VN MediagidsFilosofen die worstelen met het geloof
08.01.2008
Leven op eigen voorwaarden
12-01-2008
Door Carel Peeters
Peter Sloterdijk heeft de onweerstaanbare behoefte om alle bewegingen, verhoudingen en strevingen die zich in groepsverband in de samenleving voordoen in oorlogstermen te vatten. Alsof er dagelijks op talloze fronten een oorlog op leven en dood wordt uitgevochten. Al in Kritiek van de cynische rede (1983) was hij verliefd op het woord ‘mobiliseren’, een woord waarbij wij als eerste denken aan soldaten die opgeroepen worden voor actieve dienst, maar dat bij Sloterdijk een beetje pesterig gebruikt wordt om aan te geven dat iets op een min of meer militaire manier in beweging wordt gezet. Hij is verzot op samenstellingen als ‘artillerielogica’ of ‘politieke metallurgie’. Dit heeft alles te maken met zijn stilistische dwangneurose om begrippen uit heel andere disciplines te gebruiken: de krijgskunde voor de sociale wetenschap, theologie voor de sociologie. Sloterdijk lijdt aan neologie, de ziekte die een patiënt dwingt om per pagina minstens twee nieuwe woorden of begrippen te bedenken, liefst samenstellingen.
In Gottes Eifer, zijn nieuwe boek over de verhouding tussen de drie monotheïstische godsdiensten christendom, jodendom en islam, is het niet anders. Gegeven hun eenkennige aard denkt elk van deze religies dat ze de waarheid in pacht heeft. Sloterdijk noemt dit hun ‘polemogeen potentieel’: daarin ligt gevaarlijk ideeëngoed klaar dat zomaar tot oorlog zou kunnen leiden. Het parool is immers: je bent voor of tegen ons. Het bestaansrecht van het christendom en de islam omschrijft hij respectievelijk als ‘de missie’ (christendom) en ‘de Heilige Oorlog’ (islam). Allebei willen ze hun geloof verbreiden, en allebei gaan ze daarbij veroverend te werk, met een messianistische inslag. Allebei hebben ze geen kinderachtige ambities: het gaat om universele aanspraken op de waarheid. Deze religies zitten vol met, wat hij noemt, ‘thymotische energieën’, drijfveren die met eer, trots en strijd te maken hebben. Er worden door het christendom en de islam regelmatig ‘Rachepsalmen’ aangeheven.
Met hoeveel oorlogszuchtige termen Sloterdijk ook strooit, hij erkent dat deze godsdiensten ook stabiliserende en bindende eigenschappen hebben. Wat nog niet wil zeggen dat hij veel op heeft met het monotheïsme. Hij herinnert er aan dat, meer dan tien eeuwen voor het ontstaan van het christendom, in Egypte sprake was van polytheïsme. Jammer dat het niet heeft doorgezet. Het jodendom keerde zich daar als eerste tegen.
Het christendom en de islam moeten volgens Sloterdijk hun toorn en strijd gaan kanaliseren zodat hun ‘apocalyptische regisseurs’ worden ‘geneutraliseerd’, zeg maar: uitgeschakeld. In de laatste zin van Gottes Eifer zegt hij dat de ‘zivilisatorische Weg’ de enige is die nog open staat om de zoveelste godsdienstoorlog te voorkomen. Wonder boven wonder hebben meer dan honderd islamitische geestelijken een dezer dagen een brief naar de paus gestuurd met het voorstel om op zoek te gaan naar wat christendom en islam gemeenschappelijk hebben. Dit mag een wonder heten, omdat de paus in zijn inmiddels beruchte ‘Regensburger Rede’ van 12 september 2006 herinnerd had aan ‘het zwaard’ dat hier en daar prominent in de islam opduikt als het gaat om de verspreiding van het geloof. De islamitische geestelijken hadden natuurlijk met gelijke munt terug kunnen betalen door minder zachtzinnige passages uit de bijbel in herinnering te brengen. Maar ze kozen voor de geciviliseerde weg.
