VN MediagidsHollandse huurlingenbaas in de VS

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Buitenland 22.01.2008

Door Thijs Niemantsverdriet

Voor god, geld en vaderland

26-01-2008
Door Thijs Niemantsverdriet

Het liefst opereert Erik Prince, oud-marinier, multimiljonair en vriend van christelijk rechts, in de schaduw. Maar sinds werknemers van zijn beveiligingsfirma Blackwater in september een bloedbad aanrichtten in Bagdad, ligt de Amerikaan met Hollandse roots persoonlijk onder vuur.

Op zondag 16 september 2007, omstreeks twaalf uur in de middag, reed een konvooi over het centrale plein van de wijk Nis­sour in Bagdad. Ondanks de verzengende hitte was het behoorlijk druk op straat. Het konvooi bestond uit drie regeringsauto’s met functionarissen van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, en een zestal all terrain-voertuigen met machinegeweren op het dak. Boven het konvooi cirkelden twee helikopters. Wie goed keek, zag dat de wagens getooid waren met de afbeelding van een zwarte berenklauw en een vizier – het logo van de Amerikaanse particuliere beveiligingsfirma Blackwater. De voetgangers op het Nissourplein besteedden weinig aandacht aan het voorbijtrekkende gezelschap. Zwaarbewapende colonnes, hoe intimiderend ook, zijn nu eenmaal vaste prik in het straatbeeld van Iraakse hoofdstad.

Maar toen namen de zaken een onverwachte wending. Het konvooi reed naar het midden van het plein en kwam tot stilstand. Ineens weerklonk het geratel van machinegeweren. Binnen enkele seconden ontstond op het plein volledige anarchie. Automobilisten trapten op de rem, voorbijgangers doken weg of stortten ter aarde. De lucht was gevuld met het schelle gekrijs van een mensenmassa in doodsangst. Toen het vuurgevecht vijftien minuten later ten einde was, lag het Nissourplein bezaaid met lijken. Zeventien Irakezen waren dood en tientallen gewond. Een moeder en een zoon waren samen levend verbrand in hun auto. Het plein was gehuld in een groen­gekleurde damp – het resultaat van de rookbommen die de Blackwater-mannen bij wijze van afscheid tot ontploffing hadden gebracht.

Naderhand liepen de getuigenissen over de schietpartij uiteen. De Blackwater-beveiligers beweerden door Irakezen met AK-47’s onder vuur te zijn genomen, waarna er niets anders opzat dan zichzelf al schietend in veiligheid te brengen. Maar volgens de Iraakse politie (en andere getuigen die met de pers spraken) begonnen de Blackwater-mannen uit zichzelf te vuren toen de auto met moeder en zoon in de verte het plein op kwam rijden. Ze zouden zijn bijgestaan door een klein peloton toe­gesnelde collega’s. Ook vanuit de helikopters zou er op mensen geschoten zijn.

De slachtpartij op het Nissourplein was niet de eerste keer dat het Amerikaanse publiek de naam Blackwater hoorde. In 2004 werden vier medewerkers van de firma in Fallujah op gruwelijke wijze vermoord, verminkt en aan een brug gehangen – aanleiding voor het grote Fallujah-offensief van het Amerikaanse ­leger in april van dat jaar. Maar deze keer waren de Blackwater-mannen zelf de agressor, zo leek het. De bloedige zondagmiddag op het Nissourplein ontketende ogenblikkelijk een golf van verontwaardigde reacties in Irak en daarbuiten. De Iraakse premier Al-Maliki noemde de schietpartij ‘moord met voor­bedachten rade’ en kondigde aan Blackwater zo snel mogelijk het land uit te willen zetten – wat overigens niet gebeurde, omdat Blackwater niet onder Iraakse, maar onder de Amerikaanse jurisdictie valt. De FBI begon een onderzoek naar de toedracht van de schietpartij, het Amerikaanse Congres stak zijn neus in de praktijken van Blackwater. In de pers barstte een discussie los over de wenselijkheid van particuliere beveiligingsbedrijven in oorlogsgebieden. Maar bovenal was alle aandacht ineens gericht op één persoon: Erik Prince (38), oud-marinier, multimiljonair, diepgelovig christen en in zijn eentje eigenaar van Blackwater USA.

