Vrij Nederland Het feest van Saturnus. De literatuur van het heidense Rome - Piet Gerbrandy
Aeneas was een zak
04-09-2007
Door Allard Schröder
Dichter en filoloog Piet Gerbrandy schreef een geschiedenis van de Latijnse literatuur uit de Klassieke Oudheid, Het feest van Saturnus. Dat is niet het beloofde handboek, maar een zeer persoonlijk overzicht, waarin de christenen niet mogen meedoen en invloed zwaarder weegt dan genie.
Hoe lees je auteurs uit de klassieke oudheid? Alsof het tijdgenoten waren of als auteurs die in hun historische context gelezen moeten worden? Of, voorzover dat mogelijk is, als een mix van deze twee? En welke houding moet je dan als lezer aannemen? Die van de filoloog, die een objectief verslag wil geven van wat hij heeft gelezen, of die van de poëzieliefhebber die zijn leeservaring wil overbrengen?
Deze vragen zijn niet gemakkelijk te beantwoorden; aan het lezen van een klassieke tekst zitten nogal wat haken en ogen. Zo is het voor ons niet altijd meer te begrijpen wat het publiek in de Klassieke Oudheid of in andere eeuwen in sommige kunstvormen heeft gezien. Het achttiende-eeuwse treurspel is ons bijvoorbeeld totaal vreemd, het wordt daarom ook nauwelijks meer uitgegeven of opgevoerd. Evenmin zien we in wat de lol was van al die lange redevoeringen uit de tweede sofistiek en de Late Oudheid, uitgesproken door, volgens sommigen, ijdele en leeghoofdige redenaars, ‘druipend van pommade’. En zijn Vondel en Hooft nu klassiek of alleen nog maar verplichte kost voor studenten en tegenstribbelende middelbareschoolleerlingen? Ooit was dit alles literatuur waarvoor een groot publiek te vinden was. Nu is dat niet langer zo.
Is de literatuur uit het verleden dan een boek dat zich voor ons heeft gesloten? Deels wel, al zal niet iedereen zich daarbij willen neerleggen. De vreemdheid van het verleden wordt gewoonlijk niet of met tegenzin geaccepteerd, omdat we de mensen van vroeger nu eenmaal graag als tijdgenoten beschouwen; het geeft een geruststellend gevoel van veiligheid en continuïteit: zie je wel, het is altijd zo geweest als nu. Dat gaat wel eens op, maar vaker niet. Veel oude teksten zijn helaas het exclusieve terrein van specialisten geworden. Niemand kan ontkennen dat een filoloog na jaren studie dieper in een oude tekst zal kunnen doordringen dan een huis-tuin-en-keukenlezer die er zonder veel voorbereiding aan begint, maar wil die filoloog eigenlijk wel altijd doordringen tot een tekst of heeft hij zo zijn eigen inhibities?
Een bedenkelijk atavisme
Ik kom hiertoe na lezing van Het feest van Saturnus, een geschiedenis van de Latijnse literatuur uit de Klassieke Oudheid, geschreven door Piet Gerbrandy, die zowel filoloog als universitair docent is, en zowel hoog gewaardeerd dichter als poëzierecensent. Dat lijkt een gelukkige combinatie en je zou van zijn boek dan ook zoiets als een mengeling van poëtisch inzicht en wetenschappelijke distantie verwachten, maar dat is lang niet altijd het geval, zoals we zullen zien. Het is voortreffelijk geschreven en ook begrijpelijk voor wie nog nooit met de Latijnse literatuur in aanraking is gekomen; het is ook een zeer persoonlijk boek, wat zo zijn voor- en nadelen heeft.
