VN MediagidsIn memoriam Aad Nuis 1933-2007, dichter en burger

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

16.11.2007

Door Carel Peeters

17-11-2007
Door Carel Peeters

Aad Nuis, de vorige week overleden oud-staatssecretaris van Cultuur, wilde al vroeg geen vrijzwevende intellectueel zijn. Hij was dan wel dichter, literair criticus, wetenschappelijk medewerker en columnist, maar hij voelde zich er ongemakkelijk bij, alsof hij dan aan het spijbelen was.

In 1966 schreef Aad Nuis de brochure 'Wat gebeurde er in Amsterdam?' over de manier waarop het Amsterdamse bestuur was omgesprongen met de happenings en protesten van de Provo’s, studenten en bouwvakkers. Hij liet het niet bij een analyse van de gebeurtenissen, maar kwam met concrete aanbevelingen voor de toekomst: ‘De politiefunctionaris die de leiding heeft als het om demonstraties of happenings gaat, zal het contact met allerlei vertegenwoordigers van de burgerij als een essentieel deel van zijn taak moeten beschouwen.’ Volgt een opsomming van de eigenschappen waarover deze functionaris moet beschikken: zo moet hij weten ‘dat er belangrijker dingen zijn dan belemmering van het verkeer. Hij moet gevoel voor humor hebben, en weten dat in een lastige situatie een grap meer waard is dan honderd gummiknuppels.’

Aad Nuis wilde dus al vroeg geen vrijzwevende intellectueel zijn. Aan de zijlijn staan en daar sarcastisch commentaar leveren op het politiek bedrijf, was hem niet genoeg. De angst besmet te worden door de compromissenwereld van de coalitiepolitiek kende hij niet. De sensatie een vrijzwevende intellectueel te zijn was hem wel bekend: hij was ook dichter, literair criticus, wetenschappelijk medewerker en columnist. Maar juist daarom: hij voelde zich er ongemakkelijk bij, alsof hij dan aan het spijbelen was. Die zwevende instelling was hem te weinig concreet, er moest ook iets echts gedaan kunnen worden in de echte werkelijkheid.

Nuis werd de twijfelaar die niet wilde kiezen tussen de dichter en de burger in zich. Hij maakte die positie tot zijn specialiteit, tot in de programmatische titel van zijn eerste bundel essays: Tussen twee schelven hooi (1968). Het waren ‘opmerkingen over poëzie en politiek’ van iemand die op het moment dat hij aan de ene ruif (poëzie) staat te eten heimwee heeft naar de andere (politiek).
Het was een positie met consequenties. Hij hield in dat hij de man werd van de redelijkheid, gematigheid, van samenwerking, van oplossingen zoeken. Nuis werd een kameleon (politicoloog, socioloog, literair criticus, politicus, voorzitter uitgeversbond) maar hij nam vaak een schutkleur aan. Toen hij in 1978 een keuze maakte uit zijn kritieken uit de Haagse Post gaf hij die de schutkleurtitel Boeken. Aanvankelijk was het de bedoeling dat hij de inleiding zou gebruiken om de lezer een idee te geven van het patroon in zijn literaire voorkeuren. Maar hij zag ervan af, het lukte hem niet zichzelf vast te pinnen, zoals hij zei.

Nuis zocht wel altijd het midden, maar er waren genoeg momenten dat hij de dichter in zich vrij liet en daarmee de politiek in ging. Zijn affiniteit met de wereld van Provo heeft hem nooit verlaten. Hij was de vleesgeworden democraat en anti-regent. Hij wilde niet zelf een uitzondering zijn, maar had altijd oog voor buitenbeentjes, de creatieve afwijking, voor eigenzinnigheid. Zijn engagement heeft verschillende keren concreet resultaat gehad. In de jaren zestig organiseerde hij een spraakmakende manifestatie tegen de Apartheid. In de jaren negentig zette hij zich met succes in voor de handhaving van de vaste boekenprijs. Als staatssecretaris van cultuur zorgde hij dat de nieuwe jongerenomroep BNN kon uitzenden. Zijn inzet voor de rehabilitatie van Weinreb had alles te maken met zijn affiniteit met mensen die op cruciale momenten de macht en de bureaucratie te slim af willen zijn, de Uilenspiegels. Dat hij Weinreb uiteindelijk verkeerd heeft beoordeeld wil niet zeggen dat zijn kritiek op de procesgang in de jaren veertig en op het rapport van het Riod dat in 1976 verscheen geen hout sneed. Zijn koppigheid was niet op niets gebaseerd. Minder gelukkig was wel dat hij maar volhield dat Frans Kellendonks roman Mystiek lichaam antisemitische trekjes had.

Het heen en weer tussen poëzie en politiek leidde onvermijdelijk tot vriendelijke politieke en literaire standpunten. Maar zijn ambivalentie werd er wel voor altijd exemplarisch van. Nuis was nooit uit op effect, zijn middenpositie was het gevolg van een koppige waarheidsliefde (‘Redelijkheid is nooit machteloos’). Nuis had de mooie eigenschap dat hij zich ‘verantwoordelijk voelde tegenover zichzelf’. Hij ergerde zich iets te veel aan de vrij zwevende individualistische intellectuelen die de politiek maar bleven wantrouwen. Zelf vond hij de politiek ‘een lang niet onaardige schikking in der minne van veel ingewikkelde zaken.’ Daar is geen woord poëzie bij.





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?