Lokale weldoener
In de hoofdstraat van het stadje Holland in de Amerikaanse staat Michigan staat een bronzen standbeeld: een groep zingende kinderen, begeleid door een fluitspeler en een bassist. In de stoep vóór het standbeeld zitten zeven voetafdrukken, ook van brons, die in de richting van het beeld lopen. Op een bordje staat: ‘We zullen altijd uw voetstappen blijven horen. Edgar D. Prince 1931-1995. De bevolking van Holland dankt u voor uw uitzonderlijke visie en vrijgevigheid.’

Edgar Prince, de vader van Erik, was de rijkste en machtigste industrieel van Holland, Michigan. Zijn bedrijf in automotives (belangrijkste patent: een verlicht spiegeltje voor op de zonneklep in de auto) verschafte werk aan duizenden inwoners van Holland en werd tien jaar geleden verkocht voor 1,3 miljard dollar. Daarnaast was Edgar lokale weldoener: hij redde het stadscentrum van Holland van de kaalslag waaraan vrijwel elke Amerikaanse downtown vanaf de jaren zeventig ten prooi viel. Zijn meest spectaculaire investering was een ondergronds systeem van verwarmingsbuizen dat de stoepen tijdens de straffe noordelijke winters sneeuwvrij houdt. Bij zijn plotselinge dood in 1995 werd Prince senior als een groot man ten grave gedragen: ‘Holland Loses A Prince’, kopte de lokale krant.

Ook zoon Erik Prince is een bekendheid in Holland. Maar wanneer zijn naam valt, knijpen de mensen hun ogen samen. ‘Die heeft zich in de nesten gewerkt,’ klinkt het. Waarna meestal een opmerking volgt over de treffende uiterlijke gelijkenis tussen vader en zoon. Verder is het moeilijk om mensen te spreken te krijgen over de familie Prince. Een oude zakenpartner gooit resoluut de telefoon erop als hij hoort dat het over Erik gaat.

Zijn moeder Elsa, tweede generatie uit een Nederlands immigrantengezin (haar ouders waren Dick en Gert Zwiep uit Enkhuizen) woont nog steeds in Holland, in het grote, donkerbruine huis aan het water waar Erik ook opgroeide. Zij schijnt zelfs nog nederlands te kunnen spreken. Wil zij wellicht iets zeggen? Helaas. Een lange, slanke man – de dominee van de familie, waarmee Elsa hertrouwde na Edgars dood – doet de deur open en zegt met zalvende stem dat het echtpaar geen interviews geeft. De voorganger van de evangelische kerk die de familie iedere zondag bezoekt dan? Hij trekt ruim een uur uit voor een rondleiding door het kerkgebouw (zaal met vijfhonderd zitplaatsen, grote videoschermen, twee coffeebars, een eigen kindercrèche), maar wanneer de familie Prince en hun financiële banden met de kerk ter sprake komen, doet hij er vrijwel het zwijgen toe. ‘Gelijke offers, maar geen gelijke giften,’ is het enige, nogal enigmatische antwoord dat hij geeft.

IJverig kereltje
Holland, Michigan, is een merkwaardig oord. Het werd in 1847 gesticht door een groep Nederlandse gereformeerden die na een kerkelijk dispuut hun vaderland verlieten en naar de Verenigde Staten trokken. In het vlakke, beboste gebied aan de oevers van Lake Michi­gan stampten ze onder leiding van hun voorganger Albertus van Raalte een nederzetting uit de grond die honderdzestig jaar later nog altijd een bijzonder Nederlands karakter draagt. Goed, men spreekt er Engels en iedereen rijdt in grote auto’s, maar overal kom je winkels tegen met namen als Terpstra Construction, DeVries Photography, Wiersma’s Foods of Sybesma’s Auto Repair. In de omgeving van Holland liggen plaatsjes met namen als Borculo, Overisel en Zeeland. De grote publiekstrekker van Holland is De Zwaan, een molen die in de jaren zestig van de vorige eeuw vanuit het Brabantse Vinkel werd overgebracht en een prominente plaats heeft aan de noordzijde van het stadscentrum, naast een oud-Hollands postkantoor en een rank wit ophaalbruggetje dat niet zou hebben misstaan in Edam. En uiteraard is er elk voorjaar een groots opgezet tulpenfestival.

