VN MediagidsJunot Díaz met de hand in de handschoen
17-11-2007
Door Rudie Kagie
Na een writer’s block van elf jaar is de voormalige belofte Junot Díaz terug met The Brief Wondrous Life of Oscar Wao. Het is een verpletterend meesterwerk.
Vrijwel onmiddellijk nadat hij elf jaar geleden met de verhalenbundel Drown debuteerde, werd Junot Díaz ingelijfd bij de voorhoede die de literaire toekomst van de Verenigde Staten ging veiligstellen. Omdat hij zo prachtig kon schrijven, keilde zijn foto (samen met portretten van generatiegenoten Oscar De La Hoya en Shakira) op het omslag van Newsweek een profiel aan van de ‘New Latin Faces of 1996’. Weekblad The New Yorker tipte hem als een van de twintig auteurs die het in de eenentwintigste eeuw ongetwijfeld zouden gaan maken.
Díaz won de PEN/Malamud Award, zag zich bekroond met een Guggenheim Fellowship en incasseerde een stipendium van de American Academy of Arts and Letters. In de jaren die volgden, verscheen hij voldoende met zijn hoofd op de buis om een reputatie als veelbelovend talent te handhaven. Af en toe manifesteerde hij zich met een kort verhaal in de kolommen van The New Yorker. Maar ondanks een ‘voorschot van een bedrag met zes cijfers’ waarmee uitgeverij Riverhead zijn werkdrift hoopte te stimuleren, worstelde Junot Díaz jarenlang met de langverwachte roman die zijn eersteling in de schaduw zou stellen.
De beproefde liefhebbers van zijn proza zagen hun geduld vorige maand eindelijk beloond toen de roman The Brief Wondrous Life of Oscar Wao verscheen, in de Nederlandse vertaling getiteld: Het korte, maar wonderbare leven van Oscar Wao. Een verpletterend meesterwerk, volgens The New York Times ‘een van de belangrijkste romans van 2007’, en vanwege het rijke amalgaam aan stijlen (zwenkend tussen lowbrow en highbrow, fictief en non-fictief, ernst en luim) door The New York Review of Books geprezen als een ‘majestueuze ode aan de originaliteit’.
Schrijven in de zomervakantie
Gewoonlijk voltrekt zijn leven zich op het kruispunt New York (waar hij een appartement in Harlem bewoont), Boston (waar hij Creatief Schrijven aan het Massachusetts Institute of Technology doceert en een optrekje heeft), en zijn geboorte-eiland Santo Domingo (waar hij minimaal drie keer per jaar logeert). De komende twaalf maanden geniet Díaz een bursaal sabbatical te Rome. In Italië hoopt hij eindelijk de sciencefictionroman te voltooien die hij al zo lang onder het hart draagt.
Vooralsnog lurkt hij in herfstig New York languit op de canapé aan een flesje mineraalwater, afkomstig uit de koelkast van de literaire agent die heilig in de hitpotentie van de debutant bleef geloven. Ook toen het tegenzat. De aanmoediging om dóór te gaan bleek achteraf van onmisbaar nut, vooral toen de schrijver op het dieptepunt van zijn writer’s block werd overmand door twijfel over zijn kans op een droomcarrière in de letteren. De bevestiging dat hij zich getalenteerd mag noemen, bereikte hem daags voor zijn achtendertigste verjaardag via lovende recensies van zijn roman, al is onderhand wel duidelijk dat hij nimmer van veelschrijverij zal worden beticht. Hij wijst erop dat hij het wat dat betreft anders aanpakt dan het gros van zijn collega’s: ‘Die publiceren om de paar jaar twee of drie boeken in een bepaald genre. Daarna verzetten ze de bakens en leggen ze zich voor een bepaalde periode toe op andersoortig werk. Mijn streven is om élk nieuw boek te laten verschillen van al mijn eerdere publicaties. Ik wil literatuur maken die blijft verrassen en die grensverleggend is. Dat kost meer tijd dan andere schrijvers voor het schrijven van een boek nodig hebben.’
