VN Mediagids‘Er wordt gediscrimineerd. Punt uit.’
05-11-2005
Door Harm Ede Botje & Sander Donkers
Je bent een Marokkaan, een Turk of een Antilliaan en je wilt een baan. Je hebt prima papieren en je spreekt goed Nederlands. Makkelijk zat, zou je denken. Maar zo gaat het niet in Nederland. ‘Het hebben van een buitenlandse naam is soms al genoeg om afgewezen te worden.’ Hoe zit het met de discriminatie op de werkvloer? En hoe serieus neemt de regering het probleem?
Imad Akalo is drieëntwintig jaar en heeft een bescheiden toekomstdroom. Boekhouder wil hij worden, of manager. Gewoon: op een kantoor. Met een stropdas achter een computer. Broodje kaas in de pauze. ‘Als het maar vast werk is,’ zegt hij. ‘Dan kan ik denken aan trouwen, kinderen krijgen en misschien een huis kopen.’ Dat lijkt niet al te hoog gegrepen. Imad heeft een diploma bedrijfsadministratie, spreekt goed Nederlands en heeft geen strafblad. Toch lijkt het onderhand een onhaalbaar ideaal. Want Imad is al drie jaar werkloos.
In het begin zat hij dagenlang bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Daar heeft hij een persoonlijke coach. Hij volgde verschillende cursussen, waaronder een cursus om beter voor de dag te komen bij sollicitaties. Talloze brieven verstuurde hij. ‘Zeker vijfhonderd – in één jaar, hè. Meestal hoor je er niks op. En als je antwoord krijgt, maken ze zich er vaak met een smoesje vanaf.’ Inmiddels heeft Imad de dagelijkse gang naar het arbeidsbureau opgegeven. ‘Ze hebben daar een dik dossier van me liggen, met allemaal goede aanbevelingen,’ zegt hij. ‘Ik ben voor alles in. Maar het heeft toch geen nut.’
Hij zit in een Haarlems café met zijn vrienden Karim (23) en Abdelkader (26), die allebei ook werkloos zijn. Het is acht uur ’s avonds, de ramadan-vasten is net gebroken. Er hangt een lacherige sfeer, maar niet zonder grimmige ondertoon. Voor het trio lijdt het geen twijfel dat ze vanwege hun Marokkaanse achternamen nauwelijks perspectieven op een baan hebben. Voorbeelden? De jongens buitelen over elkaar heen met verhalen. Imad: ‘Ik had goede papieren voor een baan bij een beveiligingsbedrijf in Amsterdam. Krijg ik een brief dat ik te ver weg woon. Terwijl ik weet dat ze in de hele regio zoeken. En bovendien had ik een auto. Ik kon er binnen twintig minuten zijn.’ Vervolgens zag hij in Amsterdam een blanke Nederlandse vriend rondrijden in een busje van een beveiliger. ‘Die jongen is een paar keer gepakt met alcohol achter het stuur. Hij kan nooit een verklaring van goed gedrag bij de gemeente krijgen en dus kan hij eigenlijk geen chauffeur worden. Hij vertelde mij dat hij gewoon een mailtje had gestuurd en de volgende dag aan de slag kon.’
Karim had anderhalf jaar via een uitzendbureau bij een dakdekkersbedrijf gewerkt toen hij solliciteerde naar een vaste betrekking. ‘Collega’s zeiden dat ik dat moest doen. Iedereen was tevreden over me. Maar er kwam geen reactie. Ik dacht nog: misschien zit het vol, hebben ze niemand nodig. Tot ik vlak daarna hoorde dat twee Nederlandse jongens die er net drie weken werkten, wél in aanmerking kwamen voor een vast contract.’
Is dit discriminatie? Het is vaak moeilijk te bewijzen. Abdelkader – Appie voor vrienden – belde enige tijd geleden op een vacature bij een benzinepomp in Haarlem. ‘Ik was enthousiast, vertelde dat ik ervaring had. Die man beloofde me terug te bellen, of ik die baan nou kreeg of niet.’ Appie spreekt accentloos Nederlands. Toen hij maar niks hoorde, besloot hij opnieuw te bellen, ditmaal met de naam Robert de Vries. ‘En ja hoor: ik kon meteen een afspraak maken. De volgende dag belde ik weer als Abdel en kreeg te horen: sorry, we hebben niemand meer nodig.’
Een paar dagen later herhaalt het drietal op verzoek van Vrij Nederland het telefoonexperiment. Drie keer wordt zowel Appie als ‘Robert de Vries’ vriendelijk te woord gestaan, de vierde keer is het raak. Een Amsterdamse ijzerwarenwinkel wimpelt de Marokkaan af (‘Die advertentie is oud, die kan je weggooien’), en zegt tegen Robert de Vries dat de baan vergeven is, maar dat hij nog wel een chauffeur kan gebruiken.