Zachte krachten
Aan de Canadese filosoof Charles Taylor, van wie nu het bijna negenhonderd pagina’s tellende boek A Secular Age is verschenen, werd eens de vraag voorgelegd wat hij zou doen als hij een pluralistische, maar respectvolle oplossing mocht verzinnen voor de verschillen tussen de grote religies. Taylor heeft op congressen over de hele wereld met alle geloofsrichtingen kennis gemaakt. Hij vroeg hun vertegenwoordigers dan om te vertellen wat ‘really makes you tick’. Ze zeiden allemaal iets anders. Maar daardoor ontstond wat hem betreft geen diepe kloof tussen die geloven. Hij wil die verschillen helemaal niet oplossen: ‘You don’t need to find some middle-point, some syntheses, that doesn’t make sense.’ Als oecomenicus vindt Taylor alle geloven goed, zolang ze maar niet fanatiek of gewelddadig zijn. Jammer alleen dat ze dat soms wel zijn.
Het is natuurlijk opmerkelijk dat Taylor zijn boek Een ongelovige tijd noemt nu het geloven weer in de gratie is. Maar hij gaat dan ook terug tot de tijd van de Reformatie. Hij heeft zich de vraag gesteld wat het betekent dat het in het jaar 1500 de normaalste zaak van de wereld was dat alles in het teken van het geloof stond, en in onze tijd helemaal niet meer. Taylor wil beschrijven hoe de transformatie van geloven naar niet geloven heeft plaatsgehad.
Hij wilde niet uitgaan van wat iedereen daarbij zelf wel kan bedenken: dat de wetenschap vanaf Copernicus en Galileï het geloof op een aantal cruciale punten heeft weerlegd, dat de welvaart ervoor heeft gezorgd dat de blik van de hemel naar de aarde ging, dat de verstedelijking heeft gemaakt dat het contact tussen mensen zelden of nooit meer via het geloof verloopt. Hij wil ook beschrijven wat voor het geloof in de plaats is gekomen. Hij gaat speciaal dieper in op de individualisering van het geloof. Hij is zelf een katholiek en communitarist (iemand voor wie de samenleving vooral uit gemeenschappen bestaat), maar weet meer van wat niet-gelovigen doen en denken dan van zijn eigen geloof. Dat zijn boek voor een ongelovige zo goed te lezen is, komt omdat Taylor het helemaal niet over God geeft. Daar stelt hij zich wellicht ook niet veel bij voor. Het geloof is voor Taylor vooral alles wat groter is dan hijzelf, ‘something beyond ourselves’. Dat maakt hem tot een nuchter filosoof van de zachte krachten, afkerig van elke vorm van verstening, ook binnen zijn eigen geloof.
Taylor gebruikt voor zijn beschrijving van de secularisering het aan Max Weber ontleende begrip van de ‘onttoverde wereld’. Dat is jammer, want de onttoverde wereld die Weber schetst, is er een waarin je voor geen goud zou willen leven: alles is gebureaucratiseerd, alles verloopt volgens regels en patronen, alle magie en mysterie is verdwenen. De wereld waarin het geloven gewoon was, komt er dan nog bijna idyllisch uit te zien. Maar het valt niet te ontkennen dat in de samenleving veel onttovering heeft plaatsgevonden. Taylor gebruikt ook graag Webers huiveringwekkende beeld van de samenleving als een ‘ijzeren kooi’ (‘stahlhartes Gehäuse’).
Hij sluit zich ook helemaal aan bij Ivan Illich, een soort theologische opvolger van Weber die beweerde dat de moderne beschaving in een bepaald opzicht gezien kon worden als de historische creatie van het gecorrumpeerde christendom: het christendom dat zichzelf in de loop van eeuwen onmogelijk heeft gemaakt. Taylor beweert op zijn beurt dat de moderne seculiere wereld onder meer is voortgekomen uit het gereformeerde christendom dat meer en meer werd beheerst door regels en normen: het werd een bureaucratisch geloof waarin de spiritualiteit tot niets werd gereduceerd door verboden, eisen en controlezucht. Taylor ziet dat terug in wat hij de ‘nomocratic-judicialized-objectified world’ noemt.
