VN MediagidsHet aureool van jazzlegendes

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

muziek 09.07.2009

Door Rudie Kagie

Afbeelding bij Het aureool van jazzlegendes

04-07-2009
Door Rudie Kagie

Big Jay McNeely Big Jay McNeely

Vincent van Gogh was geen schilderlegende, Ko van Dijk geen toneellegende, Herman Krebbers geen vioollegende. De Dikke van Dale geeft negen betekenissen voor het woord ‘legende’, maar niet één komt in de buurt van wat met ‘jazzlegende’ wordt bedoeld. Een jazz­legende moet, in de romantische betekenis van het woord, enigszins obscuur zijn. Zijn schilderachtige levenswandel combineert hij met een virtuoze manier van spelen waarvan de portee niet direct tot een ongeoefend oor doordringt. Zoiets.

Wie het waagt om Miles Davis een ‘jazzlegende’ te noemen, maakt zich toch een beetje belachelijk. Omdat Miles larger than life was, een superster van het formaat van Prince, die evenmin als ‘poplegende’ wordt aangekondigd.

Professor Walter van de Leur, sinds anderhalf jaar verbonden aan de Universiteit van Amsterdam als de eerste hoogleraar jazz van ons land, denkt dat de onweerstaanbare behoefte aan jazzlegendes voortkomt uit de mythologisering die zo kenmerkend is voor deze muzieksoort. ‘Dat leidt tot jongensboekverhalen waarvan ik het waarheidsgehalte ernstig betwijfel. Het is voorgekomen dat ik een anekdote over Louis Armstrong terughoorde, maar toen ging het ineens over Sidney Bechet. Ik geloof er geen snars van dat Billy Strayhorn kans zag om in tien minuten een meesterwerk op de achterbank van een taxi te componeren.’

Met een vet Amerikaans accent imiteert Van de Leur de commentaarstem bij de alom geprezen documentaireserie Jazz van Ken Burns: ‘One night, that December, during a jam session at Dan Wall’s Chili House, Charlie Parker did something he had never done before. Parker discovered a new way to create a compelling solo, based not on the melody of a tune, but on the chords underlying it.’

De jazzprofessor schatert het uit. ‘Zoiets is toch onvoorstelbaar? Burns probeert ons op de mouw te spelden dat Charlie Parker ineens wist hoe hij op een nieuwe manier over akkoorden kon spelen, als een onverklaarbaar mirakel. Ik begrijp wel dat die marketingjongens van het North Sea dat festival aan de man proberen te brengen, maar zelf zou ik woorden als held, legende of genie in mijn colleges jazzgeschiedenis nooit gebruiken. Om de kern te raken, is het juist nodig om te ontmythologiseren.’

Mondstuk
Saxofonist Hans Dulfer heeft vernomen dat hij behalve als vader van Candy inmiddels ook bekendheid geniet als de laatste nog levende jazzlegende van Groot Schermer. Persoonlijk is hij uitermate gecharmeerd van het spel van Sonny Rollins, maar dergelijke informatie zal hij anderen niet gauw aan de neus hangen. Sonny Rollins, dat is namelijk muziek die bijna iedereen mooi vindt. ‘Een liefhebber die zichzelf wil onderscheiden van de grijze massa, kan beter een naam bedenken van een artiest die niet bestaat of een volstrekt onbekende grootheid noemen,’ doceert Dulfer. Beide opties bracht hij in praktijk. Zo mag hij een invoelend knikkende jazzsnob aan het eind van het gesprek graag uit de droom helpen door te onthullen dat de gezamenlijk bewonderde Pay Goldladders door hem werd verzonnen.

Met veel genoegen spande Dulfer zich in om onbekende jazzlegendes op de kaart te zetten. Als radiopresentator en stukjesschrijver propageerde Hans Dulfer de vergeten Art Pepper en Ike Quebec, maar daar was de lol vanaf toen iederéén met Art Pepper en Ike Quebec begon te dwepen. Candy attendeerde hem op een fabelachtige saxofonist uit het zuidwesten van de Verenigde Staten. Die man speelde met alle grote namen uit de jazzgeschiedenis, maar gek genoeg komt zijn naam nergens voor op internet.

