VN MediagidsJan Cremer: ‘Ik ben de beste’

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Interview 23.04.2005

Door Rudie Kagie

23-04-2005
Door Rudie Kagie

Hij bereikte deze week de pensioengerechtigde leeftijd, maar Jan Cremer is energieker dan ooit. ‘Ik ga nog hónderden schilderijen maken. En ik kom met nieuwe boeken.’ Twee uitgaven, waaronder een brievenboek van duizend pagina’s, roepen Cremers turbulente kunstenaarsbestaan in herinnering. Zijn schelmenstreken, de stoet exen, boze schuldeisers, verbroken vriendschappen: ‘Alles moest erin.’

Ruim veertig jaar nadat zijn debuut de natie schokte, krijgen de bezorgde ouders van toen alsnog antwoord op een vraag die hen bezighield. Wat moest er terecht komen van de tweeëntwintigjarige nozem die met zijn ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer de oorlog aan het fatsoen had verklaard? De stoere memoires, volgens het omslag een mix van ‘sex, spanning & sensatie’, waren door het gemotoriseerde dubbeltalent met dezelfde brutaliteit op papier gekwakt als hij met verf op het linnen placht te doen. Behalve schrijver noemde die dekselse Cremer zich ook kunstschilder, in welke hoedanigheid hij er tijdens een televisie-interview spontaan uitflapte: ‘Rembrandt, wie is dat? Nooit van gehoord. Ik heb geen verstand van sport.’ Met dezelfde bravoure vergreep hij zich volgens critici aan de schone letteren door een volks boeventaaltje te introduceren dat bol stond van zelfbedachte uitdrukkingen als ‘de pijp uitkloppen’ (vleselijke gemeenschap hebben), ‘flipstand’ (ongekend liefdesstandje) en ‘baanders’ (vrouwenbenen). Als gevolg van alle ophef werd de Prozaprijs van de stad Amsterdam uit 1967 hem pas twee jaar later onder protest uitgereikt.

Ach, alle rellerige heldenfeiten zijn inmiddels bedekt door een flinke laag stof. Nu de zelfbenoemde barbaar de gezegende leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt, kan worden vastgesteld dat deze Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw toch nog aardig is terechtgekomen.

Zijn pensioengerechtigde status valt samen met de publicatie van twee reconstructies van zijn turbulente kunstenaarsleven. Een gebonden selectie uit zijn correspondentie, meer dan duizend pagina’s zwaar, is onder de titel Jan Cremer Brieven 1956-1996 onderweg naar de boekhandel. Bovendien verscheen het kloeke boekwerk Jan Cremer Documentaire, waarin samensteller Hans Dütting eenentwintig kilo schriftelijke bewijslast samenbalde tot een leesbare kroniek.

In beide uitgaven komt het afgelopen decennium er bekaaid vanaf, maar daaruit mag volgens Cremer niet worden afgeleid dat zijn loopbaan wordt overschaduwd door het grote afbouwen. ‘Kom op, man, ik bruis nog steeds van de activiteiten en de plannen,’ verzekert hij bij een glaasje kraanwater op zijn Amsterdamse adres. ‘Ik ga nog hónderden schilderijen maken. En ik kom met nieuwe boeken, waaronder de Grote Roman die mijn magnum opus De Hunnen zal overtreffen. Honderd procent zeker.’ Met stijgende verontwaardiging: ‘Néé, néé, hoe kom je erbij? Ik voel me helemaal niet verwant aan Wolkers. Omdat die net als ik beeldend kunstenaar is en ook taboes doorbrekende romans schreef? Aimabele man, Wolkers. Maar ik ben de beste. Ik stijg boven alles en iedereen uit in Nederland. Dat is geen grootspraak. Dat is gewoon een feit. Mijn credo is altijd geweest: de geschiedenis zal het uitmaken.’

