter Heijnen (48) naast het tarreerlokaal op een stoeltje in de zon. Hij drinkt koffie en kijkt in de richting van de twee suikersilo’s. ‘Als ik straks ander werk heb,’ zegt hij verbeten, ‘zet ik nooit, maar dan ook nooit meer één stap over de drempel bij CSM.’ Zijn liefde voor fabriek Wittouck is de afgelopen maanden overgegaan in een diepgaande afkeer. Waarom? Omdat hij, ondanks een dienstverband van tweeëntwintig jaar, niet mocht blijven.
Hij vertelt: ‘Ik werkte op de administratie. Ik hield voorraden bij, archiveerde contracten en beheerde een deel van de kas. Toen het nieuws van de sluiting kwam, zat ik niet lekker in mijn vel: enkele maanden daarvoor was een nieuw administratiesysteem ingevoerd zonder dat ze mij daarbij betrokken hadden. Het liep voor geen meter, en ze staken geen poot uit om me te helpen.’ Ondanks de weinig opbeurende stemming op de werkvloer – Peter had het ondertussen ook ongenadig aan de stok gekregen met een collega – hoopte hij bij CSM te kunnen blijven. Driekwart van zijn functie werd gehandhaafd, omdat de specialiteitenfabriek openbleef. En hij werkte al zó lang op Wittouck!
‘Half mei kreeg ik te horen dat ik boventallig was. Met mijn anciënniteit zat het wel goed, zeiden ze, maar ik had niet de juiste papieren. Blijkbaar was mijn functie de enige waarvoor diploma’s belangrijker waren dan arbeidsduur. Nu zit er iemand op mijn plek die pas twee jaar bij de fabriek werkt.’
Peter Heijnen is een CSM’er van ouderwetse snit. Vergroeid met het bedrijf, en vast van plan om tot zijn pensioen op dezelfde plek te blijven. Bijscholing, dat vond hij al die jaren maar onzin. ‘De CSM heeft me allerlei cursussen aangeboden, maar ik was nooit gemotiveerd. Ja, ik heb ooit een diploma voor reisbureaumedewerker gehaald, maar daar wil ik niets meer mee.’ Nu zijn betrekking voor het leven hem ontnomen is, ontbeert hij de wendbaarheid van jeugdige collega’s als Leon Peijen of Ludo Bekers, of de vasthoudendheid van de oudere Geert Roosendaal. De sluiting van Wittouck is voor Peter uitgegroeid tot een treurspel in vier bedrijven.
‘Ik was zo ondersteboven van alles, dat ik van het outplacementbureau eerst langs een maatschappelijk werkster moest. Ik heb het jaarlijkse stuk van mijn toneelvereniging afgezegd. We zouden een klucht gaan spelen, De groeten uit Nice. Iedereen kende het eerste bedrijf al van buiten, maar ik kon mijn hoofd er niet bijhouden. Van de zomer heb ik zeven weken vakantie genomen. Eerst naar Turkije, vervolgens met de caravan naar Luxemburg. Maar dat was ook niet echt gezellig. Telkens als mijn ontslag ter sprake kwam, viel ik stil en kwamen de tranen.’
Sinds de zomer bezoekt hij toch maar iedere dag het tarreerlokaal. Niet vanwege de gezelligheid, maar omdat de WW met rasse schreden nadert. Hij haalt zijn sollicitatiebrieven te voorschijn. Dertig heeft hij er verstuurd, maar voor een gesprek is hij nog niet uitgenodigd. Misschien wel vanwege die ene zin die telkens terugkeert in zijn proza: ‘Ik ben niet de jongste meer, maar ik wil graag werken.’
Hij vertelt: ‘Ik kan misschien chauffeur worden voor een diepvriesfirma. Rondrijden met ijs, snacks en gebak. Binnenkort ga ik een dagje op proef mee met zo’n auto, maar echt enthousiast ben ik niet. Het zijn veel te lange dagen.’