Het verbaast hem niks meer, zegt Appie. Bij het call center waar hij drie jaar werkte, wás hij Robert de Vries. ‘Bijna alle Marokkanen en Turken daar gebruiken aan de telefoon een Nederlandse naam. Het bedrijf moedigt dat aan, maar je komt er zelf ook snel achter dat het beter werkt. Je zit daar om te verkopen. En probeer jij tegenwoordig maar eens te vragen: “Hallo met Hassan van UPC Nederland, mag ik uw rekeningnummer?” Daar kom je echt niet doorheen.’
Imad, Karim en Abdelkader zijn geen uitzonderingen. Heel veel allochtonen worden gediscrimineerd. Sla de dossiers van de Commissie Gelijke Behandeling er maar op na en de voorbeelden vliegen je om de oren. Jaarlijks ontvangen de Anti Discriminatie Bureaus (ADB’s) duizenden klachten. Van ruzies over hoofddoekjes, het weigeren van stageplaatsen, tot het uitschelden en bedreigen van moslims. Uit onderzoek van de Universiteit Rotterdam blijkt dat een kwart van de ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf niet, of alleen met grote tegenzin, allochtonen in dienst neemt.
Onder allochtonen is de werkloosheid drie keer zo hoog als onder autochtone Nederlanders, zo’n zestien procent. Dat aantal stijgt, vooral onder Marokkanen. In die groep verdubbelde de werkloosheid in vier jaar tijd tot tweeëntwintig procent. En voor jonge Marokkanen is de situatie het meest uitzichtloos – van hen heeft een kwart geen werk. Vaak worden ze al op school met de problemen geconfronteerd, omdat ze geen stage kunnen vinden. Een recent onderzoek in opdracht van GroenLinks bij meer dan driehonderd bedrijven wees uit dat Marokkaanse jongeren gemiddeld dertig procent minder kans maken op een stage. In de bouw ligt dat cijfer zelfs op drieënzestig procent.
Dat er sprake is van een explosieve situatie, leek ook minister van Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk te beseffen. ‘Economische deelname is en blijft de beste integratiemachine,’ zei ze begin dit jaar in een toespraak tijdens de nieuwjaarsreceptie van multicultureel onderzoeksinstituut Forum. Daarom moest discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt worden bestreden, aldus de minister.
Maar na afloop van het feestje liet Verdonk tegen een verslaggever van het dagblad Trouw een heel ander geluid horen, dat meer in de pas liep met haar eerdere opmerkingen over de ‘lage tolerantiegraad’ van moslims. ‘Je moet mensen niet zomaar van discriminatie beschuldigen,’ zei ze. ‘Je moet goed kijken naar de reden waarom iemand is geweigerd. Is dat toch niet omdat hij of zij het Nederlands onvoldoende beheerst?’ Ja, gaf de minister toe, ook zij hoorde regelmatig dat mensen alleen vanwege hun buitenlandse naam worden geweigerd. Maar klopten die verhalen wel? ‘Niemand kan mij tot dusver een geval tonen waarin dit is bewezen.’ In juni van dit jaar zei Verdonk in Vrij Nederland iets vergelijkbaars. ‘Ik heb een paar maanden geleden een oproep gedaan: kom met voorbeelden. Daar is nooit een reactie op gekomen.’
Die uitspraken zijn op zijn zachtst gezegd opvallend. Verdonk moet op haar bureau stapels rapporten hebben liggen waaruit zonneklaar blijkt dat moslims in Nederland regelmatig gediscrimineerd worden. En in april van dit jaar kwam er nog eens het regeringsrapport Etnische minderheden op de arbeidsmarkt overheen. Daarin staat letterlijk: ‘(…) het hebben van een buitenlandse naam is in sommige gevallen al genoeg om te worden afgewezen.’ Dat stuk werd mede door Verdonk ondertekend.
Het rapport biedt een heldere analyse van de situatie. Ja, veel allochtonen hebben taalproblemen en een te lage opleiding. Maar aan de andere kant vertonen een boel werkgevers ‘risicomijdend gedrag’, en nemen ze liever blanke werknemers aan. De cijfers spreken boekdelen. Zestig procent van de gekleurde mbo’ers en vierenvijftig procent van de hbo-studenten zegt te maken hebben gehad met discriminatie bij het zoeken naar werk. Maar scholieren en studenten doen zelden melding van discriminatie, omdat ze er vanuit gaan dat het zinloos is. Het aantal geregistreerde gevallen is dus maar het topje van de ijsberg.
Schokkende gegevens, zou je zeggen, die bij het kabinet alle alarmbellen zou moeten doen rinkelen. In het rapport wordt de nadruk gelegd op het belang van (taal)onderwijs aan allochtonen en het voorkomen van schooluitval. Maar de werkgevers worden met zijden handschoenen aangepakt. Hogere straffen voor discriminatie of het feller vervolgen van werkgevers die zich schuldig maken aan het achterstellen van gekleurde werknemers behoren niet tot de prioriteiten. Het Landelijk Bureau Racisme reageerde teleurgesteld. Volgens de organisatie wordt het accent te eenzijdig gelegd op de gebreken van allochtone werknemers. De in het rapport voorgestelde maatregelen zijn ‘niet toereikend om discriminatie aan de zijde van de werkgevers daadwerkelijk en effectief aan te pakken’. Het LBR spreekt van een ‘te grote mate van vrijblijvendheid’.