Behalve folklore brachten de Nederlandse immigranten nog iets anders naar de oevers van Lake Michigan: godsvrucht. Wie door de brede straten van Holland rijdt, ziet om de drie blokken een kerk – de stad telt er zo’n honderdzeventig (op 35.000 inwoners). De Hollandse immigranten stichtten hun eigen gereformeerde kerk – de Dutch Reformed Church – en zetten de protestantse traditie van theologische haarkloverij vrolijk voort: eind negentiende eeuw leidde onenigheid over de vraag of er tijdens de dienst alleen psalmen of ook gezangen ten gehore mochten worden gebracht tot een scheuring in de congregatie. De Dutch Reformed Church predikt zelfdiscipline, soberheid (in buurgemeente Zeeland wordt sinds twee maanden voor het eerst sinds bijna honderd jaar weer alcohol geschonken) en een onverwoestbaar arbeidsethos. Het gevolg: de welvaart spat van de gevels in Holland. De regio heeft de meeste hoofdkantoren van de staat Michigan en vormt al decennia lang het centrum van de Amerikaanse meubelindustrie. ‘In heel Amerika heerst een straf arbeidsethos,’ zegt Elton Bruins (spreek uit: ‘Broewins’), voormalig predikant en emeritus hoogleraar godsdienst aan het plaatselijke Hope College. ‘Maar in Holland doen ze er nog een schepje bovenop. Daarom vestigen bedrijven zich graag hier. Ze weten dat mensen hun baan serieus nemen.’ Het levensmotto van de meeste bewoners van Holland kun je volgens dominee Bruins samenvatten met de titel van een bekende hymne: ‘Work, for the night is coming.’

Het was deze mentaliteit die Edgar Prince zijn kinderen (naast Erik had hij twee dochters) van jongs af aan meegaf. De familie mocht dan stinkend rijk zijn, er moest gewoon worden gewerkt. ‘Edgar zei consequent tegen zijn kinderen dat ze zich nooit te goed mochten voelen voor anderen,’ zegt Dan VanderArk, de voormalige rector van Eriks middelbare school, Holland Christian High. ‘Hij had gewoon vakantiebaantjes in de zomer, net als alle andere leerlingen.’ Eriks cv in het Holland Christian High-jaarboek 1987 (motto: ‘Uw Woord is een lamp voor mijn voet, en een licht op mijn pad’) toont een bijzonder ijverig kereltje: hij was onder meer lid van de scholierenraad, de skiclub, het basketbalteam, het symfonieorkest, de National Honor Society en het voetbalteam. ‘Als de voetbaltraining was afgelopen,’ zegt VanderArk, ‘bleef Erik altijd na om de ballen, doeltjes en pilons op te ruimen. Terwijl de andere jongens onder de douche gingen staan, was hij als laatste nog op het veld.’

Er is nog iets dat Erik Prince onderscheidt in het jaarboek. Terwijl klasgenoten als Steven VanderZwaag, Timothy VanKampen en Thomas E. Hoekman hun haar in een zijscheiding droegen, of in een matje, had Erik een militaire crew cut. Hij wilde de krijgsmacht in, het liefst als vlieger. Niemand was dan ook verbaasd toen hij na zijn eindexamen koers zette naar de officiersopleiding van de marine in Annapolis. ‘Ik wist dat hij geïnteresseerd was in het leger,’ zegt VanderArk. ‘Ik dacht in die tijd al: deze jongen komt op een dag als leider bovendrijven. Hij heeft een sterk karakter, en weinig twijfels. Hij wordt admiraal of iets dergelijks.’