Zeker, zijn woeste action painting (‘ik sodemieter verf op een doek, ik druip spat sla schop; ik vecht met verf, soms win ik’) maakte al lang geleden plaats voor figuratieve stillevens van oer-Hollandse symboliek, met de koe, het paard en de tulp als onuitputtelijke inspiratiebronnen. Ook in zijn recente proza en in zijn persoonlijk leven sluipen minder spanning & sensatie dan ooit het geval was, al acht hij zichzelf nog steeds ten enenmale ongeschikt voor het reguliere gezinsleven. Hij is uitsluitend bereikbaar per adres van zijn uitgever. Als Jan Cremer toevallig even niet op reis is, staat hij wel op het punt om te vertrekken. ‘Volgende week ga ik naar Italië, ik heb daar een werkruimte bij een bevriende boer,’ kondigt hij monter aan, ‘maar ik heb ook adressen in Parijs, Londen, New York en Zwitserland. Mijn koffer staat altijd klaar, begrijp je, zodat ik als ik wil mórgen weg kan. Ik kan niet met geld omgaan, ik sta voortdurend rood. Niet dat ik buitensporig leef, maar dat reizen kost waanzinnig veel geld. Het ene jaar doe ik goede zaken, vervolgens doe ik vijf jaar helemaal geen zaken. Ik ging altijd voor het schilderen en schrijven. Daar kon ik af en toe wat mee verdienen, maar heel vaak ook niet. Ik heb altijd van alles aangepakt om in leven te blijven. Uit dat brievenboek blijkt dat ik voortdurend in de geldproblemen zat. Daarna kwamen de toestanden met vrouwen en kinderen, in die volgorde. Vergeleken met vroeger is mijn leven nu heel comfortabel, maar dat kan morgen veranderen. Daar zou ik geen moeite mee hebben, ik ben gewend om te overleven.’

Toch nog een wonder dat het is gelukt om veertig jaar correspondentie uit een versnipperd nomadenbestaan in elkaar te schuiven. Archiveren was nooit zijn sterkste kant, maar speurwerk leidde tot de vondst van twaalf scheepskisten met verloren gewaande brieven, ‘verspreid over verschillende delen van de wereld’. De afzender liet zijn vergeelde schrijfsels transporteren naar zijn verblijfplaats in Amerika en begon driftig te sorteren. Omdat bijvoorbeeld de kattenbelletjes van zijn inmiddels overleden Hongaarse moeder (‘ik vrees dat na de uitlatingen van jou over mij, en dat je van de goot komt, ook zijn staartje krijgt’) hem nog altijd hevig emotioneren, leek het hem heilzaam om de redactie van het brievenboek te delegeren aan zijn vriend Hans Sleutelaar en diens levensgezellin Kristien Warmenhoven. Daar komt bij dat hij zéér gekant is tegen censuur. Hij wilde niet bezwijken voor de verleiding om brieven achter te houden die zijn schelmenstreken of financiële slimmigheidjes van uitgeverij de Bezige Bij in een bedenkelijk daglicht stellen. Alles moest erin, inclusief verwijzingen naar zijn losse handjes, de stoet ontroostbare ex’en (mét of zonder kinderen), boze schuldeisers, wurgcontracten, loze beloften, grootspraak en een gestage stroom plannen die nooit zouden worden uitgevoerd.

Dat het boek geen epistels van ná 1996 bevat, heeft volgens hem alles met zakelijk inzicht te maken. ‘Ná die tijd ben ik brieven gaan schrijven in de wetenschap dat die veel geld waard zijn,’ verklaart de auteur. ‘Een authentieke brief van Jan Cremer betekent handel, begrijp je wel. Voor dit boek zijn vijftig mensen aangeschreven met wie ik vroeger correspondeerde; op die manier zijn negenhonderd brieven boven water gekomen. Nou, een brief die ik ooit aan Sandberg schreef, hebben we voor zeshonderd euro moeten terugkopen van de eigenaar. Die had hem gestolen uit het archief, maar we mochten hem niet kopiëren. Het was kopen of niet kopen. Die brief staat nu in het boek.’