Dat het hier geen gewone literatuurgeschiedenis betreft, blijkt meteen al uit de tweede titel: De literatuur van het heidense Rome. Christenen mogen dus niet meedoen, wat opmerkelijk genoemd mag worden. Gerbrandy beseft ook dat hij met deze keuze de lezer een verklaring schuldig is. Religie, zo legt hij uit, is een ‘interessant maar bedenkelijk atavisme’. De religieuze opvattingen en praktijken van de niet christelijke Romeinen zijn dat kennelijk niet, ook al hebben ze met het begrip religio het verschijnsel zijn naam gegeven. ‘Iedere keuze is aanvechtbaar,’ verontschuldigt Gerbrandy zich, maar ‘omdat met de kerkvaders een geheel nieuwe traditie aanvangt, die meer raakvlakken heeft met middeleeuwse theologen dan met Lucretius, Horatius en Tacitus, heb ik hen buiten dit boek gehouden, anders dan in de meeste recente literatuurgeschiedenissen wordt gedaan. Laat een ander het verhaal van die christelijke lijn vertellen.’
Deze vlieger gaat natuurlijk niet op. Het christendom was een verschijnsel van de Klassieke Oudheid, het is tijdens de vroege keizertijd binnen het Romeinse Rijk ontstaan en heeft in de eerste eeuwen van zijn bestaan zijn verspreiding en grootste aanhang binnen het rijk gevonden. Toen de christenen
literatuur gingen schrijven, veranderden ze niet op slag in theologen die meer te maken zouden hebben met de Middeleeuwen dan met het klassieke Rome.
Van de twee gescheiden lijnen van Gerbrandy kan geen sprake zijn; die zijn een uitvinding van hemzelf om zijn keuze te kunnen rechtvaardigen. Alsof niet alle christelijk geïnspireerde dichters en schrijvers de ‘heidense’ cultuur van Rome met de paplepel is ingegoten. Hieronymus verweet zichzelf op een zeker moment vertwijfeld dat hij Ciceroniaan was en geen christen (‘Ciceronianus es, non Christianus’). De interessante dichter Prudentius, doorkneed in de Latijnse poëzie, geloofde als vele christenen hartstochtelijk in de missie van Rome in de wereld, hij was een Romeins patriot. Iets dergelijks kun je van Augustinus zeggen, die dit standpunt na de plundering van Rome herzag. De dichter Paulinus van Nola volgde als zoveel christelijke auteurs de classicistische tendensen in de laat-antieke letteren. Wat hebben deze en andere auteurs in vredesnaam met Middeleeuwse theologen te maken? Niets. Die tappen gewoonlijk uit heel andere vaatjes en daarin zit gewoonlijk geen poëzie.
De lezer zal dus weinig christelijks in Gerbrandy’s literatuurgeschiedenis aantreffen, waardoor die dan ook niet het handboek kan zijn waarvan de uitgeverij juichend gewaagt.
Giganten Cicero en Vergilius
Ook in ander opzicht wordt dit boek gekenmerkt door persoonlijke keuzes. Auteurs die Gerbrandy graag leest, krijgen een voorkeursbehandeling, auteurs voor wie hij weinig of geen waardering heeft, worden kort of in het geheel niet behandeld. De meeste aandacht krijgen Cicero en Vergilius, zij ‘torenen als giganten boven de rest uit, misschien niet omdat ze de grootste zijn, maar wel omdat ze alle Latijnse literatuur na hen beslissend hebben beïnvloed’. Dit is ontegenzeglijk waar, maar dat hun werken van grote invloed zijn geweest, betekent toch niet automatisch dat ze ook literair uitzonderlijk zijn? Er wringt hier iets. Voor de filoloog zijn ze belangrijk, maar voor de liefhebber? De laatste schrijft verderop in de gedaante van Piet Gerbrandy dat Tacitus ‘zonder serieuze concurrentie de grootste prozaïst uit de Latijnse literatuur’ is, wat velen met hem eens zullen zijn. Deze auteur krijgt niettemin in totaal slechts dertien bladzijden toegemeten, Cicero daarentegen twintig. Invloed weegt dus zwaarder dan genie.
Vanwaar deze keuze?