Een legende van formaat dunkt hem de Suri­naam­se saxofonist Arthur Lodewijk Pari­sius (1911-1963) die internationale bekendheid verwierf onder de naam Kid Dyna­mi­te. ‘Toen ik hem zag spelen bij Casa­blanca aan de Zee­dijk, vond ik het schandalig zoals hij zich presenteerde, ordinair onderuit gezakt op een stoel met een scheef hoedje op,’ herinnert Dulfer zich. ‘Vijftien jaar later kwam ik tot het inzicht dat niet hij, maar ik fout zat. Ik ging zijn composities spelen en toerde door het land met de Kid Dynamite Suite.’ Er verscheen een biografie en er kwam een televisiedocumentaire: niet gek voor een door tijdgenoten onderschatte muzikant wiens sonografische nalatenschap op twee Decca-singletjes past.

Volgens de verhalen ontleende Kid Dynami­te zijn artiestennaam aan de kortstondige periode waarin hij als vuurvreter in een circus optrad. Hij kwam om het leven bij een auto-ongeluk in de buurt van Hamburg, maar ook daar zat weer zo’n raar verhaal aan vast. Kid zou op de achterbank het mondstuk van zijn Selmer saxofoon hebben zitten bijvijlen. Toen hij het attribuut aan de lippen zette om te testen of alles naar wens was, moest de auto plotseling remmen. Als gevolg van de klap zou de passagier gestikt zijn in zijn mondstuk. ‘Of het waar is, weet ik niet, maar zo wordt het verteld,’ zegt Dulfer. ‘Fantastisch natuurlijk, een saxofonist die op zo’n manier aan zijn einde komt. Dat klinkt heel wat spannender dan dat hij verongelukt zou zijn doordat een maffe mof hem geen voorrang gaf. Je moet niet elke gebeurtenis net zo lang willen checken tot er niets van overblijft, vind ik. De fantasie mag best geprikkeld worden. Een wonderlijke anekdote brengt mensen op ideeën en zet ze aan het denken. Als er een aureool van bijzonderheid rond een artiest hangt, wordt er beter naar hem geluisterd dan wanneer het een saaie Piet is.’

Een overzichtelijk oeuvre krikt de status van de ware jazzlegende op. Het mooiste is als ze maar een of twee albums hebben gemaakt die alleen te achterhalen zijn als je de eigenaar van de platenmaatschappij persoonlijk kent. ‘Elke musicus die een paar jaar niets gedaan heeft, wordt automatisch een legende,’ stelt Mike Barfield in zijn Dictionary for Our Time. De Britse rockmusicus John Cale voegt daaraan toe dat het bestaan van een levende legende hem maar een armzalige bedoening lijkt, ‘zoiets als een stuk zeep in een douche zonder water.’ Een muzikale legende wordt toch een beetje geassocieerd met de beginselvaste kunstenaar op een zolderkamer met lekkend dak: bewierookt door een handjevol adepten dat zijn integere uitingen weet te waarderen, maar stelselmatig dief van zijn eigen portemonnee.

‘Als je het over een nog levende jazzlegende wilt hebben, dan zou ik eigenlijk alleen Sonny Rollins kunnen noemen,’ zegt journalist Fred van Doorn, die in zijn boeken Lost heroes (1986) en Blue Notes (2008) de levens reconstrueerde van jazzmusici wier roem in de meeste gevallen beperkt bleef tot een selecte groep fijnproevers. ‘Charlie Haden en Herbie Hancock, die ieder jaar op North Sea te beluisteren zijn, vind ik geen legendes, maar gewoon optredende musici. Bij een legende denk ik aan de tragische artiest die onbekend en onbemind voor zijn muziek is gestorven. Of de lokale artiest die de sterren van de hemel blies, maar onbekend bleef omdat hij niet wilde verhuizen naar het Mekka van de jazz.’