Maja de Jonge ‘Bij een grote verzekeringsmaatschappij in het zuiden van het land was ik een van de verantwoordelijken voor het aannemen van personeel. Het bedrijf zat iets boven het landelijk gemiddelde wat betreft het percentage allochtonen. Van hogerhand kreeg ik te horen dat er een stop moest komen op meisjes met een hoofddoek. Met de mededeling: als je me hier ooit op aanspreekt, dan heb ik het niet gezegd. Ik zei dat ze die screeningen dan maar buiten mij om moesten doen. Want als ik mensen goed vind, neem ik ze gewoon aan, allochtoon of niet. Na elf september kreeg ik van een andere personeelsafdeling te horen: elke kandidaat met een niet-Nederlandse naam willen we ook eerst zien. Ik zei tegen een collega: wat zou je doen met een naam als Evyen? Zo heet mijn zoon, die half Antilliaans is. Zij antwoordde: jouw kind zou hier nooit mogen werken. Dat vond ik zeer kwetsend.
Rond die tijd kreeg een moslimmeisje te horen dat ze vast bij ons kon komen werken. Dolblij was ze. Een paar dagen later werd het plotseling teruggedraaid. Omdat ze moslim was, maar dat kon niemand hardop zeggen natuurlijk. Ze voelde haarfijn aan hoe het zat, en ging vragen stellen. Daarna kreeg ik op mijn donder omdat ik verraden zou hebben dat er een stop op moslims was. Dat was niet zo. Ik heb er alleen intern geen geheim van gemaakt dat ik het er niet mee eens was. Maar ik had mijn eigen baan ook hard nodig. Ik heb me ziek gemeld en ben ander werk gaan zoeken. Toen ik dat vond, heb ik ontslag genomen en ben ik naar het Bureau Discriminatie gestapt. Bij de Commissie Gelijke Behandeling heb ik die zaak gewonnen.’
Criminoloog Frank Bovenkerk doet al sinds de jaren zeventig onderzoek naar discriminatie op de arbeidsmarkt. In 1978 werd hij bekend met het geruchtmakende boekje Omdat zij anders zijn. Hierin werd voor de eerste maal de ‘methode-Bovenkerk’ toegepast: Nederlanders en allochtonen met gelijke kwalificaties reageerden op dezelfde advertenties. De resultaten van het onderzoek werden in dialoogvorm opgetekend en sloegen een flinke deuk in het zelfbeeld van de ‘tolerante’ Nederlander. Kees van Kooten en Wim de Bie speelden op de radio de schokkendste dialogen na. Er werden duizenden exemplaren van het boekje verkocht. In de jaren tachtig en negentig herhaalde hij zijn experiment, met min of meer dezelfde resultaten. Bovenkerks methode kreeg navolging in veel Europese landen.
Naar aanleiding van Verdonks uitspraken in Trouw werd de criminoloog dit voorjaar gevraagd langs te komen in Den Haag om zijn inzichten met de minister te delen. ‘Ik heb uitgelegd dat ik drie keer een gecontroleerd experiment heb gedaan waaruit bleek dat er racisme bestaat,’ zegt Bovenkerk in zijn Amsterdamse kantoor. ‘Verdonk beloofde dat ze de rapporten zou bestuderen. Maar na dat gesprek zei ze dat ze zich niet door “oud onderzoek” van de wijs laat brengen. Ze bleef volhouden dat er geen racisme was, en dat ze pas in actie zou komen als ze concrete bewijzen kreeg.’ Hij zucht: ‘Ik ben een beetje murw geraakt. Uit mezelf ga ik niet opnieuw zo’n onderzoek doen. Maar waarom vráágt Verdonk er niet om?’
Eigenlijk weet Bovenkerk het antwoord wel. ‘Het onderwerp is uit de mode geraakt. Het nieuwe adagium is dat die minderheden maar eens moeten ophouden met zeuren. Van die Paul Scheffer-taal; het slachtofferisme moet afgelopen zijn. Dat kan allemaal wel waar wezen, maar het probleem van discriminatie is er gewoon. Het is er al heel lang, en het lijkt me duidelijk dat de situatie er voor moslims niet beter op is geworden na elf september en de moord op Theo van Gogh.’
Een van de mensen die in de jaren tachtig meedeed aan Bovenkerks onderzoek was de Nederlandse Molukker Rocky Tuhuteru, die later een bekende televisie- en radiopresentator werd. Tegenwoordig leidt hij het bedrijf Tuhuteru en partners, dat onder andere adviezen geeft over ‘multicultureel personeelsbeleid’ aan bedrijven als Shell, TPG Post en DaimlerChrysler. Tuhuteru maakt zich zorgen over de steeds groter wordende groep werkloze allochtonen. ‘De situatie is ernstig. Jongeren van een vmbo spraken mij aan met de vraag hoe ze moeten solliciteren. Ze liepen tegen een muur aan omdat ze een Marokkaanse of Turkse achternaam hebben. Er wordt gediscrimineerd – punt uit. Het gevaar dreigt dat jongens die geen werk vinden zich terugtrekken in hun wijk. Dat gebeurde in de jaren zeventig ook na de Molukse kapingen. Niemand van mijn vrienden en kennissen kwam destijds aan het werk. Ze gingen de criminaliteit in, raakten verzeild in vechtpartijen. Dat zie ik nu weer gebeuren, en dan heb ik het nog niet eens over de gevaren van het islamitisch fundamentalisme.’