Gevreesd moet worden dat de openbaarmaking van het briefverkeer op enkele klinkende reputaties een krasje zal achterlaten. Volgens Cremer nam de eminente publicist H.J.A. Hofland drie in kalfsleder gebonden delen van De Hunnen in 1984 ‘ter inzage’ mee naar huis, maar vergat ze te retourneren. De auteur verlangde ze met spoed terug, er kwam geen antwoord. ‘Jouw reactie kwam begin dit jaar,’ schreef Cremer op 10 maart 1985 aan Hofland. ‘Deze delen lagen in de kluis bij NRC Handelsblad in Amsterdam, de sleutel van deze kluis daarentegen lag in je zomerhuisje in de Pyreneeën, zodra je daar weer kwam, zou je de kluis kunnen openen.’ Wat vervelend nu, Cremer had de boeken inmiddels voor vijftienhonderd gulden verpatst aan een kapitaalkrachtige verzamelaar die met ‘stappen’ dreigde als niet geleverd werd. De zaak dreigde uit de hand te lopen. ‘Dus beste Henk, breek die kluis open of scheur naar de Pyreneeën en bezorg mij die boeken. (…) Wat misschien ook nog helpt voor een kort uitstel, is een brief van jouw hand waarin je deze situatie aan mij uitlegt.’

Hofland zweeg. Na twee jaar vergeefs aandringen ontdekte Cremer waarom de exclusieve prachtboeken almaar niet werden terugbezorgd. Op 18 december 1986 schreef hij daarover een woedende brief aan Hofland: ‘Wie schetst mijn verbazing? Die bewuste drie delen van De Hunnen liggen helemaal niet in de kluis bij NRC/H. Die heb jij al een jaar geleden verkocht! Die staan al die tijd gewoon in de boekenkast van een vriendin van jou, bij Nellie Duursma op de Overtoom, gewoon open en bloot. En jij hebt dat arme meisje daar tweehonderd gulden voor laten betalen.’

Mooi verhaal, maar zou het wáár zijn? ‘Ten eerste ken ik geen Nellie Duursma,’ reageert Hofland gepikeerd. ‘Ten tweede heb ik nooit een kluisje bij NRC Handelsblad gehad. En ten derde beschik ik niet over een zomerhuisje in de Pyreneeën.’ Maar Hofland kan zich de correspondentie met Cremer toch zeker wel voor de geest halen? ‘Nee,’ zegt hij, ‘zo ver reikt mijn geheugen niet, zelfs niet als het om brieven van Jan Cremer gaat.’

Mevrouw Duursma gebeld. Of de drie in kalfsleder gebonden exemplaren van De Hunnen bij haar op de boekenplank staan, wil de psychotherapeute niet zeggen. Ze kent zowel Cremer als Hofland uit het café, ‘waarbij ik moet aantekenen dat meneer Hofland me meer integer lijkt dan meneer Cremer.’ Ze is met geen van tweeën bevriend, ‘dat wil zeggen: ze zijn nooit bij me thuis geweest, wat me toch een voorwaarde voor vriendschap lijkt. Laat de rest maar een mystificatie blijven.’

Het brievenboek schetst de teloorgang van menige goede betrekking die het fenomeen met vertegenwoordigers van de beau monde onderhield. Met Cees Nooteboom kwam het bijvoorbeeld al na 1967 niet meer goed, na diens aangifte wegens ‘smaad’ die tot in beslagname en vernietiging van de eerste oplage van de Jan Cremer Krant leidde. Later ontkiemde een nimmer herstelde brouille met Herman-Dirk van Dodeweerd, beter bekend als Armando, die zich in 1962 had opgeworpen als ‘perschef’ van de Jan Cremer Fanclub en die vier jaar later uit volle borst meezong in het studiokoortje toen Cremer zijn plaatje Oh Nederland, oh kloteland opnam.

