VN MediagidsGetekend voor het leven, Het tatoeïsme
13.08.2005
13-08-2005
Door Carel Peeters
Bij een Koita-man op Nieuw-Guinea drukte een tatoeage uit dat hij iemand had gedood. Tatoeages waren van oudsher symbolen voor status, verdienste of sociale groep. Tegenwoordig heeft Jan en alleman er een en geldt een tatoeage als de allerindividueelste expressie van de eigen identiteit. Een akelig misverstand.
De maker van het omslag voor de nieuwe roman van John Irving moet in zijn handen gewreven hebben: wat zou het omslag van Until I Find You anders kunnen zijn dan een kleurenfoto van een getatoeëerde vrouwenborst? En wie geeft hem ongelijk? Die borst komt tenslotte levensecht in de roman voor. Het aandoenlijkste, gevoeligste en zachtste deel van het vrouwenlichaam wordt daarin geheel vrijwillig bewerkt met harde stalen naalden die er voor altijd en eeuwig een hart inbranden. Dat gebeurt ook nog door een vrouw. Het is natuurlijk lichtelijk shocking, deze combinatie van intiem, zacht, hard en voor eeuwig gebrandmerkt.
Het Nederlandse omslag van Until I Find You illustreert hoe ver men tegenwoordig gaat om het tatoeëren salonfähig te maken. Toen in 2002 Richard Beans film Tattoo in première ging, kwam ook naar buiten dat een van de tien Amerikanen een tatoeage zou hebben (zeventien miljoen mannen, drie miljoen vrouwen). En in aansluiting daarop kwam de vraag op hoe lang het nog zou duren voor de mensen die geen tatoeage hebben als freaks beschouwd zouden worden. Men schat dat momenteel een kwart van de wereldbevolking een tatoeage heeft. In Nederland hebben ongeveer achthonderdduizend mensen er een, van vol getekende borstpartijen tot een vlinder onder aan de rug. De zanger Robbie Williams kan er niet genoeg van krijgen, als een nieuwe verslaving. Na zijn borst, boven- en onderarmen moest en zou hij er ook een goed zichtbaar achter zijn oor hebben.
John Irving doet in Until I Find You alsof het aanbrengen van tatoeages inmiddels de gewoonste zaak van de wereld is. Het is eenvoudig een manier om geld mee te verdienen. Het enige verschil is dat tatoeëerders nog vaak zijn getooid met aan bajesklanten herinnerende namen (Tattoo Peter, Daughter Alice, Tattoo Ole), maar dat is ook aan het veranderen. Alice, de hoofdpersoon van Irvings roman, is een tatoeëerster die in Europese steden op zoek is naar de vader van haar vierjarige zoon Jack. Ze komt hem steeds op het spoor omdat hij in elke stad een nieuwe tatoeage laat aanbrengen in de vorm van muzieknoten, bij voorkeur van Bach, en het liefst met een religieuze tekst. Ze hoeft maar naar de bekendste tatoeëerder van de stad te gaan en ze weet of hij in town is geweest. John Irving beschouwt het doen en laten van de man als niks bijzonders. Dat hij iemand is die als een negentiende-eeuwse kermisklant van boven tot onder vol muzieknoten zit, wil niet zeggen dat hij speciale aandacht van Irving krijgt. Bij Irving is het bizarre doodgewoon. Verder dan de huid gaat het bij hem dan ook nooit.
Kenmerkend voor het verschijnsel tatoeëren is dat het niet diep gaat, maar wel voor altijd en eeuwig is. Het laten aanbrengen van een tatoeage is vaak een oppervlakkige beslissing, maar verstrekkend in zijn consequenties. Zestig procent krijgt er later spijt van. Dat geldt zeker voor mensen die de naam van hun geliefde op hun borst of arm hebben laten zetten, en die hun liefde zagen vervliegen, maar met hun tatoeage bleven zitten. Aan een tatoeage valt zonder pijnlijke ingrepen nooit meer iets te veranderen. Het eerste wat over tatoeëren in Scientific American stond waren verontruste artikelen over de paardenmiddelen die nodig zijn om ze te verwijderen. Onzichtbaar worden ze nooit.