Met zijn hoge leeftijd (90) en een langdurige afwezigheid is pianist Hank Jones de onbetwiste legendary legend van het komende North Sea. Aangezien hij als dertienjarige zijn entree maakte in de jazz, verpersoonlijkt hij zo’n tachtig jaar jazzgeschiedenis. Hank Jones kan er als waarschijnlijk laatste nog rondlopende pianist prat op gaan dat hij een complete generatie idolen begeleidde in een tijd waarin jazz vooral dansbare amusementsmuziek was. Hij maakte platen met Charlie Parker, Coleman Hawkins, Lester Young en honderden anderen die hij allemaal heeft overleefd. Toch verdween deze noeste werker plotseling van het podium. Fans vreesden dat hij niet meer in leven was, maar intussen werkte hij van 1959 tot 1976 als manager achter de schermen bij Colombia Records. Sinds eind jaren zeventig is Hank Jones weer helemaal terug. Zijn hoogbejaarde soli worden nog altijd geprezen vanwege de timing en swing.

B.B. King B.B. King

Ook Toots Thielemans (87) heeft inmiddels een leeftijd bereikt die een arbeidzame musicus per definitie legendarisch maakt, helemaal als die een mondorgeltje bespeelt dat er uitziet als een schoenenborstel. De gerontologische meerwaarde van de performers zet het North Sea op vrijdag 10 juli sowieso in de gloed van Huize Avondrood. De als ‘blueslegende’ aangekondigde B.B. King hoopt in september vierentachtig te worden, wat hem er niet van weerhoudt om onvermoeibaar zo’n tweehonderd concerten per jaar te geven. Hij kwam ter wereld op een kantoenplantage (als dreumes werd hij al ingezet bij het binnenhalen van de oogst), maar klom op tot de meest vermogende zanger/gitarist uit de geschiedenis van de blues. Zijn hobby’s zijn vrouwen en gokken; tevens beschikt hij over een vliegbrevet. Het Canadese gezegde volgens welke een legende een roddel op leeftijd is, gaat zeker op voor King.

Showman B.B. King stelt zijn bewonderaars nimmer teleur, al draait het bij zo’n sterk merk vooral om het feest der herkenning. Dat kan niet gezegd worden van de tachtigjarige pianist Cecil Taylor die dezelfde avond solo concerteert. De spontane verrassingen waarin deze pionier van de avant-garde grossiert, verheffen hem eerder tot een theatrale sjamaan dan tot de ‘free jazz legende’ waartoe het festival hem uitriep. Op kousenvoeten besluipt hij de vleugel, en het kan zomaar gebeuren dat hij het woest tormenteren der toetsen onderbreekt voor een dadaïstisch gegrom. Op zaterdagavond treedt slechts één vitale senior bij het North Sea voor het voetlicht: de eenentachtigjarige altsaxofonist Lee Konitz, wiens spel bij het klimmen der jaren steeds vrijer werd.

Op zondagavond schitteren de jazzlegendes mondjesmaat in het Ahoy-complex, of het zou de zevenenzeventigjarige altsaxofonist Piet Noordijk moeten zijn die optreedt met de legendarische gebroeders Beets: Alexander op tenor, Peter achter de piano, Marius op bas. De bescheiden Noordijk voldoet aan diverse criteria die op een legende van toepassing zijn. Misschien had hij meer bereikt als hij dwingender op de podia aanwezig was geweest, maar hij bracht veel tijd in opnamestudio’s en leslokalen door. Na zijn zestigste maakte hij nog enkele succesvolle tournees, daarna werd het steeds stiller rond deze ‘jazzvogel in hart en nieren’, zoals hij werd omschreven door de jury die hem vorig jaar de Blijvend Applaus Prijs toekende. De prijs is bedoeld voor ‘artiesten die niet vaak meer optreden, maar niet vergeten mogen worden’ – voor legendes dus.