Terwijl Peter naar de koffieautomaat gaat voor een refill, verschijnt Abdel Bouhouch in de deuropening. Abdel is benieuwd hoe het gaat met zijn oude kompanen in het tarreerlokaal. Tot een paar weken geleden zat hij hier ook, maar inmiddels heeft hij ander werk gevonden. Wáár, dat wil hij aanvankelijk niet zeggen. Vanwege een vervelend akkefietje. Hij zou in eerste instantie bij de plaatselijke Alfa Romeo-dealer gaan werken. Het contract was getekend, hij had al afscheid genomen van de jongens op het outplacementbureau. Toen volgde er een telefoontje naar Abdels aanstaande baas, die met klem werd afgeraden in zee te gaan met zijn kersverse employé. Abdel kon fluiten naar zijn nieuwe baan. Wie de geheimzinnige beller was? Dat weet niemand. ‘Maar,’ zegt Abdel met een veelbetekenende blik, ‘er werkt bij CSM maar één iemand met een Alfa Romeo, en dat is de directeur.’
De affaire bleek een blessing in disguise te zijn. Abdel vond een veel leukere baan. Vooruit dan, hij vertelt wáár: als technicus in een rusthuis voor gepensioneerde roomse missionarissen. ‘Die oudjes vormen een mooi stel. Van de week sprak een broeder me nog aan in vloeiend Arabisch!’ Grinnikend bekijkt Abdel de lijst met ‘baanvinders’, die op de deur van het tarreerlokaal hangt ter verheffing van het moreel. Een grappenmaker heeft de zwijgzaamheid over zijn nieuwe baan afgestraft. Achter Abdels naam staan de volgende kwalificaties: ‘Werkgever – koepelgevangenis, soort werk – gedetineerde.’
Henk Flipsen (47) leunt over de reling van de roestvrijstalen loopbrug halverwege de portiersloge en het ketelhuis. ‘Weet je,’ zegt hij, ‘ik heb in mijn leven heel wat suikerfabrieken gezien. Op vakantie in Frankrijk ga ik altijd even kijken als er een in de buurt is. Meestal zijn het roestige, rammelende gebouwtjes. En deze efficiënte, schone en volautomatische fabriek moest zijn poorten sluiten. Dat valt moeilijk uit te leggen.’ Hij wijst in de richting van het kookstation: ‘Binnenkort worden onze kookpannen verkocht aan Iran en Chili. Straks importeren we suiker die in onze eigen pannen is gekookt. Wel een beetje wrang.’
Henk is een van de drieëndertig werknemers die bij CSM mochten blijven. Zijn zesentwintig dienstjaren garandeerden hem een plek op afdeling vier, beter bekend als de specialiteitenfabriek. Daar werkt hij nu als ‘bedieningsman witte suiker’. Of we even mogen kijken op zijn nieuwe werkplek? Nee, helaas. Afdeling vier is uitsluitend en alleen geopend voor het personeel. Vanwege de strikte hygiënevoorschriften, zegt Henk. Bedrijfsgeheim, zeggen anderen.
Zijn nieuwe betrekking is wel een stap terug, moet hij toegeven. Om te beginnen draagt hij niet langer zijn fiere blauwe monteursoverall, maar een spierwit pakje met hoofdkapje dat hem het voorkomen geeft van een banketbakker. Verder moet hij het hele jaar door in ploegendienst werken, in plaats van de drie campagnemaanden die hij gewend was op de bietfabriek. Het dagelijkse werk schept, op zijn zachtst gezegd, weinig voldoening: in de bedieningskamer zitten is toch een stuk monotoner dan storingen verhelpen. Tenslotte is het onzeker hoe lang de specialiteitenfabriek nog blijft bestaan, en of het sociaal plan over tien jaar net zo ruimhartig is als nu. ‘Ik weet niet of het verstandig is dat ik ben gebleven,’ zegt Henk. ‘Sterker nog, dat betwijfel ik. Maar ik wilde in de vertrouwde omgeving van de CSM blijven. Ik heb gekozen voor mijn gevoel.’