Little Bagdad
Op Route 168, komend vanuit Virginia Beach, sla je rechtsaf bij het tweede stoplicht na de grens met North Carolina. Na verloop van tijd bereik je een hek met een logo. Een paar kilometer na de poort staat een vierkant gebouw van twee verdiepingen hoog, met een ruwstenen entree en pick-uptrucks en Hummers voor de deur.

Dit is het Blackwater Lodge and Training Center in Moyock, North Carolina – het kloppend hart van het imperium dat Erik Prince in het afgelopen decennium opbouwde. Het ­oefen­terrein, dat bijna drieduizend hectare omvat, ligt in midden een moerassig gebied op de grens van North Carolina en Virginia (Prince vernoemde zijn firma naar het zwarte water dat overal in Moyock uit de drassige bodem opborrelt), en is de droom van iedere militair, politieagent en hobbyschieter. In het magazijn hangen alle mogelijke soorten geweren en pistolen. Overal zijn schietbanen waar geoefend kan worden op draaiende metalen schietschijven. Er is een hangar vol met helikopters, een meer vol met namaakschepen en een racecircuit om achtervolgingen te oefenen. En dan hebben we het nog niet eens over de speciale faciliteiten van Moyock. Zo is er een namaak-Iraaks dorp dat door Blackwater-employees ‘Little Bagdad’ genoemd wordt. Een half jaar na het bloedbad op Columbine High School in Colorado opende Blackwater in Moyock de ‘R U Ready High School’, een gebouw met vijftien klaslokalen waar politieteams kunnen trainen voor toekomstige tragedies op scholen. De simulatie gaat ver: tijdens de oefeningen worden geluidsbanden afgedraaid van angstig schreeuwende scholieren.

Erik Prince kocht het terrein in North Carolina in 1996. Toen Prince sr. in 1995 overleed, zat Erik sinds een aantal jaren bij de Navy SEALs, een multi-inzetbare elite-eenheid van de Amerikaanse marine (SEAL is een afkorting voor ‘SEa, Air, Land’). Hij stond op het punt om uitgezonden te worden naar Bosnië. Na de missie alsnog volbracht te hebben (in haar kerstgroeten van 1995 vroeg zijn moeder Elsa iedereen om te bidden voor Erik, diens vrouw en kinderen, en andere militaire families), zei Prince de SEALs vaarwel – tegen zijn zin. Hij keerde terug naar Holland om de nalatenschap van zijn vader te regelen.

De verkoop van de Prince Corporation maakte de zoon des huizes in één klap multimiljonair. Daarmee kon hij Blackwater van de grond krijgen. De premisse achter het bedrijf was simpel. Als SEAL was Prince er keer op keer mee geconfronteerd dat de marine te weinig eigen trainingsfaciliteiten had. Zou een commercieel trainingscentrum – niet alleen voor militairen, maar ook voor ijverige sheriffs, anti-terrorisme-eenheden en particuliere wapenliefhebbers – geen gat in de markt zijn?

De eerste jaren liepen de zaken in Moyock redelijk. Er werd slechts bescheiden winst gemaakt – maar dat maakte Prince niet uit. Hij deed wat hij leuk vond, en er was geld genoeg. Het Blackwater-centrum had binnen afzienbare tijd een goede naam gekregen onder wapenexperts overal in het land. In het najaar van 1999 bracht een verslaggever van het tijdschrift voor huurlingen Soldier of Fortune een bezoek aan Moyock. Hij was onder de indruk van wat hij zag tijdens zijn driedaagse tactical shotgun course. De instructies waren uitmuntend, de wapens perfect in orde en de verblijfplaats van de cursisten ruim en comfortabel. ‘Blackwater,’ schreef hij meteen in de eerste alinea van zijn bespreking, ‘is een klasse apart.’