Cecil Taylor Cecil Taylor

Romeinse keizer
Jarenlang adviseerde Hans Dulfer bij de programmering van het North Sea. Als ze hem daar weer voor gevraagd hadden, zou hij nog wel een paar jazzlegendes hebben geweten die de organisatie over het hoofd zag. De gedurende vijfendertig jaar doodgewaande, maar glorieus herrezen bassist Henry Grimes bijvoorbeeld. Tot de eerste helft van de jaren zestig begeleidde Grimes zo’n beetje alle illustere namen van de New Thing: John Coltrane, Cecil Taylor, Albert Ayler, Archie Shepp – maar ineens leek hij spoorloos van de aardbodem verdwenen. Als gevolg van een bipolaire stoornis in combinatie met bovenmatig gebruik van drank en drugs werd hij opgenomen in een psychiatrische kliniek. Daarna leefde hij als een kluizenaar op een kamertje in Los Angeles, waar hij gedichten schreef en met nederige baantjes in zijn onderhoud voorzag. Voor jazz interesseerde hij zich niet meer, ook het dagelijkse nieuws ontging hem.

Zijn comeback in 2003 dankt Grimes aan de inzet van een jazzminnende maatschappelijk werker die ontdekte welke verloren grootheid hij tegenover zich had. Een journalist van het Britse muziekblad The Wire was de eerste die een vierkant doosje liet zien dat de bassist nauwkeurig bestudeerde. Toen begreep hij dat dit een cd moest zijn, opvolger van de grammofoonplaat. Tot zijn verbazing ontdekte Grimes dat zijn naam op het hoesje stond afgedrukt. Er ging een wereld voor hem open. Op zijn oude dag vliegt hij tegenwoordig beroepshalve de wereld over. In maart dit jaar trad hij nog op in het Amsterdamse Bimhuis, samen met de vrij improviserende saxofonist Charles Gayle (70), die als dakloze twintig jaar op straat sliep in New York, maar nu als jazzlegende triomfeert.

Of neem Big Jay McNeely en zijn razende saxofoon. King of the Honkers, schrik van het burgermansfatsoen, muzikaal acrobaat met een nimmer geëvenaarde stage dive. Toeterend rolde Big Jay languit over het podium, met hoekige piepstootjes in de bovenste registers en een langgerekt scheuren de extase zo hoog oppokend dat de politie erbij werd gehaald om de zaal rustig te krijgen. Vermomd als Romeinse keizer laveerde hij op rolschaatsen tussen het publiek.

Een veelbelovend engagement bij de big band van Lionel Hampton hield op woensdagavond 13 juli 1949 welgeteld één concert stand. De aan applaus verslaafde orkestleider toonde zich na afloop van het optreden in Los Angeles woedend over de halsbrekende escapades waarmee de saxofonist zich tot ster van de avond had uitgeroepen. Keer op keer werd Big Jay McNeely gearresteerd wegens muzikale verstoring van de openbare orde. In 1964 vond hij dat hij de boel genoeg op stelten had gezet. Hij keerde het artiestenvak de rug toe, werd postbode en besteeg op zondagochtend als toegewijd Jehova’s Getuige de kansel om Gods woord te prediken. Twintig jaar leidde de saxofonist een anoniem bestaan, maar sinds 1984 is hij weer helemaal terug. Op zijn eenentachtigste waagt hij zich niet meer aan de spagaat waar hij zo berucht mee werd, maar hij wandelt nog steeds saxofoonspelend over de bar.

Tijdens optredens in Nederland werd Big Jay McNeely de laatste jaren begeleid door formaties met de Amsterdamse saxofonist Rinus Groeneveld. Bestaat toeval? Via de telefoon is duidelijk hoorbaar hoe Groeneveld aan de andere kant van de lijn verbaasd naar adem hapt. Gevraagd naar de aard van de samenwerking met de legende stamelt hij: ‘Wist je écht niet dat Big Jay op dit moment bij mij logeert? We hebben de afgelopen week samen een cd opgenomen.’ De magische coïncidentie illustreert de bovennatuurlijke kracht die aan een legende wordt toegeschreven. Elke heilige is in staat om een wonder te verrichten, maar er zijn er maar een paar die saxofoon kunnen spelen.

North Sea Jazz Festival, 10-12 juli in Ahoy Rotterdam, www.northseajazz.com





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?