Het geruzie laaide op nadat Armando ging beweren dat de ‘peinture barbarisme’ van Cremer een schaamteloze variant was van de ‘peinture criminelle’ die hij, Armando, eind jaren vijftig had bedacht. ‘Pure geschiedvervalsing, hij heeft zijn ideeën van mij gejat,’ gromt Cremer. Op 10 december 1983 adviseerde hij zijn eertijdse maat per brief: ‘Jongen, kom toch van dat voetstuk af waar je jezelf op hebt geplaatst: het is een stoeptegel!’ Om een passage in het ‘Berlijns Dagboek’ in NRC Handelsblad waarin Armando zich ‘bittere armoede’ herinnerde die hem noodzaakte om als ‘losse ongeschoolde arbeider’ te gaan werken, had Cremer, zo schreef hij, onbedaarlijk moeten schateren. ‘Volgens mij heb jij nog nooit een fabriek of havenkantine van binnen gezien. Dat had jij als rijkeluiszoontje toch helemaal niet nodig?’

Ja, hij, Jan Cremer, had via de ploegendienst zijn kostje bij elkaar moeten scharrelen toen hij als noodlijdend talent zowat omkwam van de honger. Hij was krantenbezorger geweest en nachtportier in een chauffeurscafé, classificeerder in de haven, kermisknecht bij een verticaal roterende draaimolen (‘na sluitingstijd verdeelden we het geld dat uit de zakken was gevallen’), beroepsmarinier, matroos bij de wilde vaart, edelfigurant bij toneelgroep Theater, leerling-decorateur bij een supermarkt (waar hij op staande voet werd ontslagen nadat hij zich had verschanst in een manshoog reclameblik van waaruit hij voorbijgangers toesiste: ‘Lekker neuken met Jonker Fris’). Nimmer te beroerd om de handen uit de mouwen te steken, kortom – om achteraf vast te stellen dat epigonen zíjn magere jaren toevoegden aan hún autobiografie.

‘Karel Appel, ook zo’n navolger van me,’ gaat Cremer verder. ‘Hij kwam me opzoeken op mijn atelier in Den Haag toen ik een jaar of achttien was. Appel had nooit gedacht dat ik zo bekend zou worden. Hij kopieerde mijn stijl en probeerde mijn imago over te nemen. In 1959 maakte ik met Misja Mengelberg en andere bevriende musici uit Den Haag de geluidsband Composition Barbare, een kakofonie van klanken die werd afgedraaid bij de opening van mijn expositie in ’t Venster in Rotterdam. In interviews is na te lezen dat ik bij die gelegenheid zei: “Ik ben een barbaar, ik schilder als een barbaar in deze barbaarse tijd.— Drie jaar later maakte Jan Vrijman een film over Karel Appel, waarin die letterlijk zei: “Ik ben een barbaar en schilder als een barbaar in deze barbaarse tijd.— Dat wilde schilderen had hij daarvoor nooit gedaan en daarna ook niet meer, die werkmethode van mij gebruikte hij alleen voor de film van Vrijman. Daarna kwam Appel nog met de dubbel-elpee Musique Barbare. Ik heb bij hem gelogeerd in Parijs, we zaten samen in Amerika, maar er was altijd een concurrentiestrijd tussen ons gaande. Hij was verliefd op mijn toenmalige vriendin, ook dat speelde een rol. Toen hij wilde dat ik een boek over hem ging schrijven, ben ik afgehaakt. Dat ging me te ver; ik ben geen meegaand type zoals dat heet.’