Geloof in vrije markt
Een van de eerste werknemers van Blackwater was Jamie Smith, een voormalige Navy SEAL- en CIA-medewerker. Smith studeerde rechten in Virginia Beach, vlakbij het oefenterrein in Moyock, en om zijn studie te bekostigen, kluste hij bij als schietinstructeur bij Blackwater. In september 2001 had hij net zijn diploma in ontvangst genomen en stond op het punt een carrière te beginnen als advocaat, toen er iets gebeurde dat zijn leven en dat van Erik Prince radicaal zou beïnvloeden: er vlogen twee vliegtuigen in het World Trade Center in New York. Nog geen maand later viel het Amerikaanse leger Afghanistan binnen, en in maart 2003 volgde de invasie van Irak. Ineens stond de telefoon roodgloeiend bij Blackwater. ‘Ik had Erik er al eerder op attent gemaakt dat de particuliere beveiligingsbranche een gat in de markt was,’ zegt Smith nu. ‘In november 2001 belde hij me op en vroeg of ik voltijds bij Blackwater wilde komen werken. Goed, zei ik, maar op één voorwaarde: we zetten een beveiligingsdivisie op. Hij ging akkoord.’ Zes maanden later bevonden Smith en Prince zich in een klein gehucht aan de Afghaans-Pakistaanse grens, voor de eerste opdracht van Blackwater Security Consultancy.

Sindsdien is het bedrijf uitgegroeid tot een gigantische onderneming. Blackwater heeft op het moment zo’n 2300 beveiligers in dienst (voornamelijk oud-politieagenten, voormalige mariniers en ex-CIA’ers), in negen verschillende landen – tweeduizend van die 2300 beveiligers zitten in Irak. Verder is nog een database van meer dan 23.000 contractors. Sinds 2000 heeft het bedrijf voor meer dan vijfhonderd miljoen dollar aan overheidscontracten in de wacht gesleept – maar dat zijn alleen de openbare aanbestedingen. In Newsweek gaf Prince toe dat het totale bedrag aan overheidscontracten ‘wel eens een miljard dollar’ zou kunnen zijn.

Waar heeft Blackwater dat onstuimige succes aan te danken? In de eerste plaats natuurlijk aan 9/11 en de War on Terror van president Bush. Of, om met Al Clark, een andere medeoprichter, te spreken: ‘Osama bin Laden heeft Blackwater gemaakt tot wat het vandaag de dag is.’ Het Amerikaanse leger voert sinds 2003 twee moeizame oorlogen – in Irak en in Afghanistan – en heeft niet voldoende energie en manschappen voor aanvullende taken, zoals de beveiliging van legerkampen, gebouwen en burgerfunctionarissen. De eerste grote klus die Blackwater in Irak kreeg toegewezen, was de bescherming van L. Paul Bremer, de bewindvoerder-op-desert-boots die van mei 2003 tot juni 2004 namens de Ameri­kanen het land bestuurde.

Wat ook een handje geholpen zal hebben, zijn Princes warme relaties binnen de Republikeinse Partij. In 1992 liep hij zes maanden stage in het Witte Huis onder George Bush sr. Het was weliswaar een enigszins teleurstellende ervaring voor de jonge Prince (hij vond de sfeer er te linksig, en voerde bij de voorverkiezingen dat jaar campagne voor Bush’ ultra-rechtse uitdager Pat Buchanan), maar hij hield er wel mooie contacten aan over. Prince doneerde de afgelopen jaren bijna een kwart miljoen dollar aan de Republikeinen. De partijtrouw zit in de familie: Eriks zuster Betsy was jarenlang voorzitter van de Republikeinen in Michigan, en haar echtgenoot Dick DeVos deed in 2006 namens de partij een (mislukte) gooi naar het gouverneurschap van Michigan.
Maar het was Blackwater nooit zo voor de wind gegaan zonder een andere ontwikkeling: de radicale afslanking van het Amerikaanse leger vanaf begin jaren negentig. Met de implosie van het evil empire van de Sovjet-Unie verdween de noodzaak voor een groot, afschrikwekkend leger en een oneindig groot wapenarsenaal. Maar er was ook een ideologische component. De mannen in het kabinet van de toenmalige president Bush sr. waren true believers in de heilzame werking van de vrije markt. En dat geloof strekte zich ook uit tot de nationale veiligheid. De U.S. Army zou zich voortaan beperken tot een aantal kern­taken, en de rest werd outsourced naar privébedrijven – voor minder geld en op efficiëntere wijze. De grote man achter dit project destijds: minister van Defensie Dick Cheney.