Om het hedendaagse tatoeëren respectabel te maken wordt maar al te graag verwezen naar het verleden en naar de vele landen en culturen waarin het tatoeëren gebruikelijk was. Antropologen hebben zich er uitvoerig mee beziggehouden, etnografen volgden in hun spoor en sommige kunsthistorici meenden er iets in te zien dat van meer dan volkenkundige waarde was. Sinds enige tijd zijn er over de hele wereld tentoonstellingen over het tatoeëren vroeger en nu. Darwin zei het al: ‘There is no nation on earth that does not know this phenomenon.’
Vooral door de reizen van James Cook in de Stille Zuidzee werd er veel bekend over het tatoeëren bij niet-westerse volken. In de meeste gevallen waren tatoeages symbolen die stonden voor status, leeftijd of verdiensten. Of ze waren bedoeld om boze geesten weg te houden. Ze vervulden een functie in het sociale leven. Een tatoeage gaf je een plaats in de samenleving. De getatoeëerde vlekjes op de bovenkant van de voeten van mensen op Mangareva (Polynesië) wilden zeggen dat iemand tot de heersende klasse behoorde. Een Koita-man op Nieuw-Guinea kreeg op zijn rug, borst en bovenarmen bepaalde motieven als hij een tegenstander had gedood. De bekende tatoeages in het gezicht van de Maori’s deelden mee van wie hij afstamde, wat voor beroep hij uitoefende, en uit welke clan zijn vrouw afkomstig was. Al dit soort tatoeages had een uitgesproken functie: het hoorde bij een ritueel, het had een religieuze betekenis, het was een teken van dapperheid, het hoorde bij een bepaalde clan of groep, of het beschermde tegen een bepaald gevaar.
Dat een tatoeage een functie had verdween niet toen het begin twintigste eeuw een gewoonte werd onder zeelieden, matrozen, soldaten, bajesklanten, penoze, asocialen en circusartiesten. De functie van de tatoeage kon je aflezen aan de afbeelding: bij gebrek aan een mooie vrouw op zee zette je er een op je arm. Was je hart gebroken en was je daarom soldaat geworden, dan had je een gebroken hart op je borst. Hield je erg veel van je moeder, dan kreeg zij de groeten. Twijfelde je meisje eraan of je wel altijd aan haar dacht, dan zette je erop ‘Ik denk aan jou’, gevolgd door haar naam. Een tatoeage was een trotse bevestiging en tegelijk een compensatie voor een verlies, een verlangen, wens, feit of herinnering. Een gevangene die zijn vrijheid kwijt was en dus niet over zichzelf kon beschikken zoals hij wilde, liet zien dat hij tenminste zijn eigen lichaam nog had waar hij de baas over was. Als bewijs daarvoor liet hij een tatoeage aanbrengen. Een lid van de penoze liet zijn armen tatoeëren om zijn mannelijkheid en onafhankelijkheid te accentueren. De circusartiest deed het om te laten zien dat hij tot het slag van de vrije artiesten behoorde.
Hoe onafhankelijk ze allemaal ook waren, door het hebben van een tatoeage gingen ze tot een groep horen, hoe vaag ook. Met een tatoeage maakte je jezelf op een of andere manier tot een buitenstaander: je hoorde in ieder geval niet bij het brave burgervolk. Mensen met een tatoeage beoefenden de minst aanzienlijke beroepen, waren werkloos of waren heel of half crimineel (van de Tokkies tot Ozzi Osbourne). Hoe conventioneel of clichématig het plaatje ook was, het bezit van een tatoeage zorgde voor een eigen wereld dicht bij je. Hoe emotioneel en sentimenteel ook, het functioneerde, want er werd iets krachtig mee gecompenseerd. Een tatoeage was een opwaardering van jezelf, en bovendien nagenoeg gratis.
Ook al hebben steeds meer vrouwen er een of meer, de tatoeage behoudt zijn roep van de biceps: de geest van Popeye, de Marlboro-man, Peter R. de Vries, heavy-metalbands en de Hell’s Angels. Tatoeage en mannelijkheid vormen een onuitroeibare combinatie. Mannen lopen een flink deel van hun leven met hun tatoeages te koop en staan er regelmatig met hoog gekruiste armen bij (het zogeheten Mussolini-kruis). Ze staan ook meer dan normaal voor de spiegel en willen om de haverklap met hun getatoeëerde blote bast op de foto (type David Beckham). Sociologisch en psychologisch gezien hangen ze vaak het denkbeeld van het recht van de sterkste aan, zoals wanneer een Harley Davidson-rijder op zijn bovenarm ‘Only the strong survive’ heeft staan.