Aan schrijver Eelke de Jong (1935-1987) ontleent de Jan Cremer Documentaire van Dütting een aantal warmhartige citaten (‘Jan heeft dezelfde prikkelende werking als alcohol… ik ben erg op hem gesteld… hij heeft een enorm gevoel voor humor, vooral tragikomisch’), terwijl Cremer deze zegsman al in 1975 in een kwaaie brief aan de kant zette: ‘Aan alles komt een eind; vooral aan eenzijdige vriendschappen. Ik heb geen zin en vooral geen tijd om in details te treden; het zou bovendien te pijnlijk voor je worden want langzamerhand werd je een grap van jezelf.’ In 1980 schakelde Cremer de rechtbank in om een lening van 5.120 gulden van De Jong terug te vorderen, maar die ontkende onder ede dat hij geld had ontvangen. Er lag weliswaar een schriftelijke schuldbekentenis, maar die berustte volgens De Jong op een ‘vriendendienst’ om Cremer te helpen bij het ontduiken van de belasting. De rechter slikte dit verhaal en stelde ook in hoger beroep Eelke de Jong in het gelijk. Cremer kon naar zijn centen fluiten en draaide op voor de proceskosten.

Zo ging het steeds. Na twee jaar soebatten schoof de VPRO hem in 1972 honderdvijfendertig gulden toe voor het gebruik van een ten onrechte aan Wim T. Schippers toegeschreven sketch in de Fred Haché Show. Ronald Sweering, een fotograaf die hem tijdelijk onderdak verleende voor het schrijven van Ik Jan Cremer, kwam in 1968 met zijn vriendin Edith een paar weken bij Cremer in Amerika logeren. De driehonderdvijftig dollar reiskosten (toen het equivalent van twaalfhonderd gulden) werden nimmer aan de gastheer terugbetaald. Van het plan van Sweering om een fotoboek over Cremer te maken, kwam niets terecht: hij had zijn apparatuur thuisgelaten en was inmiddels hippie geworden.
De latere radiojournaliste Lieneke van Schaardenburg (vorige week nam zij afscheid als docente aan de School voor Journalistiek te Utrecht) vloog in 1968 naar New York om Cremer te assisteren bij het persklaar maken van zijn manuscript Made in USA. ‘Neem maar wat mini-skirts mee voor de meer erotische passages,’ had de auteur nog schalks aangeraden, maar de samenwerking ontaardde voor beide partijen in een nachtmerrie. Op 1 november 1968 krabbelde Cremer drie prentbriefkaarten vol aan zijn vriend Sleutelaar. Op de ene kaart schreef hij: ‘Had je me niet even kunnen waarschuwen voor deze drel? Dit kost me alleen maar geld en tijd. Ik aanschouw dagelijks het Holland dat ik ontvlucht ben.’ Op een andere kaart: ‘LvS staat op om twaalf uur; is geen woord mee te wisselen; heeft nergens verstand van; noemt zich “links—; heeft twee linkse handen; (…) tikt één pagina per uur vol fouten en is te stom om voor de duvel te dansen!’

Gecompliceerd was de relatie met Geert Lubberhuizen (1916-1984), de illustere uitgever van de Bezige Bij. Die was zo dapper geweest om de toen nog onbekende, latere succesauteur een voorschot van vijfhonderd gulden en een geleende schrijfmachine toe te stoppen, opdat deze in 1962 op Ibiza aan zijn epos Ik Jan Cremer kon beginnen. Kort na de verschijning van dit boek – waarvan het eerste jaar honderdvijftigduizend exemplaren werden verkocht – nam Cremer zijn intrek in het Chelsea Hotel in New York, waar hij zijn best deed om als kunstschilder in zijn levensonderhoud te voorzien. Vanuit het verre Amsterdam ontfermde Lubberhuizen zich intussen over de privésores van de jonge schrijver, variërend van pogingen om diens Mercedes te verkopen tot overleg met kinderbescherming en advocaten toen twee jonge Cremertjes niet meer bij hun moeder konden wonen. Lubberhuizen en zijn vrouw meldden zich aan als pleeggezin voor de zonen, maar daar gingen de instanties niet mee akkoord. ‘Er is mij weer eens gebleken dat je toch zonder de corrigerende en wat nuchtere hulp van mij niet kunt,’ liet de uitgever in 1967 vaderlijk per zeepost weten.