Iets meer dan een eeuw geleden schreef Eduard Norden Die antike Kunstprosa, met enige goede wil een vergelijkbaar boek als Het feest van Saturnus. Daarin merkt Norden het volgende op: ‘De literatuur van de oudheid verschilt in formeel opzicht van de literaturen van alle moderne volken, omdat zij een onvergelijkbaar hogere waarde toekent aan de vorm van de beschrijving.’ In de wereld van het Latijn worden Cicero en Vergilius nu eenmaal gezien als de auteurs die voor eens en voor altijd de standaard hebben bepaald voor wat goed proza en goede poëzie was. Tacitus hoorde daar niet bij, diens proza werd daarvoor te excentriek geacht.
Lezenswaardig
Afgezien van deze op- en aanmerkingen moet beslist gezegd worden dat Gerbrandy een zorgvuldige lezer is, die zíjn lezers geduldig de finesses van de besproken teksten toont. Een van de hoogtepunten uit het boek is zijn behandeling van Vergilius’ Georgica, volgens hem ‘het beste gedicht ooit geschreven’. In slechts zes bladzijden legt hij uit waarom dat zo is; hij doet dat op een zulk overtuigende wijze dat je bijna geneigd bent hem te geloven. Ook zijn twijfels over de Aeneis zijn de moeite waard. Veel classici lopen als een kat om deze hete brei heen. Gerbrandy niet. Hij stelt zich dezelfde vraag die elke lezer van dit epos zich wel eens heeft gesteld: ‘Is Aeneas een held of een zak?’ Het optreden van het personage in kwestie is namelijk niet altijd even sympathiek. Bij de brand van Troje redt hij vader en zoon en laat hij zijn vrouw stikken.
Gerbrandy probeert zijn reputatie nog wel te redden, maar gooit uiteindelijk toch de handdoek in de ring: ‘Als de Aeneis een groot gedicht is, komt dat niet door de personages.’ Intussen heeft hij er wel een paar interessante alinea’s aan gewijd. Wanneer later Statius’ epos de Thebais ter sprake komt, valt het doek voor de Aeneis als verhaal; Gerbrandy vindt het eerstgenoemde werk
eigenlijk beter en daarin kon hij wel eens medestanders vinden. Overigens blijven de poëtische kwaliteiten van Vergilius, ook in de Aeneis, terecht onaangevochten.
De behandeling van de dichters van de vroege keizertijd is zeer lezenswaardig, al stelt het artikel over Petronius, die andere grote prozaschrijver, daarentegen weer wat teleur; op de een of andere manier lijkt Gerbrandy weinig vat op de Satyrica te krijgen.
Flutdichter
In de inleiding tot de periode voorafgaand aan de Late Oudheid, ongeveer van 150 tot 300, bindt hij nog eenmaal de strijd aan met het christendom. Daarvoor kiest hij een dialoog tussen een christen en een heiden, de Octavius van Minucius Felix. Hoofdschuddend volgt Gerbrandy het verloop van het debat, dat er uiteindelijk geen is, en citeert als uitsmijter een lange passage waarin de christen Octavius uitlegt welk ellendig lot de godloochenaar in het hiernamaals wacht; het blijkt een hels gruwelkabinet vol weerzinwekkende martelingen te zijn, waarvan een mens niet vrolijk wordt. Voor Gerbrandy aanleiding stevig uit te pakken. ‘Dit is de rücksichtslose wreedheid van hen die weten dat ze altijd gelijk hebben (…) je kunt ze nooit pakken, de christenen, want zodra hun rigide logica tot een ongewenste uitkomst leidt, verschuilen ze zich achter ronkende paradoxen en vormt juist de onbegrijpelijkheid van Gods bewind het ultieme argument voor zijn opperste wijsheid.’ Ik deel waarschijnlijk al Gerbrandy’s bezwaren tegen het christendom, maar wil daarover liever niet onderricht worden in een literatuurgeschiedenis – hoe persoonlijk ook van opzet. Daarvoor zijn er andere gelegenheden.
