Vrij Nederland Het bedrijf deel 1: Opwinding - Hans Vervoort
Weekbladperspraat
10-11-2007
Door Jeroen Vullings
Hans Vervoort schrijft in Het bedrijf deel 1: Opwinding als een dorre, door onderzoeksrapporten en cijfers bevangen boekhouder over de uitgeverij waar hij lang werkte
Hans Vervoort zou geen boekje opendoen over zijn vijfentwintig dienstjaren (1975-2000) bij uitgeverij de Weekbladpers, maar wel drie. Een romantrilogie over het bedrijf waar bladen als Vrij Nederland, Opzij en Voetbal International verschenen, waar de hoofdredacteuren Rinus Ferdinandusse, Joop van Tijn en Cisca Dresselhuys hun hoef plantten, waar Theo Bouwman zich opwarmde om als de latere topmanager van VNU en PCM te functioneren, dat is iets om naar uit te zien. Niet alleen kan zo'n project geschreven door een insider als Vervoort (1939) - hij werkte er vooral als marktonderzoeker en directielid - een spectaculair inkijkje bieden in de recente persgeschiedenis. Ook zou het genre waarin Vervoort zich als schrijver vanaf zijn debuut in 1970 bekwaamd heeft, mild ironisch realistisch proza met aandacht voor nostalgie, op een weldadige manier de legendarische verhalen rond dito figuren voor het voetlicht kunnen brengen.
Maar dat valt vies tegen. Eerst doordat Vervoort zijn project verkeerd presenteert. Dat zijn verzameling scenes uit een kantoorbestaan een roman moet zijn, 'bewijst' hij door in zijn voorafje bij deel een te schrijven: 'Het zijn later opgetekende herinneringen en dus per definitie fictie.' Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Doorgaans spreek je in zo'n geval simpelweg van memoires. Angst voor juridische consequenties van het noemen bij naam en toenaam, zal geen rol gespeeld hebben bij de keuze dit een roman te noemen. Op de vrijmoedige Vrij Nederland-memoires van Igor Cornelissen volgde geen proces.
Vervolgens meldt Vervoort dat hij afzag van het genre van de sleutelroman, omdat de lezer toch wel weet wie wie is. Dus heet Rinus Ferdinandusse Rinus Ferdinandusse, net als anderen die door hun werk in de openbaarheid traden. Maar de werkers achter de schermen bedacht hij met doorzichtige schuilnamen. Daarna schrijft Vervoort: 'Voor alle personages geldt overigens dat ze in dit verhaal niet zichzelf zijn. Ze zijn, doen en zeggen wat ik me van hen herinner.' Mooi: de autobiografisch romancier kan zich uitleven in die vruchtbare schemerruimte tussen feit en fictie. Helaas is daar in dit eerste deel van de reeks 'Het bedrijf', getiteld Opwinding niets van te merken. Vervoort schrijft veelal als een dorre, door onderzoeksrapporten en cijfers bevangen boekhouder:
"'Wat mag een abonnee kosten wil hij nog rendabel zijn,' zei Theo, 'interessante vraag.'
'Ja,' antwoordde Hans, 'een extra probleem is dat het nogal wat uitmaakt of het abonnees zijn die je abonnementenbestand verhogen, of abonnees die wegloop vervangen. Elk jaar tippelt bij Vrij Nederland zo'n twintig procent weg, dat betekent dat je 16.000 nieuwe abonnees binnen moet halen om de stand op peil te houden. Dat mag een bepaald bedrag kosten, ik ben er nog niet uit hoeveel dat kan zijn. Maar als je met extra acties de abonnementsstand omhoog kunt krikken, mogen die extra abonnementen veel meer kosten dan de vervangende abonnementen. Logisch, want die extra abonnementen vergen alleen additionele kosten aan papier en porti, het maken en drukken van het blad is dan al betaald door de normale oplage.'"
Na zo'n passage verwacht je dat de romancier relativeert, bij voorbeeld door Theo (Bouwman) iets joligs te laten zeggen, of door een ironische toevoeging van Hans (Vervoort) zelf over zijn vroegere ik. Maar nee, Theo vindt het allemachtig interessant, Hans ook. 'Ze lagen elkaar wel,' concludeert Vervoort.