Geleidelijk werd zijn correspondentie beknopter en minder persoonlijk van toon. Hoezeer de verstandhouding bekoelde, blijkt uit de drie regels waarmee Lubberhuizen zich er op 23 februari 1972 vanaf maakte: ‘Beste Jan, dank voor je lange brief. Wij kunnen je op het moment absoluut maar dan ook absoluut geen geld voorschieten. Hartelijke groeten en sterkte, Geert.’ In de geschiedenis van De Bezige Bij scoorde een boek niet eerder zo goed als Ik Jan Cremer, maar de schrijver vond dat die prestatie onvoldoende werd gewaardeerd. Beleefd informeerde hij in 1975 bij Lubberhuizen of hij ook zo’n fraaie Charles Eames-bureaustoel tegemoet kon zien als Harry Mulisch en Hugo Claus cadeau hadden gekregen. Het antwoord was nee.

‘We waren vrienden zolang het om persoonlijke dingen ging, maar op zakelijk gebied waren we vijanden,’ vat Cremer zijn relatie met Lubberhuizen samen. ‘Hij was een scharrelaar met centen; ik zei tegen hem dat hij beter goochelaar had kunnen worden, begrijp je wel. Hij was verbaasd dat ik het lef had om de grote uitgever tegen te spreken; dat was hij niet gewend. Dat er rond die bestseller een gigantische mythevorming was ontstaan, begreep hij niet. Daarbij kwam dat hij, de kunstpaus, een totale losbol werd toen hij me in Amerika kwam opzoeken. Zijn motto in het buitenland was: ik neuk alles wat los en vast zit. Hoewel we wel eens woorden hadden, kan ik me maar één knallende ruzie herinneren. Dat was in restaurant La Coupole in Parijs. Ik had in die tijd een verhouding met een mooie Algerijnse striptease-danseres. Toen Lubberhuizen naar het toilet ging, zei mijn vriendin: je moet oppassen met die man, hij zit de hele tijd knietje met mij te wrijven. Later zei Lubberhuizen tegen mij: dat meisje moet je niet hebben, op die manier kom je in de onderwereld terecht. Toen werd ik kwaad, want hij zat potverdomme achter die meid aan en probeerde mij te vertellen… Niet waar, zei hij. Wél waar, zei ik. Ja, op dat gebied was er rivaliteit tussen ons.’

Omdat De Bezige Bij in 1968 niet van zins was om voor Made in USA meer dan duizend gulden voorschot te betalen, verscheen het derde boek van Cremer bij uitgeverij Bruna die daar volgens de koers van destijds bijna het veertigvoudige voor overhad. ‘Lubberhuizen was daar zo ziedend over dat hij mij een kunstje heeft geflikt dat ik hem nooit heb vergeven,’ zegt Cremer. ‘In een persbericht maakte hij bekend dat ik voor tienduizend dollar door Bruna was weggekocht. Een rotstreek, want hij wist dat ik enorm in de moeilijkheden zat met belastingen en alimentatie. Op dat geld werd direct beslag gelegd, daar heb ik geen cent van gezien.’

Wat wás de schrijver blij toen de Amerikaanse editie van Ik Jan Cremer de winkel uitvloog, al ging het ook daar mis toen er zou worden afgerekend. ‘Typisch Amerikaans verhaal,’ vindt Cremer. ‘Toen ik naar Shorewood Publishers Inc. op Fifth Avenue in New York ging om geld te halen, kreeg ik te horen dat de uitgeverij niet meer bestond. Dat was Shorecrest geworden, maar daar viel niets te halen. Die zaak hebben we verloren, maar intussen trok Lubberhuizen het geld dat ik in Amerika nooit heb gezien wél van mijn rekening courant af.’