Sceptici vergeleken hem met Oblomov, maar dat noemt hij een misvatting. Dat tussen het incasseren van het voorschot en het voltooien van zijn manuscript een decennium verstreek, bewijst volgens Díaz allerminst dat hij wordt gekweld door gebrek aan ijver. ‘Ik kreeg van mijn uitgever inderdaad een bedrag met zes cijfers. Welgeteld honderdduizend dollar. Daarvan ging veertig procent naar de belasting en vijftien procent naar mijn agent. Reken maar uit. Van wat overbleef, kon ik echt geen tien jaar in leven blijven. Gelukkig kreeg ik vijf jaar geleden die baan aan de universiteit, zodat ik verzekerd ben tegen ziektekosten. Schrijven doe ik hoofdzakelijk in de zomervakantie.’
Succes bij de vrouwtjes
Oscar Wao staat voor de met een zware Spaanse tongval uitgesproken schrijversnaam Oscar Wilde. Om te doorgronden waarom de protagonist uit de roman van Junot Díaz zich laat aanspreken als Oscar Wao is elementaire kennis van de pan-Amerikaanse diaspora in New York en omgeving meegenomen. Nee, het boek is per se niet autobiografisch. Weliswaar deelt de schrijver met de door hem gecreëerde Oscar ‘Wao’ de Léon zowel een Dominicaanse achtergrond als een academische opleiding aan de Rutgers-universiteit, maar daar houdt de overeenkomst tussen geestelijk vader en geesteskind echt mee op. Romanpersonage Oscar is een ghetto nerd uit New Jersey, een loser die wegvlucht in een fantasiewereld van sciencefictionboeken, video-spelletjes en dvd-films. Zijn succes bij de vrouwtjes is hoegenaamd nihil (‘hoe on-Dominicaans’, schrijft Díaz), maar als maagdelijke dertiger raakt hij hopeloos verkikkerd op de overrijpe hoer Ybón.
De meeste lotgevallen van deze droeve held worden in het boek beschreven vanuit het perspectief van Yunior, een personage dat eerder opdook in de verhalenbundel Drown. Deze Yunior, die volgens de auteur als zijn alter ego mag worden opgevat, is in de roman bevriend met Lola de Léon, Oscars zus die in enkele passages de vertellersrol overneemt. Nergens in het boek komt Oscar rechtstreeks aan het woord. De beschrijving van zijn wederwaardigheden is gebaseerd op de subjectieve waarnemingen van Yunior en Lola. De aard van zijn gedachten blijft in het ongewisse. Op de achtergrond spookt voortdurend de mysterieuze dreiging van een fukú, een rituele vloek waarvan de naargeestige gevolgen zich volgens het traditionele bijgeloof op het eiland laten bezweren door krachtig priemen met de wijsvinger en het uitspreken van het woord zata.
De complete roman gaat trouwens schuil achter een sluier van beklemmende geheimzinnigheid en vage vermoedens. De auteur veert op bij het aanhoren van het oprecht gemeende compliment dat zijn roman een nieuw licht werpt op de hogere psychologie die aan het immigrantenbestaan ten grondslag ligt. ‘Ja,’ beaamt hij verheugd, ‘dat is zeker een aspect.’
Zoals een ander aspect het vooroorlogse niveau van belezenheid behelst waarmee de schrijver onbeschaamd koketteert. ‘Klopt ook!’ roept Junot Díaz uit. ‘Als ik beschrijf hoe Oscar verkikkerd raakt op Ybón, kan ik het niet laten om terloops Memories of My Melancholy Whores van Gárcia Márquez te noemen. Mijn boek barst van dergelijke literaire verwijzingen. Je zou mijn roman als één grote liefdesverklaring aan de literatuur kunnen interpreteren.’
Met als bijkomende bijzonderheid een voor romanbegrippen onwaarschijnlijk omvangrijk notenapparaat dat de lezer zakelijk informeert over heden en verleden van het Santo Domingo in het algemeen en de Dominicaanse dictator Rafael Léonidas Trujillo Molina in het bijzonder. De lijn van het verhaal staat los van deze onderbouwing met feiten in een kleiner letterkorps, zodat bijna kan worden gesproken van twee boeken in één band. De gespletenheid die volgens Díaz het migrantenbestaan kenmerkt, moest symbolisch tot uitdrukking komen in de opzet van het boek. ‘Ik vergelijk het heden met een handschoen,’ licht de auteur toe. ‘De hand is het verleden, maar die krijg je niet te zien zolang die in de handschoen zit. Ik ben geïnteresseerder in de hand dan in de handschoen. Ik wil laten zien hoe de ene gebeurtenis tot de volgende leidt. Iedereen heeft een persoonlijke geschiedenis, maar bij migranten valt het leven uiteen in de periode in het geboorteland en die van ná de landverhuizing. In mijn boek is de jeugd een metafoor voor het land dat elke volwassene als een migrant achter zich laat.’