In werkelijkheid had Henk Flipsen weinig te kiezen. Wie vervangend werk bij de specialiteitenfabriek weigerde, viel buiten het sociaal plan en kon geen aanspraak maken op een royale ontslagvergoeding. Dus slikte menig monteur zijn trots in en accepteerde een baan op afdeling vier als inpakker of vorkheftruckchauffeur. De veertien man die met vervroegd pensioen werden gestuurd, en de zeven CSM’ers die terecht kwamen in de ‘ontmantelingsploeg’ – een equipe die de fabriek stukje bij beetje uit elkaar gaat halen – hadden ook geen alternatief. Vijf suikermannen bleven het vertrouwde campagnewerk doen. Maar die moesten wel met have en goed verkassen naar Vierverlaten, Groningen, waar de laatst overgebleven CSM-fabriek staat.
Het CSM-personeelsperiodiek Op de korrel stond vanaf januari vol met empathische verhalen. De vakbond schreef een rapport over het aangerichte arbeidsleed, en de regionale pers grossierde in weemoedig getoonzette artikelen over de teloorgang van de suikercultuur. Maar over één categorie werknemers werd in alle toonaarden gezwegen: de seizoensarbeiders.
En dat terwijl de seizoensarbeider bij de suikerbietenindustrie hoort als bier bij Breda. Het moet een kleurrijk stel zijn geweest dat iedere herfst kwam aanzetten: berooide tuinders, studenten, Vlaamse keuterboeren, kunstenaars. Levensgenieters die drie maanden knoerthard werkten om zich de rest van het jaar onder het genot van een uitkering over te geven aan het bourgondische Bredase bestaan. Zelfs aanstaande celebrities vervoegden zich bij De Zoete Inval: Ruud Bénard, later landelijk bekend geworden als Big Brother Ruud, draaide jarenlang campagnes op het tarreerlokaal.
Telkens als het over de seizoenskrachten gaat, noemen de mannen van fabriek Wittouck de naam van een Bredase tuinder. Zijn telefoonnummer hebben ze niet. Maar ze weten dat hij in de wijk Princenhage woont, aan de zuidrand van de stad. ‘En doe hem de groeten.’ In het plaatselijke café blijkt hij een goede bekende te zijn. ‘Laatste huis van de straat,’ zegt de serveerster zonder een seconde te aarzelen. En jawel, daar staat de befaamde seizoenskracht in een waterig najaarszonnetje houtblokken te hakken. Als hij het woord CSM hoort, zegt hij in eerste instantie niet te willen praten. Maar na enig aandringen zet hij zich aan de houten picknicktafel in zijn achtertuin en doet zijn verhaal. Onder één voorwaarde: zijn naam mag niet in de krant.
Jos, zo noemen we hem, klopte zesentwintig jaar geleden voor het eerst aan bij fabriek Wittouck. Hij kon niet meer rondkomen van zijn tuinderij, omdat Rijkswaterstaat zijn land gehalveerd had met de aanleg van een provinciale weg.
‘Bij de CSM werkte ik voor de reserveploeg. Deed sjouwwerk, veegde de kalkoven leeg. Als de sapketel overliep, kwam ik de boel met een hogedrukspuit schoonmaken.’ Simpele klussen. Jos is niet zo ‘koppie koppie’, zegt hij. Lezen of schrijven kan hij niet, want hij moest in de tweede klas van school. ‘Meedraaien in de campagne was elke keer weer een gunst. Niets stond zwart op wit.’ Hij verscheen gewoon bij De Zoete Inval, een maand voordat de bieten kwamen, en ging aan de slag.
Ook deze zomer zou hij zich weer melden. De datum wist hij al: 16 augustus. Nog twee campagnes wilde hij doen. Maar in januari bereikte het slechte nieuws uit de bedrijfskantine zijn huis in Princenhage. Via kennissen.