Kunstgevoelens
Het is aan alles duidelijk dat Taylor het idee dat God dood is maar moeilijk kan verdragen. Tegelijk heeft hij er alle begrip voor dat Nietzsche die conclusie moest trekken. Taylor is bepaald geen theoloog; hij zal zich niet snel op het gebied van de godsbewijzen wagen. Hij is een van de vele worstelaars die in een overwegend seculiere omgeving hun spirituele inslag willen redden: hij leeft in een wereld die vergeven is van consumentisme, materialisme, rationalisme, regels, codes en intimidatie. Vandaar dat hij zoveel inzicht heeft in stromingen die zich tegen de verharding van de samenleving keren, zoals de romantiek.
Vanuit het perspectief van een zich terugtrekkend christendom krijgt alles een ander aanzien. Taylor heeft ook een hoofdstuk over het ontstaan van de authenticiteit, vanaf de romantiek. Dat was de tijd waarin alles grondig verschoof: alles wat men moest vinden, kwam nu niet meer van buiten, maar van binnen. Publieke doctrines, religieuze geboden, geaccepteerde conventies, alles wat canoniek was werd ingeruild voor denkbeelden, ideeën, gevoelens, voorkeuren van eigen makelij.
Secularisering betekent dat men op eigen voorwaarden is gaan leven. Dat wil niet zeggen dat er een mentale woestijn is ontstaan op de plaatsen in de hersenen waar eerder religieuze gevoelens huisden. Er zijn bijvoorbeeld kunstgevoelens voor in de plaats gekomen. Kunstgevoel is heel iets anders dan religieus gevoel, ook al lijken ze een beetje op elkaar. Kunstgevoelens worden door verschillende kunstwerken opgewekt, religieuze gevoelens door steeds dezelfde beelden (Maria, het kruis, het altaar). Taylor geeft natuurlijk voorbeelden van ongelovigen die spirituele of mystieke ervaringen hebben gehad die lijken op wat gelovigen meemaken. Ook is hij erop uit om iets te vinden dat gelovigen en ongelovigen gemeen hebben als het gaat om de hoogste vorm van leven. Allebei zouden ze hetzelfde ondergaan wanneer ze een toestand van ‘fullness’ bereiken, een staat van ‘vervulling’ waarin alles op zijn plaats valt: weg innerlijke verdeeldheid, afstand, zorgen, treurnis. Je hoeft niet gelovig te zijn om zoiets mee te kunnen maken. Taylor citeert uit de autobiografie van Vaclav Havel, die zo’n ervaring had toen hij op een dag in de gevangenis naar een in bloei staande boom keek.
A Secular Age is voor een flink deel een begrijpelijke en goedgeschreven catalogus van wat mensen in hoogste of diepste instantie beweegt, gelovig of niet gelovig. Taylor komt dan onvermijdelijk uit bij de scherpzinnigste seculiere filosofen en denkers. zoals Schiller en Nietzsche. De manier waarop hij over Schillers ideeën over de esthetische opvoeding schrijft, doet vermoeden dat het voor hem een solide alternatief voor het katholicisme zou kunnen zijn: daarin zijn vorm en inhoud, wil en verlangen zo’n eenheid dat je er een ideaal in zou kunnen zien. In elk geval is nu zeker dat de ongelovige wereld ook zo zijn aantrekkelijke kanten heeft.
Peter Sloterdijk, ‘Gottes Eifer. Vom Kampf der drei Monotheismen’, Verlag der Weltreligionen, € 22,60
Charles Taylor, ‘A Secular Age’, Belknap/Harvard University Press, € 43,80
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