Tuhuteru zou bedrijven het liefst naar Amerikaans voorbeeld quota opleggen. Wonen er tien procent allochtonen in een gemeente of provincie? Dan ook tien procent een baan bij de bedrijven en de overheid. ‘Indertijd is het probleem bij de Molukse jongeren opgelost doordat de overheid een duizend banen-plan lanceerde. Die jongens werden ergens geplaatst. Ze kregen een stoomcursus en gingen aan de slag. Dat heeft gewerkt. Dergelijke maatregelen zijn nu weer nodig. Want ik zie heel veel jongens afknappen.’
Frank (36) ‘Ik werk bij een reïntegratiebureau in Noord-Holland. Wij proberen moeilijk plaatsbare werklozen opnieuw aan de slag te helpen. Onder hen zijn veel allochtonen. Mijn collega’s en ik krijgen regelmatig werkgevers aan de telefoon die weigeren om Turkse of Marokkaanse sollicitanten te ontvangen. Als ik daar wat van zeg, antwoorden die medewerkers van personeelszaken: ik kan er niets aan doen, het moet van mijn baas. En als ik dreig met een klacht, zeggen ze: dan zullen we ontkennen dat dit gesprek ooit is gevoerd. Het gaat vooral om productiebedrijven en in de bouw. Uiteindelijk wil ik toch goede vriendjes blijven. Bij zo’n bedrijf moet je nog wel andere mensen zien te plaatsen. Maar netjes is het niet.’
De verstrekkende maatregelen zoals Rocky Tuhuteru voorstaat, liggen niet in de lijn van het kabinet-Balkenende. Sterker; de enige twee instrumenten waarmee werkgevers nog enigszins konden worden aangesproken op hun personeelsbeleid, zijn de afgelopen jaren geruisloos verdwenen.
In 2003 werden de vijftig banen van de zogeheten Bedrijfs Adviseurs Minderheden, kortweg Bammers, opgeheven. Zij moesten bedrijven er toe zien te bewegen meer allochtonen in dienst te nemen. ‘We hadden in deze tijd goed werk kunnen doen,’ meent Stanley Ramkhlawan, de voormalige landelijk projectleider van de Bammers. ‘Want de cijfers geven aan dat het shit gaat. Ik wil niet ontkennen dat allochtonen soms zelf ook schuld hebben aan hun achterstandspositie. Er ís een taalprobleem, er ís veel criminaliteit. Maar ik vind dat er onvoldoende oog is voor de andere kant. Ik heb me er altijd over verbaasd dat politici haarscherp weten hoeveel Marokkanen er in de gevangenis zitten, maar geen idee hebben hoeveel succesvolle allochtone mannen of vrouwen er zijn en op welke positie ze zitten.’
Ramkhlawan kreeg een opvallende medestander in VVD-kamerlid Frans Weekers. Volgens hem leverden de Bammers ‘maatwerk’, waardoor ‘een stukje achterstand’ kon worden weggewerkt. ‘Nu is veel kennis over bemiddeling van allochtonen verloren gegaan,’ zei het kamerlid in het parlement.
Naast de Bammers sneuvelde ook de in 1998 ingevoerde wet Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden (wet Samen). Die wet verplichtte bedrijven op te geven hoeveel werknemers uit etnische minderheden ze in dienst hadden. De werkgevers schreeuwden moord en brand. Ze vonden de overheidsbemoeienis veel te ver gaan, repten van ‘papieren rompslomp’ en lapten de regels massaal aan hun laars. In 2004 werd de wet afgeschaft. Doodzonde, vindt hoogleraar migratie Han Entzinger, geestelijk vader van de wet. ‘Een beetje dwang kan volgens mij geen kwaad,’ zegt Entzinger. ‘Het was een goed instrument; beleidsmakers konden zien hoe de arbeidsmarkt zich ontwikkelde. Meten is weten. Nu tasten we in het duister. En er is weinig effectief beleid voor in de plaats gekomen.’
Oud-minister van Binnenlandse Zaken Hans Dijkstal was een van de indieners van de voorloper van de wet Samen. Ook hij betreurt het verdwijnen ervan. ‘In de Nederlandse politiek wordt tegenwoordig erg stevige taal gesproken. Om de criminaliteit onder “Marokkaantjes” te bestrijden, zegt de regering dat ze de zaken flink gaat aan-pak-ken. En ook de inburgering gaan we flink aan-pakken. Maar we vergeten dat arbeid een van de belangrijkste middelen tot integratie is. Natuurlijk moet je meer druk uitoefenen op migranten om ze te dwingen Nederlands te leren en een vakdiploma te halen. Maar je moet ook meer druk zetten op werkgevers. En dat zie ik nog niet echt.’