Erik Prince is, niet geheel verrassend, een groot aanhanger van deze doctrine. Ten tijde van de grote militaire bezuinigingen studeerde hij aan Hillsdale, een buitengewoon conservatief college in Michigan waar een vrijwel onbegrensd geloof in de vrije markt werd gepredikt. Gevraagd naar zijn grote voorbeeld komt hij niet op de proppen met Alexander de Grote of generaal Eisenhower, maar met een zakenman: Alfred Sloan, de man die General Motors in de eerste helft van de twintigste eeuw uitbouwde tot een miljardenbedrijf. Een voorbeeld dat Prince graag gebruikt om zijn opvattingen kracht bij te zetten, is het post­bedrijf FedEx. ‘Dat verleent dezelfde diensten als de nationale posterijen. Maar veel ­beter, goedkoper, slimmer en sneller,’ zei Prince onlangs in het neoconservatieve weekblad The Weekly Standard. ‘Daardoor moesten de staatsposterijen ook ineens hun brieven in één dag gaan bezorgen.’ Op een vergelijkbare wijze wil Prince de Amerikaanse overheid ‘fed-exen’. En daar krijgt hij ruim de gelegenheid toe: op het moment zijn er in Irak net zoveel militaire contractors als gewone soldaten, tegen één op zestig tijdens de Golfoorlog in 1991.

Steroïden en tatoeages
Levert Blackwater hoge kwaliteit? Als je uitsluitend kijkt waarvoor de firma wordt in­gehuurd, dan wordt er uitmuntend werk geleverd: in zes jaar tijd sneuvelde nog nooit een diplomaat of functionaris die Blackwater beveiligde. Maar het ligt eraan hoe je kijkt. Volgens het Center for Constitutional Rights, een progressief advocatenkantoor dat in november een aanklacht tegen Blackwater indiende, is de firma de afgelopen jaren in Irak bij 437 incidenten betrokken geweest, waarbij regelmatig – ook vóór die septemberdag op het Nissourplein – Iraakse burgers om het leven zijn gekomen. Het lijkt erop dat Blackwater de veiligheid van de eigen employees voorop stelt en weinig geeft om de Iraakse hearts and minds.

De meeste Blackwater-employees noemen zichzelf shooter. Voorbijgangers die in de weg lopen, worden door Blackwater-konvooien bekogeld met waterflessen, auto’s van Iraakse burgers zonder pardon van de weg gedrukt, en het gebruik van traangas wordt niet geschuwd. Een ambtenaar van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken die met enige regelmaat door Blackwater beveiligd wordt, zegt: ‘Elke keer als ik een overleg had met de Irakezen, werd de progressie die we hadden geboekt weer tenietgedaan op de terugweg.’

Jamie Smith verbaasde zich niet over de slachtpartij in Bagdad. In 2002, vlak na de eerste klus in Afghanistan, ging hij weg bij Blackwater om zijn eigen beveiligingsfirma op te zetten. De reden: hij was niet tevreden met de manier waarop de contractors werden opgeleid en bewapend. ‘Erik en ik hadden een fundamenteel meningsverschil. Ik vond Blackwater een trainwreck waiting to happen.’ Ook de manier waarop Prince leiding geeft aan het bedrijf, stond Smith tegen. Natuurlijk, hij heeft net als Prince een echte soldateninborst – met inspraak of arbeiderszelfbestuur moet je bij hem niet aankomen. Maar de Blackwater-baas gaat volgens hem wel érg ver in het afdwingen van loyaliteit. ‘Je bent voor hem of tegen hem. Dus is er een enorm verloop bij Blackwater. Toen ik er nog werkte, vergeleken we het management van Blackwater voor de grap wel eens met een vliegdekschip: terwijl er aan de ene kant een F16 landt, vliegt er aan de andere kant eentje af.’