De tatoeage heeft ook nog altijd de roep van de criminaliteit: het was een oude traditie dat gevangenen zich lieten tatoeëren om zich daarmee toch een eigen wereld te verwerven. Tegenwoordig is de tatoeage een vast onderdeel geworden van de hiphopwereld (50 cent, Eminem) waarin het ook niet altijd zachtzinnig toegaat. Alles draait erin om rottigheid, te beginnen met het gebruik van ‘fuck’ om de twee de woorden en ‘motherfucker’ om de drie woorden. De in 1996 bij een schietpartij om het leven gekomen rapper Tupar Shakur liet er door middel van zijn tatoeages geen misverstand over bestaan dat het hem in het leven ging om macht, geweld en religie. Er was veel op hem te zien en te lezen. Afgezien van allerlei strijdlustige tekeningen, zoals een uit de kluiten gewassen machinegeweer, stonden er teksten op hem te lezen als ‘Only God can judge me’, ‘Trust nobody’, ‘Notorious Outlaw’ en ‘Fuck the World’.
Voor hardrock en heavy-metalbands was het tatoeëren normaal. Rap- en hiphopartiesten volgden en gaven er een nieuwe impuls aan. Maar eerder was nog een andere ontwikkeling in gang gezet, teruggaand tot de jaren zestig. Volgens Arnold Rubin had in die jaren een ‘Tattoo Renaissance’ plaats. Dat was de tijd van de Vietnam-oorlog. De publieke opinie en de tegencultuur keerden zich tegen die oorlog en dat zag je terug in tatoeages, die ineens werden gedragen door een heel ander soort mensen. Het waren ook heel andere afbeeldingen: er verschenen vredestekens, duiven, marihuanabladeren, paddestoelen, motoremblemen, cactussen. Alan Govenar schrijft in Written on the Body dat oudere tatoeëerders in Amerika als Leonard St Clair een groot wantrouwen koesterden tegen die jongeren en weigerden zulke afbeeldingen te tatoeëren.
De renaissance van de tatoeage onder jongeren van de tegencultuur in de jaren zestig heeft uiteindelijk geleid tot de huidige dreigende domesticatie van het tatoeëren. Je hoeft niet meer tot marginale groepen van de samenleving te behoren om jezelf te laten tatoeëren. Tegelijk is de tatoeage zijn psychologische en maatschappelijke betekenis kwijtgeraakt. Het drukt niets meer uit dan een bepaalde smaak en een voorkeur voor clichématige plaatjes.
Dat er iets aan het veranderen was bleek in de jaren zeventig ook uit de belangstelling van kunstenaars voor het tatoeëren. Bruce Nauman, Dennis Openheimer en Chris Burden gingen ‘body pieces’ maken met zichzelf als lichaam om te zien of ze tegelijk subject en object van een kunstwerk konden zijn. Deze belangstelling van kunstenaars voor het tatoeëren is een grote vergissing geweest, want dat heeft ervoor gezorgd dat men is gaan denken dat tatoeëren iets met kunst te maken zou hebben.
Dat tatoeages kunst zouden zijn, en dat het een kunst is die gewoon moet worden, is een akelig misverstand. De Amsterdamse tatoekoning Henk Schiffmacher mag nog zo vaak op de televisie komen, aan talkshows en spelletjes meedoen, daar wordt het tatoeëren misschien salonfähig van, maar het blijft huisvlijt in de categorie haken, pottenbakken en macramé, en geen kunst. Tatoeages zijn altijd de grootste clichés. Alle afbeeldingen worden aangebracht aan de hand van patronenboeken, ook de meer abstracte ‘tribale’ vormen. De beeldvariatie reikt niet veel verder dan de beproefde pathetiek van adelaars, Chinese draken, slangen, duivels, doodskoppen, Dracula’s, heksen, spinnen, tijgers, leeuwen en andere wilde beesten, afgewisseld door horrorkastelen, grotten met enge ogen, monsters, trollen, geesten, waarzeggersbollen en een enkele filmster of hardrockpopster met een griezelreputatie. Zulke tatoeages maken van mensen wandelende B-films.