Khadija (30) ‘Ik had een fijne baan bij een call center, met fijne collega’s. Ik heb nooit last gehad van discriminatie. Goed, af toe werd er gelachen om filmpjes op internet waarin moslims belachelijk werden gemaakt. Daar moet je tegen kunnen, vind ik. Maar na de moord op Theo van Gogh veranderde de sfeer binnen het bedrijf. De opmerkingen tegen Marokkanen werden harder. Opeens hadden collega’s het in mijn bijzijn over “die buitenlanders”. De ergste was onze manager, die openlijk sprak over “kut-Marokkanen”.
Op een gegeven moment werd een Marokkaanse collega ontslagen. Dat was terecht, hij functioneerde slecht. In zijn plaats werd iemand aangenomen die de voorletters E.T.A. had. De manager zei: “Hebben we net een terrorist ontslagen, is de volgende al weer aangenomen.” Grapje... Maar ik kon er niet meer om lachen. Ik vroeg hem hoe hij zoiets kon zeggen. Als manager moest hij toch het goede voorbeeld geven? Vanaf dat moment werd het erger. Hij ging extra op me letten, ik werd steeds afgesnauwd. Ik ben naar de directie gestapt en hij moest zijn excuses aanbieden. Maar het hielp niet veel. Bij mijn volgende evaluatiegesprek werd ik de grond ingeboord en niet veel later ontslagen, terwijl er nooit iets op mijn werk aan te merken was geweest. Ik heb een klacht ingediend bij het Bureau Discriminatie. Er zijn later nog vijf collega’s van buitenlandse afkomst ontslagen. Niemand heeft ertegen geprotesteerd. Mensen zijn bang voor hun baan in deze onzekere tijden. Maar ik ben hier geboren, ik voel me Nederlander. Ik wil gerechtigdheid.’
Staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken deelt de sombere conclusies van zijn partijgenoot Dijkstal niet. Volgens hem is het niet nodig de werkgevers onder druk te zetten. Hij gelooft in het ‘bij elkaar brengen van partijen’ en ‘het ontwikkelen van draagvlak’. Enthousiast vertelt de staatssecretaris over de Dag van de Binding, in januari van dit jaar. In de Ridderzaal waren alle kopstukken uit multicultureel Nederland bijeen voor overleg met maar liefst acht bewindslieden. ‘De mensen aan mijn tafel zeiden: “Mijn hemel, het is voor het eerst dat we hier met elkaar over praten.” En er zijn allemaal mooie initiatieven ontstaan.’ Van Hoof begint aan een lange opsomming. Bedrijven die jongeren adopteren voor een stage, een banenoffensief voor vluchtelingen, vakbonden die gesprekken op de werkvloer organiseren tussen allochtonen en autochtonen. Maar van keiharde afspraken, zoals bijvoorbeeld een banenplan voor minderheden, wil hij niets weten. ‘Met dwang bereik je niets,’ meent Van Hoof. ‘We moeten draagvlak creëren. Dat heeft meer effect dan mensen verplichten dingen te doen die ze eigenlijk niet willen.’
De organisatie die namens de regering samen met werkgevers, uitzendbureau’s en minderhedengroepen dat draagvlak moet scheppen, is Div Management, een paradepaardje van Van Hoof. Zij moet partijen bij elkaar brengen, voorlichtingsbijeenkomsten organiseren en zorgen dat ‘best practices’ navolging krijgen. ‘Div Management houdt de voortgang van alle initiatieven in de gaten,’ belooft Van Hoof. ‘En zodra de enthousiaste voornemens in de benen zakken, zal ik van mij laten horen.’
Eén telefoontje met Div Management leert dat de organisatie uit niet meer dan vijf mensen bestaat en in een chaotische situatie verkeert na het vertrek van een coördinator. En dát aan de vooravond van het eerste grote congres dat ze organiseren. Project-medewerker Ditter Blom twijfelt sterk aan de slagvaardigheid van zijn eigen organisatie. ‘We kunnen met het handjevol mensen geen grote initiatieven ontwikkelen. Je moet roeien met de riemen die je hebt.’ Hij vindt het jammer dat dit kabinet de Bammers heeft afgeschaft. ‘Die mensen hadden we goed kunnen gebruiken.’ Ditter noemt het ‘doodzonde’ dat de overheid niet meer geld in het initiatief steekt. ‘Van een regering die zegt integratie zo belangrijk te vinden had ik wel wat meer verwacht.’
Rachida (22) ‘Sinds een paar maanden draag ik een hoofddoek. Vlak daarvoor had ik me ingeschreven bij een uitzendbureau. Zij belden me voor een baantje als receptioniste bij een reclamebureau. Daar keken ze een beetje vreemd, maar ik werd wel ingewerkt. Na een halfuurtje vroegen ze me het uitzendbureau te bellen. Aan de telefoon kreeg ik te horen: die hoofddoek vinden ze bij dat bureau niet prettig, dat is niet representatief. Ik weigerde hem af te doen, en even later stond ik weer buiten. Ik voelde me erg aangeslagen. Zonder hoofddoek werd ik altijd zonder problemen aangenomen. Ik dacht: ik doe een hbo-opleiding, maar wie garandeert me dat ik straks een baan krijg?