Versmade minnaar
Zodoende is Opwinding veel niet. Het is geen business novel zoals Po Bronson die schrijft, omdat Opwinding met de beste wil ter wereld geen roman genoemd kan worden. Ook de vergelijking met J.J. Voskuils Het Bureau gaat mank. Beiden leggen rekenschap af van hun bestaan, maar de stilist Voskuil kan daarbij wel doseren, beschikt over oneindig meer en geraffineerdere humor, en maakt van zijn instituut niet de hoofdpersoon, maar een toevallig samenbrengende factor. In Opwinding is het bedrijf de hoofdpersoon, ten nadele van de mensen die daar werken. Dat mag. Maar wat Vervoorts boek nekt, is dat hij Hans' oeverloze interesse voor het bedrijf wel als gegeven weet over te brengen, maar niet invoelbaar maakt voor de lezer.
Het bedrijf is in zijn weergave volstrekt oninteressant, omdat Vervoort de werknemers, van hoog tot laag, zonder wie een bedrijf altijd onbezield blijft, naar het tweede plan dirigeert. Zelfs hoofdpersoon Hans blijft non-descript. 'Twee dagen achter elkaar het cafe was niet zijn gewoonte, maar hij had behoefte aan Weekbladperspraat,' staat ergens. Weekbladperspraat: dat betekent hier voortzetting van de zakelijke discussies op het werk, over zoiets als 'een salarisgebouw'. In de aaneengeregen Weekbladperspraat die zijn boek is, zit een element van de versmade minnaar: kijk eens hoe ik jullie gelukkig had gemaakt, als jullie naar me hadden geluisterd!
Puur uit historische belangstelling voor het reilen en zeilen van mijn broodheer kon ik al die saaie pagina's doorkomen. Uniek aan de Weekbladpers was immers dat het eigendom van de werknemers en een experiment in zelfbestuur was. De kat-uit-de-boom-kijker Vervoort, beste stuurman aan wal, tekent de verwording van dat ideaal. 'De essentie van de Weekbladpers lag niet in een links karakter, (...) de democratisering, het idee van werknemerszelfbestuur, was inmiddels veel belangrijker geworden dan de linkse principes.' De roep om 'democratisering' blijkt niet anders te behelzen dan een strijd om de macht. Cynisme, machtsdrift en manipulaties kan hij, ethisch als hij is, nooit accepteren.
Psychologisch snijdt Opwinding ook niet erg diep. Figuren worden vooral geportretteerd in hoe ze eruitzien. Hij raakt pas op dreef als hij iemand niet mag. Zo weten we nu dat de scribent Ron Kaal kaal, lelijk, rancuneus, vet, onaangenaam, humorloos is en dat zijn vriendin bij hem wegloopt. Maar doorgaans blijft het bij zo'n karakterisering: 'Theo was een ui, besloot Hans, elke laag die je afpelde, leidde naar een volgende laag. En het was de vraag of hij een kern had en wat die kern dan was.'
Daarentegen: in het boekstaven van zijn treurige schrijversleven - zijn uitgevers zijn een ramp, een verfilming wordt een flop - weet hij eindelijk het juiste anekdotisch register te treffen. Ook als hij zijn minder heilige kanten toont, is hij op dreef. Niet alleen verraadt hij een collega bij de directie, ook geeft hij schaamteloos zijn kleffe, schijnheilige praatjes weer tegen een verhoopte minnares: 'Ik hoopte op een idylle,' zei hij, 'iets liefs tussen twee mensen die van elkaar houden, maar elkaar op een goed moment toch weer loslaten.'
Dat hij breekbaar is, begrijpen we. hij krijgt een buitenechtelijke zoen en vervalt meteen in een depressie. Hij drinkt liever een biertje dan aan introspectie te doen - veel biertjes. Voor alles wil hij laten zien hoe slim hij is: 'Uiteindelijk kwam hij zelf voor de dag met de motie die hij de vorige avond al had bedacht, wetend wat het probleem zou worden.'
Maar het pijnlijkst is hoe Vervoort als romancier zijn materiaal onbewerkt laat. Het is zonneklaar dat de macho Bouwman en de sfinx Ferdinandusse de slimsten van het stel zijn in het bedrijf. Dat intrigerende duo had in Vervoorts proza echte opwinding kunnen bewerkstelligen.