‘Van de CSM zelf heb ik nooit bericht gehad. Geen brief, geen telefoontje, niets. Mijn werkkleding hangt nog steeds aan een haakje in de fabriek.’
Over anderhalf jaar wordt Jos vijfenzestig en krijgt hij AOW. Tot die tijd voert hij iedere maand een absurdistisch rollenspel op. Hij gaat langs bij vier bedrijven, in de rotsvaste overtuiging dat hij als drieënzestigjarige analfabeet niet wordt aangenomen. De vier bedrijven nemen Jos inderdaad niet aan. Vervolgens geeft hij hun telefoonnummers aan het CWI, als bewijs dat hij voldaan heeft aan zijn sollicitatieplicht, en krijgt hij zijn uitkering.
We lopen het voormalige erf van zijn tuinderij op. Sinds drie jaar is Jos ook de rest van zijn grond kwijt: Rijkswaterstaat meldde zich ten tweede male, ditmaal voor de aanleg van de HSL. Wat resteert is een vijftigtal vierkante meters met wat prei, bloemkool en aardbeien, in de schaduw van een onlangs opgeleverd appartementencomplex. ‘Een aantal jaar geleden kreeg ik een prachtaanbod,’ vertelt hij. ‘Ik kon het hele jaar door gaan werken als rattenvanger. Rondrijden in de omgeving en vallen zetten. Dat heb ik niet gedaan, omdat ik de fabriek trouw wilde blijven. Nu sla ik mezelf voor mijn kop.’
We wandelen terug, tot aan de berg brandhout voor de deur van Jos’ huis. Hij gaat weer verder met hakken. Bij het afscheid zegt hij: ‘Aanvankelijk was ik woedend op de vaste CSM’ers. Stelletje klootzakken, dacht ik, hadden jullie niks voor mij kunnen doen? Later bedacht ik dat ze zelf genoeg aan hun hoofd hadden. Nu neem ik ze niets meer kwalijk.’
Niet zo lang geleden trakteerde het outplacementbedrijf de overgebleven werkzoekers op een buitendag. Ze waren met zijn zessen: behalve Geert Roosendaal en Peter Heijnen bestond het gezelschap uit Yaya (vijftien dienstjaren), Ruud (acht dienstjaren) en Carlo (twee dienstjaren). Abdel was er ook bij. In de bossen nabij Breda moesten ze onder leiding van een potige instructeur een dag lang bikkelen: metershoge torens bouwen van tentstokken, geblinddoekt over een touwbrug tussen twee bomen lopen. Alles ter bevordering van de onderlinge bonding.
Het gezellige samenzijn liep bijna uit de hand. Abdel bleek op zo’n autoritaire wijze de regie naar zich toe te trekken dat een handgemeen dreigde. ‘Toen heb ík maar weer de leiding genomen,’ verzucht Geert Roosendaal.
Leon Peijen verkocht vorige week zijn eerste huis, een hoekpand in De Haagse Beemden. Woonoppervlak: honderdvijfentwintig vierkante meter, vraagprijs: € 279.000. ‘De deal was snel gesloten,’ vertelt hij. ‘De verkopers waren mijn buren, de koper heeft bij mij op de lagere school gezeten.’
Ludo Bekers slaagde met vlag en wimpel voor zijn toets in de menselijke anatomie. CSM begint ‘steeds verder weg te raken’, zegt hij. Alhoewel, onlangs reed hij in gedachten verzonken richting Breda in plaats van Roosendaal.
Peter Heijnen beleefde na een halfjaar weer een repetitie met zijn toneelclub. Ze gaan alsnog De groeten uit Nice doen, en Peter speelt de hoofdrol. Een baan heeft hij nog niet gevonden, maar de tekst van zijn afscheidsmail aan zijn oud-collega’s is al af: ‘Houdoe, het doek is gevallen.’
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