In de laatste honderd bladzijden van Het feest van Saturnus merkt de lezer dat de auteur zich steeds minder thuis voelt in zijn geliefde Rome. Hij heeft het gevoel dat met de verspreiding van het christendom hem iets is afgenomen dat hem dierbaar was. De Late Oudheid ligt hem dan ook niet, de periode is hem vreemd en dat wordt er niet beter op wanneer je doet alsof het christendom een vervelende bijzaak is.
Literair valt er voor hem niet zoveel meer te beleven. De – kleine – dichter Tiberianus mag rekenen op een warme alinea en de vijfde-eeuwer Claudianus krijgt terecht nog het volle pond, maar hoewel genie wordt de dichter toch weer ‘koud’ genoemd, een kwalificatie waarmee hij zo ongeveer in elke traditionele literatuurgeschiedenis wordt achtervolgt zonder dat iemand kan uitleggen wat daarmee nu precies bedoeld wordt.
Als gezegd, geen christendichters. Maar de soep wordt niet zo heet gegeten; zolang ze maar seculier zijn, mogen ze. Ausonius – die met zijn geloof niet te koop loopt – wordt nog wel passabel geacht, maar zijn vriend en collega-dichter Paulinus van Nola is vanwege zijn te opzichtige christelijkheid en zijn bisschopszetel uit het boek verbannen. Om onduidelijke redenen wordt de lezer nog wel een flutdichter als Pentadius voorgeschoteld, wiens poëzie door de literatuurhistoricus Raby ooit pervers is genoemd. Maximianus wordt met een schouderophalen afgedaan, hoewel deze amoureuze bejaarde toch echt veel betere poëzie schreef.
Het literaire leven van de Late Oudheid, dat om verschillende redenen interessant kan zijn, is zodoende slechts in uiterst afgeslankte vorm aanwezig. Zeker, de literatuur vernieuwde zich, maar de meeste auteurs, christen of heiden, voelden zich nog steeds een deel van de klassieke wereld.
Bizar einde
Gerbrandy heeft er geen zin meer in. Somber schildert hij de toestand van het rijk in de vierde en vijfde eeuw. Het is een en al verval wat de klok slaat, daarin verschilt Het feest van Saturnus niet van veel van zijn voorgangers. Dat de ontwrichting van het westelijk rijk ook wel eens te maken kon hebben gehad met de verwoestende Gothen-oorlogen en vanaf 543 met de in golven terugkerende zogenaamde Justiniaanse pest en de daarop volgende hongersnoden en economische crises lezen we nergens.
Het slothoofdstuk gaat grotendeels over de in 521 terechtgestelde Boëthius, door Gerbrandy terecht bewonderd, ondanks de theologische traktaten die hij heeft geschreven – een onwelkom feit dat met de mantel der liefde wordt bedekt.
Het feest van Saturnus eindigt bizar. De uiterst curieuze zevende-eeuwse(!) taalleraar Virgilius Maro Grammaticus mag het licht uitdoen. Het is een wat kinderachtig slot, waarmee Gerbrandy kennelijk wil aantonen dat de literaire ontreddering van zijn geliefde Rome wat hem betreft compleet is.
Het zij zo. Het slotdeel van de antieke wereld is hem vreemd gebleven en hij is zo eerlijk geweest daarvoor uit te komen. De filoloog met zijn verlangen naar inzicht en de liefhebber met zijn verlangen naar nieuwe leeservaringen hebben het uiteindelijk moeten afleggen tegen de vooroordelen van de persoon Gerbrandy. Dat is jammer, want er viel voor hem nog zoveel te halen in wat hij links heeft laten liggen.
Piet Gerbrandy, ‘Het feest van Saturnus. De literatuur van het heidense Rome’. Polak & Van Gennep, Amsterdam, 534 pagina’s, € 29,95