Liefde op het Javaplein
Alsof het gisteren was, herinnert Junot Díaz zich de zee van licht op de avond waarop hij met zijn ouders en twee zussen van Santo Domingo aankwam in New Jersey. Hij droomt nog wel eens van de verbazing die hem overviel bij de aanblik van die duizenden lampjes. Het Caribische eiland waar hij zijn prille jeugd doorbracht, voldeed aan alle stereotypen van de Derde Wereld: geen straatverlichting, geen televisie, geen stromend water, weinig auto’s, eenvoud troef. De tweede dag in de Verenigde Staten viel samen met groot nieuws van het oorlogsfront in Vietnam. Op het scherm van de gloednieuwe televisie in het migrantengezin trokken beelden voorbij die verslag deden van de val van Saigon, aldus onuitwisbare heroïek verschaffend aan de entree in de Nieuwe Wereld die oneindig universeler bleek dan het naar binnen gerichte, provincialistische Santo Domingo. Eenmaal in Amerika was de taal het voornaamste obstakel dat snelle inburgering in de weg stond; dat leerkrachten zijn voornaam uitspraken als you not versoepelde het integratieproces niet echt.
Overigens was de oversteek tot in de puntjes georganiseerd geweest: er wachtte in New Jersey een gemeubileerd appartement op het gezin, voor vader was een baan geregeld als vorkheftruckchauffeur en de kinderen konden direct naar de lagere school, twee straten verderop. In het thuisland diende pa als beroepsofficier in het leger dat het bloedige regime van Trujillo dertig jaar in het zadel hield. Niet dat hem een fout verleden werd aangerekend, want dan zou zeker negentig procent van de overzichtelijke, dictatoriaal geregeerde gemeenschap van politiek wangedrag kunnen worden beticht. De verwatering van het contact tussen Junot Díaz en zijn vader was veeleer het gevolg van een echtscheiding die het gezin ontwrichtte. Met zijn moeder onderhoudt de auteur daarentegen een prima verstandhouding. ‘Ze houdt niet van lezen, maar toch is ze trots op me. Mijn twee boeken staan bij haar op de plank.’
Gevleugeld gezegde van moeder Díaz: als ik in de rivier val, zoek dan stroomopwaarts, want ik doe altijd alles tegenovergesteld. ‘Die instelling heeft me beïnvloed,’ stelt zoon Junot. ‘De mythe wil dat een geslaagde migrant zich ontworstelt aan de enclave waaruit hij voortkomt. Voor mij geldt het tegenovergestelde. Naarmate ik hier langer woon, voel ik me sterker verbonden met de Spaanstalige gemeenschap hier. Het is een deel van mijn identiteit dat ik onmogelijk kan verloochenen.’
Bestaat er zoiets als een Amerikaanse identiteit? Junot Díaz vraagt het zich af. Alleen ten tijde van nationale rouw bespeurde hij een gevoel van samenhorigheid dat benadert wat hij waarnam toen hij omstreeks de eeuwwisseling een half jaar in Amsterdam woonde. In die tijd deelde hij iets moois met een jonge sociologe, net als hij geboren op Santo Domingo, net als hij opgeklommen in de rangorde van de westerse intelligentia, wat in haar geval resulteerde in een staffunctie bij cultureel centrum De Balie. ‘In Nederland houdt iedereen ’s avonds de gordijnen open. Kwestie van sociale controle,’ weet de auteur. ‘Wie de gordijnen sluit, laadt de verdenking op zich dat hij iets te verbergen heeft, zo werd mij verteld.’
Op het Javaplein te Amsterdam bloeide een hevige, maar kortstondige liefde op. ‘Snap je waarom ik zo uitkijk naar Crossing Border?’ vraagt Junot Díaz. Om na zes seconden stilte zelf te antwoorden: ‘Na zeven jaar kom ik terug. Als zij ’s morgens de deur uitging naar haar werk, dan startte ik op de computer de dialoog met mijn writer’s block.’
Junot Díaz, ‘Het korte, maar wonderbare leven van Oscar Wao’, Mouria, 336 pagina’s, € 19,90. Junot Díaz leest vrijdagavond 23 november om 22.00 uur voor uit eigen werk
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