Daarna solliciteerde ik bij de Top Ticketlijn, een call center van Joop van den Ende-producties. Het uitzendbureau zei nog dat ik een heel goede kans maakte, omdat ik ook mbo Secretaresse en Directiemanagement heb gedaan. Dat hadden de andere kandidaten niet. Het gesprek ging heel goed, en ik zou die middag nog worden teruggebeld. Maar ik hoorde niks, ook de volgende dag niet. Via het uitzendbureau hoorde ik uiteindelijk dat ik niet aangenomen was, omdat het bij dat bedrijf beleid was dat je geen hoofddoek mag dragen. Ik kan me nog een beetje voorstellen dat sommigen een hoofddoek bij de receptie niet representatief vinden. Maar aan de telefoon, terwijl niemand aan je stem kan horen waar je vandaan komt, dat kan niet. Daarom ben ik naar het Anti Discriminatie Bureau gestapt. Het uitzendbureau bood excuses aan, zij mogen voor dat soort bedrijven niet bemiddelen. Volgens de Top Ticketlijn was het helemaal niet hun beleid om hoofddoekjes te weren. Ze hebben me opnieuw uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek, maar daar had ik geen zin meer in. De twee musicalkaartjes die ze me opstuurden, heb ik wel gebruikt.’
De Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb verwacht meer van staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken. Div Management? ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord.’ De Dag van de Binding? ‘Ik heb getwijfeld of ik daar überhaupt naar toe zou gaan. Het is prima dat leidende figuren uit de samenleving elkaar af en toe diep in de ogen kijken. Maar het moet leiden tot concrete resultaten.’
En die ziet Aboutaleb niet. ‘Dit kabinet neemt voor kennisgeving aan dat de werkloosheid onder allochtonen sterk stijgt. Tijdens de algemene beschouwingen is het nauwelijks aan de orde geweest. De regering komt met honderden miljoenen voor terreurbestrijding, maar Verdonk krijgt niet meer dan enkele miljoenen voor maatschappelijke binding. Dat is veel minder dan het bedrag dat wij in Amsterdam uittrekken voor dit onderwerp. Begrijp me goed; ik ben niet tegen terreurbestrijding en strengere wetten. Maar het is vele malen moeilijker om 120.000 moslims in Amsterdam het gevoel te geven dat ze erbij horen. Dat staat niet hoog op de agenda van dit kabinet.’
En dus, zegt Aboutaleb ferm, doen wij het zelf wel. ‘Ik ga niet zitten wachten.’ Samen met Ferry Houterman, de voorzitter van het Midden- en Kleinbedrijf in Amsterdam, heeft de wethouder honderden stageplaatsen gecreëerd die voor het merendeel naar allochtone studenten gaan. ‘We werken goed samen met grote bedrijven als ING, ABN, de Rabobank en Albert Heijn. En bij gemeente komen er elke dag nieuwe stageplaatsen bij. Ik wil dat op den duur een op de vijfentwintig ambtenaren een stagiair is. Ik reken mijn directeuren hier op af.’
Naast kritiek op het werkgelegenheidsbeleid vindt Aboutaleb ook dat de regering zich veel harder moet uitspreken tegen discriminatie. ‘Het is echt een gotspe dat – zoals uit het onderzoek van Sociale zaken en Werkgelegenheid blijkt – bij ondernemingen openlijke discriminatie plaatsvindt. Je zou een keer tot vervolging over moeten gaan. Het is belangrijk om Turkse en Marokkaanse Nederlanders die hiermee te maken te krijgen, te laten zien: hier doen wij wat aan.’
Vanwege zijn Marokkaanse achtergrond wordt Aboutaleb soms rechtstreeks met discriminatie geconfronteerd. Zo werd zijn zoon door de politie al meerder malen aangehouden en naar zijn legitimatie gevraagd. ‘Alleen maar omdat er zwarte krulletjes onder zijn helm vandaan komen,’ zo vermoed de wethouder. Aboutalebs dochter en hoofddoek dragende tante werden geweigerd in het Haagse Lounge Café, berucht vanwege het weren van religieuze moslima’s. ‘Dat café had allang gesloten moeten worden!’ zegt Aboutaleb. ‘Dit kabinet bezigt flinke taal over fundamentalistische moskeëen, en terecht. Maar in het geval van discriminatie moet zij dit ook bij dit soort bedrijven doen. Het Kabinet moet hier bovenop zitten.’ [Glenn]
Glenn (44) ‘Ik kom van de Antillen, woon hier al achttien jaar en voel me honderd procent Nederlander. In Den Haag werkte ik met veel plezier in een kopieerwinkel. Tot ik een nieuwe baas kreeg - een racist tot op het bot. Als er iets vervelends gedaan moest worden, zei hij tegen klanten: “Dat is een mooi klusje voor onze neger.” Op een ochtend hing er op de deur die naar de wc leidt een sticker met een karikatuur van mij en een rood kruis er doorheen. Eronder stond: Hier geen negers. Ik moest omlopen en via de achterdeur naar binnen om naar het toilet te kunnen! Dat was voor mij de druppel die de emmer deed overlopen. Ik heb een klacht ingediend bij het Bureau Discriminatie. De man die me zo had beledigd was al snel weer weg bij de winkel. De eigenaar wilde het goedmaken, maar ik had geen zin meer om daar te werken. We hebben ons geschil voor de rechter uitgevochten en ik kreeg een schadevergoeding. Maar ja, ik mag dan de slag hebben gewonnen, de oorlog heb ik verloren. Want nu zit ik al meer dan een jaar werkloos thuis.’