Toch is Blackwater voor beroepsvechtjassen een bijzonder aantrekkelijke werkgever. Oud-mariniers en politieagenten verdienen met een paar maandjes Irak meer dan in een heel jaar bij de reguliere strijdkrachten. Goed, het werk is gevaarlijk. Maar je krijgt als contractor ook bepaalde vrijheden die je als reguliere militair niet hebt – je kan je haar laten groeien, een baard laten staan en je vrijelijk te goed doen aan pepmiddelen (volgens het Center for Constitutional Rights gebruikt een kwart van de Blackwater-contractors illegale steroïden). En, nog belangrijker, contractors genieten een juridische status aparte. Gewone Amerikaanse militairen die zich misdragen, kunnen voor een militaire rechtbank komen. Maar het is maar zeer de vraag of de Blackwater-mannen van het Nissourplein ooit verantwoording zullen hoeven afleggen.

Het zelfverklaarde rock ’n’ roll-imago maakt Blackwater-employees tot een gemakkelijk object van spot. Onder privébeveiligers in Bagdad circuleert sinds enige tijd een e-mail. Het is een lijst met symptomen waaraan de zogenaamde ‘Blackwater-koorts’ te herkennen valt. Zo weet je dat je bent besmet wanneer ‘je onderarmen vol zitten met tatoeages’ en je ‘grote hoeveelheden gel in je haar doet, ondanks het feit dat je in oorlogsgebied zit’. Of wanneer je ‘in een dronken bui wel eens een doorgeladen wapen op je beste vriend hebt gericht, en dat grappig vond’. Als remedie tegen het virus wordt onder meer aangeraden: ‘Ga naar de kapper, neem een scheerbeurt en behandel anderen zoals je zelf ook behandeld zou willen worden. Don’t let your ego get bigger than your hat size.’

Minimum aan informatie
In de dagen na de moordpartij in september nam Erik Prince een belangrijke beslissing: hij besloot een mediablitz te ontketenen om de naam van zijn bedrijf te redden. Tot dan toe had hij, ‘uit veiligheidsoverwegingen’, iedere vorm van publiciteit gemeden – soms op het ziekelijke af. Wie de naam ‘Erik Prince’ intypt in een Amerikaanse krantendatabase krijgt vóór 16 september 2007 welgeteld drie hits. Tot die bloedige zondag in Bagdad was Prince één keer vluchtig op televisie geweest. Als er camera’s in de buurt waren, bedekte hij meestal zijn gezicht. Organisatoren van conferenties waar hij optrad, werd gesommeerd alle beeldmateriaal van hem te vernietigen.

Maar nu zat de mysterieuze condottiere uit Holland ineens bij programma’s als 60 Minutes en The Charlie Rose Show. Hij nodigde verslaggevers uit op het Blackwater-complex in Moyock en gaf een interview aan het tijdschrift Newsweek (de verslaggever die hem opzocht in zijn kantoor in een buitenwijk van Washington merkte op dat het bedrijf de geheimzinnigheid nog niet helemaal had afgeschud: op de deur van het Blackwater-kantoor bevond zich nergens een naambordje). Op 2 oktober 2007 getuigde Prince voor een commissie in het Huis van Afgevaardigden in Washington.

Het was een slimme strategie. Prince bleek er namelijk allerminst uit te zien als de aanvoerder van een legertje getatoeëerde renegaten dat afreist naar ’s werelds brandhaarden vanwege de poen en de kick. Hij had de looks van een voorbeeldige Amerikaan, met het gedisciplineerde en opgeruimde voorkomen van een marinier: rank en gespierd, een knap gezicht, zijn witblonde haar in een crew cut. Op beleefde toon verdedigde hij zijn bedrijf, pratend met overtuiging en in goed geformuleerde zinnen (die bij nadere inspectie een minimum aan informatie bezaten). Of hij voornamelijk contracten kreeg vanwege zijn banden met de Republikeinse Partij en de
regering-Bush? Zeker niet. Hij was nog nooit op onheuse wijze aan een opdracht gekomen. Of zijn firma boven de wet stond? Geenszins. Blackwater deed niets zonder orders vanuit Washington en als de beleidsmakers van ze af wilden, waren ze in een oogwenk weer weg. En zijn belangrijkste argument: Blackwater was geen huurlingenleger. ‘Huurlingen, dat zijn soldaten die voor iedereen vechten die maar betaalt. Wij zijn Amerikanen die in Irak strijden voor de Amerikaanse zaak.’