In Until I Find You doet de hoofdpersoon Alice alsof ze kan zien wie een bepaalde tatoeage heeft aangebracht. Ze wekt daarmee de suggestie dat aan een tatoeage het handschrift van de aanbrenger is af te lezen. Dat is bluf. Dat kan alleen als hij (of zij) er een naam of een ander herkenningsteken op achterlaat, want het enige originele is dat een tatoeëerder een eigen selectie uit het patronenboek maakt, op dezelfde manier als men iets uit de Wehkamp-catalogus kiest. Eventueel brengt hij (of zij) een variatie aan. Bij een in de wereld van het tatoeëren beroemde zaak als Tattoo City van Ed Hardy in San Francisco werken verschillende ‘tattoo artists’ (Brian Bruno, Clifton Carter, Flip Buchanan) die een eigen stijl zouden hebben. Maar aan de voorbeelden is dat niet af te zien. Het zijn de gebruikelijke Japanse draken en menselijke figuren die met grote schrikogen een draak proberen te overmeesteren. Er wordt dan ook terecht gewezen op het ‘classic’ karakter van het repertoire, en op de ‘Asian tradition’ waarin de artiesten werken. Ed Hardy zelf is de eerste om dat toe te geven: ‘Tattoo is the great art of piracy.’ En in Nederland is het niet anders. Net als bij Tattoo City is het advies bij House of Tattoo in Amsterdam tevoren een afspraak te maken met ‘de kunstenaar van je keuze’ (Joris, Sjap of Monica). Maar eigenlijk maakt het weinig verschil, het zijn altijd variaties op een bekend repertoire, ook al gaan ze bij House of Tattoo in verhouding minder wild en esthetischer te werk.
De tatoeage dreigt mainstream te worden door navolging, populisme, mode en door de opmars van het uitgaansexhibitionisme. We krijgen dus steeds vaker te maken met tweede- en derderangs plaatjes die om eersteklas aandacht vragen. Een tatoeage is geen uitdrukking meer van een persoonlijke of maatschappelijke spanning, van een subcultuur of gang, maar van verveling. Te denken dat een tatoeage ooit een ‘lichaamsversiering’ kan worden, zoals een sieraad is een illusie. Een sieraad heb je niet altijd om, je kunt er verschillende van hebben, en je kunt er afwisseling in aanbrengen. Sieraden zijn flexibel. Een tatoeage is allerminst de uitdrukking van een flexibele mentaliteit. Het is een teken van conservatisme en behoudzucht.
De geschiedenis van het tatoeëren bestaat sinds het midden van de jaren zestig uit de pogingen het fenomeen tot iets normaals te maken dat toch niet normaal wil zijn. Men probeert bijzonder te zijn, maar het gebeurt met een tweedehands middel. Een tatoeage is meestal zo’n cliché dat er moeilijk iets van een persoonlijkheid mee uitgedrukt kan worden. Een tatoeage betekent geen bevrijding meer, maar eerder een vervreemding van anderen. Wanneer een tatoeage openlijk getoond wordt, zie je altijd eerst de tatoeage en dan pas de persoon. Je bent alleen nog je tatoeage, terwijl dat toch iets anders zou moeten zijn dan een draak, een hart, een bloemenkrans, een doodshoofd, een granaat, een enkelband of een abstract motiefje. Een tatoeage eist alle aandacht op, maar het is een doodlopende aandacht. Omdat ze zo nadrukkelijk geëxposeerd wordt, nodigt een tatoeage uit tot een gesprek. Daar komt het nooit van, want er valt niets over te zeggen. De tatoeage is een dwingend statement dat niets zegt. Ze snoert eerder je mond.
Sinds enige tijd worden tatoeages ook steeds opdringeriger getoond. Op de voorpagina van Het Parool van 20 juni stond een grote foto van een man die met ontbloot bovenlijf over de Amsterdamse Ten Katemarkt liep. Op zijn rug was een groot kruis getatoeëerd, waaraan de twee weegschalen van Vrouwe Justitia hingen. Erboven stond in gotische letters ‘Nobody’s Boy’. Het Parool vergat niet te melden dat de man er trots op was. De Engelse kunstenaar Jason Barry (‘works and lives in Paris and London’) ‘ontwierp’ de originele tatoeage van een doodshoofd met daaronder twee gekruiste sabels. Die bracht hij voor een performance in het Palais de Tokyo in Parijs aan boven de hiel van een mannequin en maakte er een foto van. Als zijnde kunst. In een toelichting over de persoon Barry in de catalogus viel te lezen dat zijn werk tegen het ‘fetisjisme’ aanleunde.