Het komt zelden voor dat een bedrijf wegens discriminatie wordt aangeklaagd. In Haarlem dient binnenkort een zaak tegen het Zaanse assurantiekantoor EPB Advies. In januari 2002 had dit bedrijf bij een uitzendbureau gevraagd om een medewerker telemarketing. Een Turkse sollicitant kreeg te horen dat hij niet in aanmerking kwam. Vervolgens bleek in de computer van het uitzendbureau een aantekening te zijn gemaakt dat EPB Advies ‘geen Turken, Marokkanen en geen hoofddoekjes’ voor de betreffende functie wilde. De Turkse uitzendkracht deed aangifte. Het uitzendbureau bood zijn excuses aan en verbrak de banden met het bedrijf.
Maar het Openbaar Ministerie liet de zaak tegen EPB sloffen. Een politieman die medewerkers van het uitzendbureau zou verhoren, was ziek op de afgesproken dag. De behandelend officier van justitie was lange tijd afwezig. Na een half jaar besloot het OM de zaak te seponeren. Het Anti Discriminatie Bureau Zaanstreek liet het er niet bij zitten en eiste via een speciale procedure alsnog vervolging. Bij hoge uitzondering werd die eis toegewezen. Volgens het Amsterdamse gerechtshof heeft de directeur van EPB ‘weloverwogen onderscheid gemaakt naar ras, door geen personeel van allochtone herkomst te willen aannemen’. Wegens het ‘maatschappelijk belang’ zorgde het Hof ervoor dat de zaak alsnog door een strafrechter wordt behandeld.
Prima, vindt PvdA-kamerlid Jet Bussemaker. In een opmerkelijk een-tweetje met VVD’er Frans Weekers verzocht zij in juni van dit jaar staatssecretaris Van Hoof om ‘een actief vervolgingsbeleid van discriminatie van etnische minderheden’ in te voeren. De staatssecretaris liet weten dat de bestaande wetgeving zijns insziens voldoende is. ‘Zeer teleurstellend,’ zegt Bussemaker. Overigens verzekerde Van Hoof de Tweede Kamer dat het Openbaar Ministerie na een aangifte van discriminatie ‘voortvarend aan de slag gaat’. In Zaandam zullen ze daar het hunne van denken.
Na de uitspraken van Verdonk vroeg PvdA’er Bussemaker minister Aart Jan de Geus en staatssecretaris Van Hoof of ze de minister van Vreemdelingenzaken ‘wilden bijpraten’ over het probleem van discriminatie op de arbeidsmarkt. ‘Zij antwoordden besmuikt dat ze dat zouden doen,’ zegt Bussemaker. ‘Want zij wisten wel beter. Als Verdonk toch haar mond opendoet, moet ze wel weten waar ze het over heeft.’
Bussemaker voelt zich in het parlement ‘een roepende in de woestijn’ – niet alleen als het gaat om de bestrijding van discriminatie, maar ook in het debat over werkloosheid onder allochtonen. ‘Ik heb drie jaar moeten sleuren en trekken om het plan om 2500 vluchtelingen aan een baan te helpen door de Kamer te krijgen,’ zegt ze. ‘Als we niets hadden gedaan, was het de helft geweest.’ Volgens de PvdA’er is de regering huiverig zichzelf harde doelstellingen op te leggen. ‘Ze zijn bang dat ze het niet halen. De maatregelen om de werkloosheid onder minderheden terug te dringen, stellen geen bal voor.’
Michael Struik (40) ‘Ik was fitness-instructeur in de Westvliet Wellness and Racket Club in Den Haag. Afgelopen zomer kreeg ik tijdens een gesprek te horen dat ik niet goed functioneerde. Mijn directe chef zei: je komt grauw over met je donkere ogen en je donkere huid. Daardoor ben je moeilijk benaderbaar. Ik wist niet wat ik hoorde! Ja, ik ben van Surinaamse afkomst, maar wat dan nog... In het half jaar dat ik er werkte, had ik nooit klachten gehad. Meteen na het gesprek stapte ik naar de baas, maar die deed niets. Ik was zeer teleurgesteld. Waar ben ik nou terecht gekomen, dacht ik bij mezelf. Ik heb ontslag genomen en mijn advocaat wil het bedrijf voor de rechter dagen.’