Op die manier wist Erik Prince zichzelf neer te zetten als de personificatie van de Ameri­kaanse patriot. Als een man die, de almachtige bureaucraten in Washington ten spijt, zijn eigen koers vaart. For God and country. En daar hebben Amerikanen, generaties lang opgevoed met Hollywoodfilms over vaderlandslievende loners, nu eenmaal een zwak voor. Het verklaart meteen waarom beveiligingsbedrijven als DynCorp en Triple Canopy, die precies hetzelfde werk doen als Blackwater in Irak en Afghanistan, de afgelopen tijd veel minder in het nieuws zijn geweest.
In Holland, Michigan, vond men dat Prince zich uitstekend weerde. In de plaatselijke krant betuigden ingezonden brievenschrijvers steun aan hun stadsgenoot. ‘Stelde hij zich maar kandidaat voor het presidentschap!’ schreef een vrouwelijke bewonderaar. ‘Als ik jonge mensen zie als Erik Prince, krijg ik weer hoop voor ons land.’ Dan VanderArk, zijn voormalige rector, nam de getuigenis in het Congres op video op en bekeek hem ’s avonds integraal. ‘Ik was trots op zijn krachtige voorkomen. Hij was nog helemaal de jongen die ik van school kende: het kortgeknipte haar, de persoonlijkheid, de assertiviteit.’ Persoonlijk heeft hij ‘zeker vragen bij de inzet van firma’s als Blackwater’, zegt VanderArk. ‘Maar aan Eriks integriteit twijfel ik niet.’

Tienermeisjes
Ondanks de steun in zijn stomping ground in Michigan wachten Erik Prince pittige tijden. Het FBI-onderzoek naar de schietpartij op het Nissourplein is nog niet afgerond, maar de voortekenen voorspellen niet veel goeds voor Blackwater. Volgens ingewijden heeft de FBI inmiddels geconstateerd dat veertien van zeventien slachtoffers ‘zonder reden’ zijn gedood. En vorige week lekte opnieuw slecht nieuws uit voor het bedrijf: Blackwater zou meteen na het incident een aantal van de betrokken voertuigen hebben overgeschilderd.

Met zulk zwaar weer op komst kan het imago van Blackwater wel een oppepper gebruiken. En Erik Prince heeft al bedacht uit welke hoek die zou moeten komen: peace­keeping. Sinds hij onlangs een bezoek bracht aan Darfur, heeft hij herhaaldelijk geopperd dat Blackwater de genocide in de Soedanese regio een halt zou kunnen toeroepen.

Schietgrage huurlingen als vredestichters. Het klinkt te absurd voor woorden, maar voor Erik Prince is het een reële optie. Dat het hem menens is, bleek twee weken geleden. Op maandag 7 januari landde er in de stad Grand Rapids in Michigan een vliegtuig. Aan boord zaten drie hoogblonde tienermeisjes uit de omgeving van Holland: Brittanie VanderMey, Jamie Cook en Aubrie VanderMey. Ze hadden vrijwilligerswerk gedaan in een weeshuis in Kenia, maar dreigden in de knel te raken door het stammengeweld. Toen schoot Erik Prince te hulp. De vader van de zusjes had contact gezocht met zijn familie. Blackwater gaf toch trainingen in Kenia, zou de firma niet een handje kunnen helpen bij hun evacuatie? Geen probleem. In een mum van tijd waren Brittanie, Jamie en Aubrie door een pelotonnetje beveiligers uit het weeshuis geplukt en langs alle wegversperringen naar het vliegveld gebracht. Gratis en voor niets.
Kijk, dat is nog eens iets anders dan met scherp schieten in Bagdad.





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?