Tatoeëren heeft bijna altijd te maken met exhibitionisme en fetisjisme, en dat zijn geen kunstvormen. Het salonfähig maken van het tatoeëren ligt in het verlengde van de hedendaagse fetisjering van het lichaam. Het lichaam is tot instrument voor van alles aan het worden: om je goed te voelen, om er goed uit te zien, om jezelf in uit te drukken, om al je zorg aan te besteden, om te verwennen, om je te veranderen, ermee te pronken. Het lichaam geldt als absolute oplossing voor alle problemen (zie ik er goed uit, dan is het goed), terwijl een lichaam niets is zonder geest.
Dit alles bij elkaar is uitgelopen op het tatoeïsme: een manier om door middel van een tatoeage de aandacht op je te vestigen. Steeds meer mensen denken dat ze de boot van de tatoeage niet mogen missen. John Galliano, modeontwerper voor Dior, ontwierp in 2003 verschillende jurken waarin hij ruimte uitspaarde voor het tonen van tatoeages. De mannequins werden gelukkig ontzien, want de tatoeages waren afwasbaar. Om alle matrozen Vos te verleiden tot het gebruiken van het parfum Le male adverteert Jean Paul Gaultier in bladen als Men’s Health paginagroot met de getatoeëerde borst, armen en tepels van een nepmatroos. Er is iets aan de hand wanneer de haute couturiers en de parfumeurs denken dat ze niet achter mogen blijven.
Het tatoeëren is ook in ‘het uitgaansleven’ ras populair geworden. Een hele reeks popsterren tooit zich met tatoeages, van Cher tot Anouk, van Robbie Williams tot Eminem. Het is ook te zien aan de reclames van een uitgaansdrankje als Bacardi. Het logo van Bacardi, een zwarte vleermuis, verschijnt in advertenties getaoeëerd boven de billen (of onder aan de rug) van een schaars geklede vrouw met een glas Bacardi in haar hand. Op de reclames voor de verschillende breezers van Bacardi zie je vrouwen bevallig op sofa’s liggen, met goed zichtbaar hun tatoeage. Sinds enige tijd zie je niet alleen bunny’s met het Playboy-logo op hun dijbeen, maar ook gewone vrouwen. De ‘grote merken’ proberen steeds vaker sporters te bewegen om zich te sieren met hun logo in de vorm van een (nep)tatoeage, zoals in het geval van de Nederlandse verspringster Sharon Jaklofsky. Tijdens de Olympische Spelen van 2000 had ze een Reebok-logo op haar bovenarm. Er moest een verbod op reclametatoeages aan te pas komen om de opmars van sporttatoeages te stuiten.
Het is niet nodig er diepzinnig of kleinzielig over te doen: je laten tatoeëren is een doorgedraaide en weinig originele manier om je te onderscheiden met een kunst die tot het genre van het macraméen behoort. Het tatoeëren is onderdeel van een algemene neiging om het marginale bij de hoofdstroom in te lijven. Dat is in het algemeen al een betreurenswaardige ontwikkeling, maar in het geval van het tatoeëren helemaal: men is voor het leven getekend en ook nog met lelijke tekeningen. De beste manier om voorgoed van het verlangen af te komen is de lectuur van 1000 Tattoos, het plaatjesboek van uitgeverij Taschen. Het is een catalogus van het allerlulligste en het allerdomste narcisme. Hoofden, borsten, billen, ballen, piemels, tepels, lippen, oren, handen, alles is van afgezaagde, modderige afbeeldingen voorzien. Het leven van de mensen die zich hebben laten fotograferen staat in het teken van wat men wel niet zal vinden van wat ze van zichzelf hebben laten maken: een kermisattractie tussen de schuifdeuren. Als we niet oppassen moeten we er allemaal aan geloven, met David Beckham als beschermheilige. Hoewel, de Engelse en Amerikaanse uitgevers van Until I Find You vonden de getatoeëerde borst op het omslag toch minder geslaagd. Ze wilden liever een omslag zonder verminkte borst.
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