Imad, Karim en Abdelkader zouden nooit naar een Anti Discriminatie Bureau stappen. Maar voor hen is het een patroon. Op straat worden ze aangekeken als potentiële dief, bij de disco geweigerd, en als ze solliciteren is de baan vaak net vergeven. Maar ja, bewijs maar eens dat het een uitvlucht is. Een paar jaar geleden zagen ze de toekomst nog zonnig in. Ze volgden een mbo-opleiding, vonden probleemloos een stage. Ze waren vastbesloten beter terecht te komen dan hun vaders. Maar dat was vóór de economische recessie, en vooral: voor de aanslagen van elf september en de moord op Theo van Gogh. Toen je nog gewoon binnenkwam in discotheken. Toen je nog met Hollandse meisjes kon praten zonder dat je ze zag denken: is het een aanrander of een terrorist? Toen je nooit zomaar door een stille tegen een muur gekwakt werd omdat hij dacht dat je een zakkenroller was. ‘Ik vond het prachtig in Nederland,’ zegt Karim.
Soms zouden ze willen dat ze waren geboren in de tijd dat hun vaders jong waren. ‘In die tijd werden Marokkanen altijd aangenomen,’ zegt Imad. ‘Ze kregen vaak voorrang boven Nederlanders, omdat de bazen vonden dat ze harder werkten.’ Grinnikend vertelt hij dat zijn vader inwoonde bij een hospita, een oude vrouw van een jaar of zeventig. ‘Moet je nou eens proberen – aanbellen bij zo’n vrouwtje. Voordat je kunt vragen of ze een kamer verhuurt, heeft ze 112 al gebeld.’
Aan de andere kant: zij zijn niet als hun vaders. ‘Toen hij hier kwam, sprak hij geen woord Nederlands. Hij was blij met elke gulden. Maar mij help je niet met een baantje in een fabriek of een magazijn. Ik heb jaren op school gezeten, cursussen gedaan, veel geïnvesteerd. Als ik van tevoren wist dat ik alleen maar vuilnisman kon worden, had ik al die moeite niet gedaan., dan was ik lekker thuis gebleven.’
Nu is thuiszitten juist een straf geworden. ‘Ik sta ’s ochtends op, doe mijn haar, maak me knap. En dan ga ik maar naar buiten.’ En als je maar lang genoeg op straat rondhangt, zegt Imad, komen er vanzelf duistere types op je af. ‘Die jongens zeggen: jij heb toch niks te doen. Ik heb een klusje voor je waar je snel flink wat geld mee kunt verdienen. Ik geef eerlijk toe dat het verleidelijk is. Maar ik kan het gewoon niet maken tegenover mijn vader en moeder.’
Imad zucht: ‘Je gaat je minderwaardig voelen.’
‘Ach man, het komt wel goed,’ probeert Abdelkader.
‘Echt niet,’ zegt Karim. ‘Het wordt alleen maar erger.'
Lees ook het rapport.
Rita Verdonk: 'Zo worden werkgevers wakker geschud'
Minister Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken en `integratiebeleid laat in een schriftelijke reactie weten dat haar uitspraken in dagblad Trouw verkeerd zijn geïnterpreteerd. ‘Ik heb nooit gezegd dat discriminatie op de arbeidsmarkt niet plaatsvindt.’ Ze wilde er slechts op wijzen dat sollicitanten bij een afwijzing niet te snel moeten roepen dat het om discriminatie gaat. ‘Het is ook mogelijk dat iemand onvoldoende gekwalificeerd is.’
Verdonk ziet opvallend genoeg ook voordelige kanten aan de discussie die zij uitlokte met haar opmerkingen. Werkgevers zouden zich volgens haar ‘meer bewust’ zijn geworden dat het beoordelen van sollicitanten op hun achternaam een vorm van discriminatie is. Inmiddels is de minister wel een ‘hard’ geval bekend van discriminatie op naam. In een recente uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling werd een klager in het gelijk gesteld – overigens zeker niet voor de eerste keer. Verdonk is ‘blij’ met dit oordeel: ‘Hierdoor worden werkgevers, maar ook werknemers wakker geschud.’
Evenals staatssecretaris Van Hoof geeft Verdonk een hele opsomming van initiatieven waaruit zou blijken dat het haar ernst is met de bestrijding van discriminatie: ze organiseert bijeenkomsten met horecabazen en jongeren, heeft een ambassadeursnetwerk diversiteit opgezet en is betrokken bij het actieplan Nieuw Ondernemerschap, dat startende allochtone ondernemers op weg moet helpen.
De minister kan zich niet vinden in het verwijt dat de positie van moslims op de arbeidsmarkt is verslechterd door harde uitspraken van haarzelf en andere leden van de regering. ‘De verharding in de samenleving is het gevolg van een periode van tien à vijftien jaar waarin het niet “politiek correct” was om te spreken over de problemen van de multiculturele samenleving. Een periode waarin de politiek onder het mom van tolerantie de ogen sloot voor deze problemen. Bij een groot deel van de bevolking heeft dit geleid tot gevoelens van machteloosheid en woede. Dat tij moeten we keren en daar zet ik mij voor in. Niets meer, niets minder.’
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