De Amerikaanse vertaler bleek trouwens de avonturen in I Jan Cremer nog wat te hebben aangedikt: ‘marihuana’ veranderde hij in ‘heroïne’ en van de seksuele escapades van de hoofdpersoon maakte hij dampende homo-erotiek. Dat in Duitsland Ich Jan Cremer een tijdlang niet verkocht mocht worden, kwam doordat de vertaler de tekst had doorspekt met zijn persoonlijke anti-Duitse ressentimenten.

Het thuisfront mocht dan denken dat Cremer bezig was om het in New York helemaal te máken – een Nederlandse televisieploeg filmde hem daar met twéé polsdikke sigaren tussen de kaken – maar onderhand wil hij wel toegeven dat dit geen leuke tijd was. Maar alles was beter dan Nederland: ‘Ik zat hier in enorme depressies, ik leefde niet, maar wérd geleefd. Ik wilde maar één ding en dat was: wég. Zodra het vliegtuig naar New York opsteeg, voelde ik een ballast van me afglijden.’ In New York werd hij duchtig op de hielen gezeten door schuldeisers en wegens overspelige verhoudingen met een Texaanse oliemiljonaire en een Libanese buikdanseres, zodat hij op een zeker moment ónder zijn bed in kamer 403 van het Chelsea Hotel sliep, hopend dat hij bij een politie-inval onopgemerkt zou blijven. Toen hij door het blotebillenblad Nugget op pad werd gestuurd om een naaktmodel te fotograferen, begaf hij zich te voet naar het opgegeven adres, want dat dubbeltje voor de bus had hij absoluut nodig om een half brood te kopen.

Opperbeste herinneringen bewaart hij daarentegen aan een driejarig verblijf op de landtong Cape Cod in Massachusetts waar zijn literair agent een ranch voor hem had geregeld. En passant verwezenlijkte hij de ultieme Amerikaanse droom uit die dagen: een verhouding met de filmster Jayne Mansfield. Maar al gauw verbaasde hij zich over de kinderlijke inslag die spraakmakend Hollywood aan de dag legde. ‘Dan had je een diner bij Joan Collins en daar was Mia Farrow, een bijzonder lieve meid die een geheime affaire had met Frank Sinatra. Nou, ik zit hier goed, dacht ik nog.

Sinatra kwam inderdaad langs, maar in plaats van dat we met zijn allen lekker de stad ingingen, moesten we in dat huis verdomme verstoppertje spelen. Op een gegeven moment stond ik met een lekkere meid achter een gordijn in een donkere badkamer. Ik ben stiekem het raam uitgekropen om de boel te ontvluchten. Toen ik die meid een paar dagen later weer tegenkwam, was het van: waar was je nou, we hebben je de hele nacht gezocht.’

Wie weet zal hij zijn Amerikaanse memoires nog eens ‘hard realistisch’ te boek stellen, maar eerst wil hij ‘andere projecten’ afronden. Het bevalt hem om voortdurend op een andere bezigheid over te schakelen, een dynamiek die aanspoort om het optimale uit het bestaan te peuren. Hij geeft een voorbeeld van wat hij bedoelt: ‘Op een zaterdag waarop ik kwam teruggevlogen uit New York, hadden we ’s avonds hier in Amsterdam een diner bij L’Entree.
Tijdens de nazit met oeverloos gezwets zei ik tegen Babette: kom op, we stappen in de auto en rijden naar Twente, naar de boerderij waar ik De Hunnen heb geschreven. Toen we daar midden in de nacht arriveerden, kwam net de boer aan op zijn fiets. Er moest een kalf worden getrokken, dus wij, húp, overall en rubberlaarzen aan, de stal in om te helpen. Even later stonden we met een glas schnaps in de hand bij een lichtpeertje in de geur van stront en nieuw leven naar een pasgeboren kalf te kijken. Misschien was dat wel het mooiste moment uit mijn leven, ja.’





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?